<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>    Zrenthe aA — ParrGEl ENIENE IE erre 15 zegenen 2010 nm    PAS-Gebiedsanalyse  25 — Drentsche Aa    Versie 15 december 2017         provincie Drenthe</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
2 
 Inhoudsopgave  
 
1 Kwaliteitsborging  ................................ ................................ .............  6 
1.1 Inleiding  ................................ ................................ ................................ ...............  6 
1.2 Bronnenlijst  ................................ ................................ ................................ ...........  7 
1.2.1  Gebruikte  vegetatiegegevens  ................................ ................................ ..........  7 
1.2.2  Geraadpleegde  literatuur  ................................ ................................ ................  7 
2 Inleiding (doel en probleemstelling)  ................................ ..............  10 
2.1 Relatie gebiedsanalyse tot beheerplanproces en leeswijzer  ................................ .........  10 
2.2 Doelen  ................................ ................................ ................................ .................  10 
2.3 Deelgebieden  ................................ ................................ ................................ ........  12 
2.4 Leeswijzer  ................................ ................................ ................................ ............  15 
3 Resultaten AERIUS monitor 1 6L ................................ .....................  17 
3.1 Depositie ten opzichte van de KDW per tijdvak  ................................ .........................  17 
3.1.1  Ontwikkelingsruimte per tijdvak  ................................ ................................ ..... 23 
3.1.2  Ontwikkelingsruimte per habitattype  ................................ ..............................  24 
3.1.3  Tussenconclusie  depositie  ................................ ................................ .............  26 
4 Beknopte Landschapsecologische analyse  ................................ ..... 27 
4.1.1  Geomorfologie  ................................ ................................ .............................  27 
4.1.2  Hydrologie en bodem  ................................ ................................ ....................  29 
4.2 Deelgebieden  ................................ ................................ ................................ ........  31 
4.2.1  Deelgebied 1: De benedenloop; De Punt tot Westlaren  ................................ ..... 32 
4.2.2  Deelgebied 2: De overgang bened en-middenloop bij Westlaren  .........................  35 
4.2.3  Deelgebied 3: De middenloop; Schipborgsche diep  ................................ ...........  38 
4.2.4  Deelgebied 4: De westelijke middenloop  ................................ .........................  48 
4.2.5  Deelgebied 5: De oostelijke middenloop  ................................ ..........................  51 
4.2.6  Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooë rveld ................................ ................  54 
4.2.7  Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop  ..............................  57 
4.2.8  Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen  ................................ .........................  60 
4.2.9  Deelgebied 9: oostelijke boven -middenloop; het Andersche diep  ........................  63 
4.2.10  Deelgebied 10: ooste lijke bovenloop en oorspronggebieden op de Hondsrug  ....... 66 
4.2.11  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ..................  70 
5 Gebiedsanalyses Habitattypen  ................................ .......................  76 
5.1 Gebiedsanalyse  H2310  Stuifzandheiden  met struikhei  ................................ ................  76 
5.1.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ..... 76 
5.1.2  Deelgebied  2: De overgang  beneden - middenloop  bij Westlaren  ........................  77 
5.1.3  Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld  ................................ ................  77 
5.1.4  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ..................  78 
5.2 Gebiedsanalyse  H2320  Binnenlandse  kraaiheibegroeiingen  ................................ .........  79 
5.2.1  inleiding  ................................ ................................ ................................ ...... 79 
5.2.2  Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld  ................................ ................  80 
5.3 Gebiedsanalyse  H2330  Zandverstuivingen  ................................ ................................  81 
5.3.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ..... 81 
5.3.2  Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld  ................................ ................  82 
5.4 Gebiedsanalyse  H3160  Zure vennen  ................................ ................................ ........  82 
5.4.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ..... 82 
5.4.2  Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld  ................................ ................  83 
5.4.3  Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop  ..............................  84 
5.4.4  Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de Hondsrug  ....... 85 
5.4.5  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ..................  86 
5.5 Gebiedsanalyse  H4010A  Vochtige  heiden  ................................ ................................ . 86 
5.5.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ..... 86 
5.5.2  Deelgebied 2: De overgang beneden - middenloop bij Westlaren  ........................  87 
5.5.3  Deelgebied 3: De midden loop; Schipborgsche diep  ................................ ...........  88 
5.5.4  Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld  ................................ ................  88 </pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
3 
 5.5.5  Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop  ..............................  89 
5.5.6  Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen  ................................ .........................  90 
5.5.7  Deelgebied 9: oostelijke boven -middenloop; het Andersche diep  ........................  91 
5.5.8  Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de Hondsrug  ....... 91 
5.5.9  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ..................  92 
5.6 Gebiedsanalyse  H4030  Droge  heiden  ................................ ................................ ....... 94 
5.6.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ..... 94 
5.6.2  Deelgebied 2: De overgang beneden - middenloop bij Westlaren  ........................  95 
5.6.3  Deelgebied 5: De oostelijke middenloop  ................................ ..........................  95 
5.6.4  Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooë rveld ................................ ................  96 
5.6.5  Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen  ................................ .........................  97 
5.6.6  Deelg ebied 9: oostelijke boven -middenloop; het Andersche diep  ........................  97 
5.6.7  Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de Hondsrug  ....... 98 
5.6.8  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ..................  99 
5.7 Gebieds analyse  H5130  Jeneverbesstruwelen  ................................ ..........................  100 
5.7.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 100 
5.7.2  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ................  101 
5.8 Gebiedsanalyse  H6230  Heischrale  graslanden  ................................ .........................  102 
5.8.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 102 
5.8.2  Deelgebied 2: De overgang beneden - middenloop bij Westlaren  ......................  102 
5.8.3  Deelgebied 3: de middenloop; Schipborgsche diep  ................................ .........  104 
5.8.4  Deelgebied 4: De westelijke midde nloop  ................................ .......................  105 
5.8.5  Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de Hondsrug  ..... 106 
5.8.6  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ................  107 
5.9 Gebiedsanalyse  H6410  Blauwgraslanden  ................................ ................................  108 
5.9.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 108 
5.9.2  Deelgebied 3: De middenloop; Schipborgsche diep  ................................ .........  109 
5.9.3  Deelgebied 5: De oostelijke middenloop  ................................ ........................  110 
5.9.4  Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloo p - bovenloop  ............................  111 
5.9.5  Deelgebied 9: oostelijke boven -middenloop; het Andersche diep  ......................  112 
5.9.6  Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de Hondsrug  ..... 112 
5.10  Gebiedsanalyse  H7110B  Actieve  hoogvenen  ................................ ..........................  114 
5.10.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 114 
5.10.2  Deelgebied 5: De oostelijke middenloop  ................................ ........................  115 
5.10.3  Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld  ................................ ..............  115 
5.10.4  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ................  116 
5.11  Gebiedsanalyse H7140A Overgangs - en trilvenen  ................................ ..................  117 
5.11.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 117 
5.11.2  Deelgebied 1: De benedenloop; De Punt tot Westlaren  ................................ ... 118 
5.11.3  Deelgebied 2: De overgang beneden -middenloop bij Westlaren  .......................  119 
5.11.4  Deelgebied 3: De middenloop; Schipborgsche diep  ................................ .........  121 
5.11.5  Deelgebied 4: De westelijke middenloop  ................................ .......................  123 
5.11.6  Deelgebied 5: De oostelijke middenloop  ................................ ........................  124 
5.11.7  Deelgebied 6: Infiltratiegebied het Ballooërveld  ................................ .............  126 
5.11.8  Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop  ............................  128 
5.11.9  Deelgebied 8: De weste lijke bovenlopen  ................................ .......................  129 
5.11.10  Deelgebied 9: Oostelijkeboven -middenloop; het Andersche diep  ..................  130 
5.11.11  Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de Hondsrug  .. 130 
5.12  Gebiedsa nalyse  H7150  Pioniersvegetaties met snavelbiezen  ................................ ... 132 
5.12.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 132 
5.12.2  Deelgebied 9: oostelijke boven -middenloop; het Andersche diep  ......................  132 
5.13  Gebiedsanalyse  H9120 Beuken -eikenbossen met hulst  ................................ ...........  133 
5.13.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 133 
5.13.2  Deelgebied  2: De overgang  beneden - middenloop  bij Westlaren  ......................  134 
5.13.3  Deelgebied 4: De westelijke middenloop  ................................ .......................  135 
5.13.4  Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop  ............................  135 
5.13.5  Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen  ................................ .......................  136 
5.13.6  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ................  137 
5.14  Gebiedsanalyse H9160A Eiken -haagbeukenbossen ................................ .................  138 
5.14.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 138 
5.14.2  Deelgebied 5: De oostelijke middenloop  ................................ ........................  138 
5.14.3  Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen  ................................ .......................  139 
5.14.4  Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de Hondsrug  ..... 140 
5.15  Gebiedsanalyse  H9190  Oude  eikenbossen ................................ .............................  140 </pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
4 
 5.15.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 140 
5.15.2  Deelgebied 7: Overgang westelijke midd enloop - bovenloop  ............................  141 
5.15.3  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ................  142 
5.16  Gebiedsanalyse H91D0 Hoogveenbossen  ................................ ..............................  142 
5.16.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 142 
5.16.2  Deelgebied 2: De overgang beneden -middenloop bij Westlaren  .......................  143 
5.16.3  Deelgebied 5: De oostelijke middenloop  ................................ ........................  144 
5.16.4  Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de Hondsrug  ..... 144 
5.16.5  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  ................................ ................  145 
5.17  Gebiedsanalyse H91E0C Vochtige alluv iale bossen (beekbegeleidende bossen)  ..........  146 
5.17.1  Inleiding  ................................ ................................ ................................ ... 146 
5.17.2  Deelgebied 3: De middenloop; Schipborgsche diep  ................................ .........  147 
5.17.3  Deelgebied 4: De westelijke middenloop  ................................ .......................  148 
5.17.4  Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen  ................................ .......................  149 
5.18  Habitatrichtlijnsoorten met stikstofgevoelig leefgebied  ................................ ...........  150 
5.18.1  Kwaliteitsanalyse leefgebieden  ................................ ................................ ..... 150 
5.18.2  Eindconclusie  ................................ ................................ .............................  151 
6 Gebiedsgerichte  uitwerking  maatregelpakketten  .........................  152  
6.1 Eerste bepaling maatregelpakketten op gradiëntniveau.  ................................ ...........  152 
6.1.1 Deelgebied 1: De benedenloop; De Punt tot Westlaren  ................................ ... 153 
6.1.2  Deelgebied 2: De overgang beneden - middenloop bij Westlaren  ......................  156 
6.1.3  Deelgebied 3: De  middenloop  Schipborgsche diep  ................................ ..........  158 
6.1.4  Deelgebied  4: De westelijke middenl oop ................................ .......................  160 
6.1.5  Deelgebied  5: De oostelijke  middenloop  ................................ ........................  162 
6.1.6  Deelgebied  6: Het Ballooërveld  ................................ ................................ .... 164 
6.1.7  Deelgebied 7 : De overgang naar middenloop  ................................ .................  166 
6.1.8  Deelgebied 8: De bovenlopen  ................................ ................................ ...... 169 
6.1.9  Deelgebied 9: het Anderense diep  ................................ ................................  171 
6.1.10  Deelgebied 10: de Bovenlopen en oorspronggebiede n ................................ .... 173 
6.1.11  Deelgebied 11: De infiltratiegebieden  ................................ ...........................  176 
6.1.12  De Beek  ................................ ................................ ................................ .... 183 
6.2 Herstelmaatregelen per habitattype  ................................ ................................ ....... 184 
6.2.1  Herstelmaatregelen H2310 Stuifzandheiden met struikhei.  ..............................  184 
6.2.2  Herstelmaatregelen H2320 Binnenlandse kraaiheide begroeiingen  ....................  186 
6.2.3  Herstelmaatregelen H2330 Zandverstuivingen.  ................................ ..............  187 
6.2.4  Herstelmaatregelen H3160 Zure vennen  ................................ .......................  188 
6.2.5  Herstelmaatregelen H4010A Vochtige heide  ................................ ..................  190 
6.2.6  Herstelmaatregelen H4030 Droge heiden  ................................ ......................  194 
6.2.7  Herstelmaatregelen H5130 Jeneverbesstruweel  ................................ .............  197 
6.2.8  Herstelmaatregelen H6230 Heischrale graslanden  ................................ ..........  199 
6.2.9  Herstelmaatregelen H6410 Blauwgraslanden  ................................ .................  201 
6.2.10  Herstelmaatregelen H7110B Actieve hoogvenen  ................................ .............  202 
6.2.11  Herstelmaatregelen H7140A Overgangs - en trilvenen  ................................ ..... 204 
6.2.12  Herstel maatregelen H7150 Pioniersvegetaties met snavelbiezen.  ....................  208 
6.2.13  Herstelmaatregelen H9120 Beuken - eikenbossen met hulst;  ...........................  209 
6.2.14  Herstelmaatregelen H91 60A Eiken haagbeukenbossen  ................................ .... 210 
6.2.15  Herstelmaatregelen H9190 Oude Eikenbossen  ................................ ...............  211 
6.2.16  Herstelmaatregelen H91E0C Vochtige alluviale bossen;  ................................ ... 212 
6.2.17  Herstelmaatregelen H91D0 Hoogveenbossen;  ................................ ................  214 
7 Beoordel ing relevantie en situatie flora/fauna  .............................  215  
7.1 Interactie uitwerking gebiedsgerichte herstelmaatregelen N -gevoelige habitats met 
andere habitats en natuurwaarden  ................................ ................................ ..................  215 
7.2 Interactie uitwerking gebiedsgerichte herstelmaatregelen N -gevoelige habitats met 
leefgebieden bijzondere flora en fauna.  ................................ ................................ ...........  215 
7.3 Tussenconclusie herstelmaatregelen  ................................ ................................ ...... 216 
8 Synthese maatregelenpakket alle habitattypen in het gebied  ...... 217  
9 Beoordeling maatregelen naar effectiviteit, duurzaamheid, 
kansrijkdom in het gebied  ................................ ................................ ... 219  
9.1 Potentiële effectiviteit, de herhaalbaarheid en duurzaamheid  ................................ .... 219 </pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
5 
 9.1.1  Habitattypen met lage vegetaties, die gebonden zijn aan  de toestroom van 
gebufferd grondwater  ................................ ................................ ...............................  219 
9.1.2  Habitattypen met lage vegetaties, die niet gebonden zijn aan het toestromen van 
gebufferd grondwater  ................................ ................................ ...............................  220 
9.1.3  Bossen  ................................ ................................ ................................ ...... 222 
9.2 Leemten in kennis  ................................ ................................ ...............................  223 
9.2.1  Vegetatie en typische soorten  ................................ ................................ ...... 223 
9.2.2  Hydrologische en landschapsecologische vraagstukken  ................................ ... 223 
9.2.3  Kennis van effecten van maatr egelen  ................................ ...........................  224 
9.3 Borging financiën en realisatie van de maatregelen  ................................ .................  224 
9.4 Tussenconclusie  ................................ ................................ ................................ .. 226 
10 Monitoring  ................................ ................................ ....................  232  
11 Eindconclusie  ................................ ................................ ...............  235  
12 Bijlagen  ................................ ................................ ........................  236  
 
 
  </pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
6 
 1 Kwaliteitsborging  
 
1.1 Inleiding  
De informatie  in dit document is tot stand gekomen met behulp van de herziene toolkit 
herstelstrategieën zoals die voor de PAS ontwikkeld is. Hiervoor zijn de documenten gebruikt zoals 
ze in november 2014 beschikbaar waren. Deze toolkit berust op recente wetenschappeli jke 
inzichten. Behalve van de herstelstrategieën is ook gebruik gemaakt van het PAS -
gradiëntdocument Beekdalen en Nat zandlandschap .  
 
Dit document is de geactualiseerde PAS -gebiedsanalyse voor het Natura 2000 -gebied nr 25 het 
Drentsche Aa -gebied, onderdee l van de partiële herziening Programma Aanpak Stikstof 2015 -2021.  
De berekening van de depositie wijkt in AERIUS Monitor 16L niet af van de uitkomsten van de 
vorige versie van AERIUS Monitor (versie 16). De leefgebieden voor soorten hebben een eigen 
kritische depositie waarde en ruimtelijke verspreiding waardoor deze leiden tot nieuwe 
depositiewaarden in gebieden waar ze voorkomen. Leefgebieden voor soorten komen uitsluitend 
voor in die Natura -2000 gebieden waar specifiek soorten in het aanwijzingsbesluit zijn genoemd . 
Meer informatie over de actualisatie van AERIUS  Monitor is te vinden in de partiële herziening 
Programma Aanpak Stikstof 2015 -2021. De actualisatie op basis van AERIUS  monitor 1 6L heeft 
geleid tot wijzigingen in de omvang van de stikstofdepos itie en de ontwikkelruimte in alle PAS -
gebieden. De omvang van de wijzigingen is verschillend per gebied en per habitattype.   
 
Naar aanleiding van de geactualiseerde uitkomsten van AERIUS  Monitor 201 6L blijft het ecologisch 
oordeel van het Drentsche Aa -gebied ongewijzigd . De verwachte depositiedaling is gelijk gebleven, 
aanpassing van het ecologisch oordeel is niet aan de orde. Een nadere toelichting hierop is 
opgenomen in hoofdstuk 9. Met het ecologisch oordeel is beoordeeld of met de toedeling van 
deposi tie en ontwikkelingsruimte de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige 
habitattypen en leefgebieden van soorten op termijn worden gehaald en/of behoud is geborgd. 
Daarnaast is beoordeeld of verslechtering van habitats en/ of leefgebieden een significante 
verstoring van soorten wordt voorkomen.  
 
Naast de bovenstaande actualisatie zijn de volgende wijzigingen in deze gebiedsanalyse 
doorgevoerd: 2 habitattypen H2330 en H9120 zijn toegewezen in het wijzigingsbesluit afwezi ge 
waarden (juni 2015) , deze habitattypen  zijn toegevoegd.  
Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV ) was tot 1 januari 2017 
voortouwnemer voor deze gebiedsanalyse.  Per 1 januari 2017 is de provincie Drenthe het eerste 
aanspreekpunt voor de gebiedsanalyse.   
 
De input van beheerders, gebiedskenners en ecohydrologische specialisten was onontbeerlijk bij de 
totstandkoming van dit document en de hierin gedane inschatting en. De volgende personen 
hebben input geleverd:  
 Prof. dr. Ab Grootjans (Professor RUG & bijzonder hoogleraar ecohydrologie KUN)  
 Drs. Uko Vegter (Ecohydroloog waterschap Hunze en Aas , lid deskundigenteam 
Beekdallandschap )  
 Drs. Camiel Aggenbach (Ecohydroloog bij KIWA en lid deskundigenteam Beekdallandschap )  
 Ir. Jan Streefkerk (Hydroloog SBB en lid deskundigenteam Nat Zandlandschap )  
 Ir. Rients  Hofstra (Ecoloog DLG en lid deskundigenteam Beekdallandschap)  </pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
7 
  Wolter  Winter (Beheerde r Drentsche Aa Zuid)  
 Klaas  Brinkman (Beheerder Drentsche Aa Noord)  
 Karel Bos (Beheerder deelgebied in Drentsche Aa zuid)  
 Drs. Hester  Heinemeijer (Drents Landschap)  
 Albert  Kerssies (Natuurmonumenten)  
 Jiery van Roon (MSc.) heeft ondersteuning verleend bi j het samenbrengen, stroomlijnen en 
leesbaar verwoorden van alle input in een eerdere versie. Verantwoordelijk voor het 
gestelde (en eventuele fouten daarin) zijn echter alleen de auteurs:  
 Dr. Erwin Adema (Ecoloog SBB  en lid deskundigenteam Nat Zandlandsch ap) 
 Drs. Arjan Stroo (Ecoloog DLG)  
 
1.2 Bronnenlijst  
Voor het bepal en van de toe te passen herstelmaatregelen is gebruik gemaakt van de 
herstelstrategieën zoals ze te vinden zijn op www.pas.n2000.nl . 
 
1.2.1  Gebruikte  vegetatiegegevens  
 Vegetatiekartering  Drentse  A (1994),  deel 1: van Wolddeelen  tot Anlooërdiep  (Everts  & De 
Vries,  rapportnr.  EV-95/3).  
 Vegetatiekartering  Drentse  A (1995),  deel 2: van Taarlosche  diep tot Westerholt  (Everts  & 
De Vries,  rapportnr.  EV-96/2).  
 Vegetatiekartering  Drentse  A deel 3: van Loonerdiep  tot Amerdiep  en Andersche  diep 
(Everts  & De Vries,  1997.  Rapportnummer:  EV-97/1)  
 Vegetatiekartering  de Heest,  Amerbosch  stuk, bosje  Bloemendaal  en Elzenbroek  (F.H. 
Everst,  M. Jongman  en N.P.J.  de Vries).  Everts  & De Vries,  1997.  Rapportnummer  EV-97/9.  
 Inventarisatie  en Monitoring  van Natuurwaarden  op Defensieterreinen,  Oefenterrein  
Ballooërveld,  IKC-N, 1994 
 Geelbroek -Amerdiep,  2003,  Buro Bakker,  Assen  
 Anderense  Diep,  2003,  Buro Bakker,  Assen  
 Vegetatiekarteringsgegevens  Taarlosche  diep 2003;  491EGG -ev, (sbb projectcode  452) 
 Vegetatiekartering  Drentse  Aa, 2008.  Uitgevoerd  door EGG consult,  everts  & de vries 
ecologisch  advies  en onderzoek  te Groningen  
 Vegetatiekartering  Drentse  Aa 2009,  Adviesbureau  Van der Goes en Groot  
 
1.2.2  Geraadpleegde  literatuur  
 Aggenbach, 2011 in prep. Ecologische analyse Drentsche Aa tbv N2000 beheerplan. 
Concept: versie 2.1, december 2010  
 Arcadis,  2002. Beheers -, Inrichtings - en Ontwikkelingsplan Drentse  Aa. In opdracht van 
Overleg Orgaan Nationaal Beek en Esdorpenlandschap Drentse  Aa. Arcadis, Assen.  
 Arcadis, 2016. Bestuurlijk alternatief PAS -maatregelen Kappersbult, ecologische 
beoordeling.  
 Alterra  & Deltares, 2010. Monitoring stroomgebieden. Een tussen rapport. Meerjarig 
monitoringsprogramma naar de uit - en afspoeling van nutriënten vanuit landbouwgronden 
in stroomgebieden en polders. Rapport, Alterra/ Deltaris/ Communicatie de Lynx.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
8 
  Bakker, J.P., C. Brouwer, L. van den Hof & A. Jansen, 1987. Vegetation  succession, 
management, and hydrology in a brookland (The Netherlands. Acta Bot. Neerl. 36(1):39 -
58. 
 Berg,  A. van der & M. Hornman, 2004. Oefenterrein  Ballooërveld . Monitoring  
Natuurwaarden 2002/2003 . Rapport Dienst  Gebouwen, Werken & Terreinen van het 
Ministerie van Defensie . 
 Dam H. van, G.H.P. Arts, R. Bijkerk, H. Boonstra, J.D.M. Belgers & A. Mertens, 2013. 
Natuurkwaliteit Drentsche vennen opnieuw gemeten: bijna een eeuw ecologische 
veranderingen. Alterra -rapport 2351, Alterra Wageningen  
 Diggelen , R. van, A.P. Grootjans, W. Molenaar, R. Burkunk, J. Hoogendoorn & E. Koole, 
1990. Hydrologisch onderzoek Gorecht. 1 Gebiedsbeschrijving. Laaglandbekenproject nr. 
20, RUG/ Provincie Groningen.  
 Dobben HF van, R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Ov erzicht van kritische 
depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 
2000. Alterra -rapport 2397, Alterra, Wageningen  
 Everts, F.H. & N.J.P. de Vries, 1991. De vegetatieontwikkeling van beekdalsystemen. Een 
landschapseco logische studie van enkele Drentse Beekdalen. Dissertatie R.U.Groningen, 
222 pp en bijlagen.  
 Geer, van F.C., A.H.M. Kremers & M.F.P. Bierkens, 1996. Invloed van de winning Assen op 
de hydrologie van het stroomdal van de Drentse  Aa. Deelonderzoek A: Analyse  van 
waarnemingsreeksen. Rapport NIGT 98 -107-B, TNO, Delft.  
 Glastra, M. & U. Vegeter, 1995. Uitwerking beheers - en inrichtingsmaatregelen 
'Stroomdallandschap de Drentse  A'. Rapport, IWACO/ Staatsbosbeheer, Driebergen.  
 GeoDelft, 2002. Onderzoek naar Hondsru g te Gasselte. Project CO -402260.  
 Grontmij , 1998. Drentse Aa. Herstelplan benedenloop. Eindrapport. Grontmij.  
 Grootjans,  A.P., 1985. Changes  of groundwater regime in wet meadows. Dissertatie  
R.U.Groningen, 146 pp.  
 Grootjans A.P. & R. van Diggelen, 1987. Effects of drainage in Calthion palustris meadows. 
In: R. Schubert & W. Hilbig. Erfassung und Bewerting antropogener 
Vegetationsveränderungen. Teil 2. Wiss. Beiträge Martin -Luther -Üniversität, Halle 
(Saale):26 -43. 
 Haskoning, 1995. Onderzoek naar het dynamisc h gedrag van grondwatersystemen. 
Stroomgebied Drentse Aa. Rapport 1995/4K, Haskoning/ Provincie Drenthe.  
 Hofstra,  R.R., 2010. Scan TOP -verdroging Drentse  Aa, Integraal onderzoek naar een betere 
inrichting. DLG rapport.  
 Hofstra, R.R et al. 2014, (in voorbereiding). Project Beek op peil. Effecten van inbreng van 
bomen en open dammen in het Gasterensche Diep. DLG.  
 Houten, M.J.M. van, W.J. Molenaar & M. Bakker, 2001. Verdrogingsonderzoek Drentse Aa. 
IWACO.  
 Immerzeel, van C. H., 2003. Verdrogingsonderzoek Gasselte. Deelonderzoek hydrologie. 
Eindrappport. Referentie 9M2247/R00003. KVI/Gron, Royal Haskoning, Groningen.  
 Inrichtings - & beheerplan Strubben Kniphorstbosch (2008). Strubben Kniphorstbosch. 
Inrichtings - & beheerplan. S trootman Landschapsarchitecten bv/ NovioConsult Van 
Spaendonck.  
 IWACO, 2001. Verdrogingsonderzoek Drentse Aa. Eindrapportage. Projectnummer 24823, 
IWACO, Groningen.  
 Kiwa & EGG, 2006. Knelpunten - en kansenanalyse Natura 2000 -gebieden. Ministerie van 
LNV, di rectie Natuur, Den Haag.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
9 
  Kortleve,  M.W. & J.M.P.M. Peerboom, 1990. Calibratie van het niet -stationaire regionale 
grondwaterstromingsmodel SIMGRO voor het stroomgebied van de Drentse Aa. Rapport 
SBB/ Staringcentrum, Utrecht/ Wageningen.  
 Kos, G., 2008. Veget atie en hydrologie in de Heest (Drentse Aa): onderzoek langs 
hoogtegradiënten. Studentenrapport Vakgroep Natuurbeheer en Plantenecologie WUR, 
Wageningen.  
 H. Massop  & N. Straathof Wat zagen de ogen  van Von Frijtag D rabbe ….? 
http://www.kaartopmaat.wur.nl/hydro/index.html#Literatuur von Frijtag Drabbe  
 Methodendocument voor begrenzing / afbakening van stikstofgevoelige leefgebieden in het 
Programma Aanpak Stikstof (PAS) . 
 Naarding, W., 1983. Kaart met drainage -intensite it voor het stroomgebied van de Drentse 
Aa. LD Assen/ SBB Assen, hydrologische werkgroep Drentse Aa.  
 Notitie VHR -soorten met N -gevoelig leefgebied, Cees van den Brand (PDN), Dick Bal (PDN), 
Bing Jap (SBB), Piet Schipper (SBB), Hans Weinreich (DLG) en Peter  van der Molen (DLG). 
26-11-2012, aangevuld op 22 -04-2013.  
 Ontwerpbeheerplan Drentsche Aa, 2016, Provincie Drenthe.  
 Peerboom,  J.M.P.M., 1990. Regionaal geohydrologisch modelonderzoek van het 
stroomgebied van de Drentse Aa. Deel III: Scenarioberekeningen met het niet stationaire 
model SIMGRO. Projectgroep Hydrologie SBB/ IWC, Wageningen.  
 Rapport Herstelstrategieën stikstofgevoeli ge habitats: 
http://pas.natura2000.nl/pages/herstelstrategieen -navigatie -2.aspx  
 Royal Haskoning, 2003. Landbouwschadebepaling Annen & Breevenen. Rapport 9M4652, 
RoyalHaskonig.  
 Runhaar,  J. & P.C. Jansen, 2004. Overstroming en vegetatie. Vergelijkend onderzo ek in 5 
beekdallocaties. Rapport 1079. Alterra, Wageningen.  
 Rus, J.S. & A. Meuleman, 2002. Aanvullend onderzoek drinkwaterproductie Gorecht, 
deelconvenant West. Royal Haskoning/ Kiwa Water Research, Groningen.  
 Rus, J.S., A. Meuleman, C. van Immerzeel & M. de Haan, 2002. Onderzoek 
drinkwaterproductie Gorecht, deelconvenant West. Basisdocument. Royal Haskoning/ Kiwa 
Water Research, Groningen.  
 Schipper,  P.C. & J.G. Streefkerk, 1993. Van stroomdal naar droomdal. Integratie van 
hydrologisch en oecologisch onderz oek ten behoeve van het beheer in de Drentse Aa. 
Rapport, Staatsbosbeheer afdeling Terreinbeheer, Driebergen.  
 Stichting Ravon,  2007. Actieplan kamsalamander. Behoud en verbetering van 
leefgebied in ZW -Salland. Rapportnummer 2007 -10. 
 Streefkerk, J., 1985. Hydrologische ingrepen in het stroomgebied van de Drentse A en de 
gevolgen voor het landschapsreservaat 'stroomdallandschap Drentse A'. Rapport SBB, 
Utrecht.  
 Strootman  Landschaparchitecten, 2010. Ballooë rveld,  Inrichtings - & beheerplan.  
 Vegter,  U., 1993. S troomdallandschap 'de Drentse A'. Uitgangspunten voor beheer en 
beleid. Rapport, IWACO/ Staatsbosbeheer, Driebergen.  
 Vegter, U. & M. Bakker, 1999. Uitwerking beheers - en inrichtingsmaatregelen 
'Stroomdalllandschap de Drentse  Aa'. Rapport, IWACO/ Staatsbosbeheer, Driebergen.  
 Waterschap  Drentse Aa, 1993. Natuurtechnische ingrepen in de benedenloop van de 
Drentse  Aa, met oog op de natuur. Rapport, Waterschap Drentse Aa, Rolde.  
 Waterschap  Hunze  en Aa’s, 2006.  Plan van Aanpak  watersysteemplan  Drentse  Aa.  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
10 
 2 Inleiding (doel en probleemstelling)  
 
2.1 Relatie gebiedsanalyse tot beheerplanproces en leeswijzer  
De gebiedsanalyse is een onderdeel van het Programma Aanpak Stikstof van het ministerie van 
LNV. De programmatische aanpak stikstof moet er toe dienen dat de hoeveelheid depositie van 
stikstof omlaag gaat met de tijd, en dat er tegelijkertijd ontwikkelingsruimte beschikbaar is voor 
bedrijven die meer stikstof willen uitstoten.  
 
De gebiedsanalyse is opgesteld om maatregelen in beeld te brengen die de verdere achteruitgang 
van de natuur ten gevolge van hoge stikstofdepositie stop kunnen zetten. Dit is verder uitgewerkt 
in de vorm van een Natura 2000 -beheerplan. Het beheerplan Drentsche Aa -gebied heeft ten tijde 
van het actualiseren van de ze gebiedsanalyse nog de status ‘ontwerp’. De voorliggende versie van 
de gebiedsanalyse is een actualisatie van de van de vorige gebiedsanalyse (versie 15 februari 
2017). Actualisatie van het beheerplan vindt maximaal zes jaar na de vaststelling plaats.  
 
De gebiedsanalyse heeft enkel tot doel om in beeld te brengen wat de huidige status van de natuur 
is en welke extra herstelmaatregelen nodig zijn om de kwaliteit te waarborgen en in de loop van de 
tijd te verbeteren. Om te komen tot een juiste afweging en s trategieën is voor het N2000 gebied 
een systeem - en knelpunten analyse uitgewerkt. Op grond daarvan zijn maatregelenpakketten 
aangegeven.  
 
Om de effecten van toenemende stikstofbelasting tegen te gaan zijn, naast het basisbeheer, extra 
maatregelen (en dus  extra kosten) nodig om de afgesproken doelen te behalen.  
Alle in dit document benoemde maatregelen zijn aanvullende maatregelen op het basisbeheer. 
Indien er wel basisbeheermaatregelen worden genoemd, dan is dit specifiek vermeld.  
 
Alle in dit document benoemde maatregelen zijn aanvullende maatregelen op het basisbeheer. 
Indien er wel basisbeheermaatregelen worden genoemd, dan is dit specifiek vermeld.  
 
2.2 Doelen  
 
De Drentsche Aa is een omvangrijk beekdalsysteem, een zeer uitgestrekt en gevarieerd gebied met 
een lange beheer - en inrichtingshistorie.  
Het Drentsche Aa -gebied is op 4 juli 2013 aangewezen als Natura 2000 -gebied 
(Habitatrichtlijngebied).  
 
 
  </pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>    iD  D  (eid  iD  }  uw  1  ne  a  (D  U  (D  TJ  oO  ra  J    Drentsche Za — PAS-Gebiedsane vs    De kernopgaven voor dit gebied staan in onderstaande tabel:    Tabel 1 Kernopgaven    Versterken van de functionele samenhang van de Natura 2000   gebieden met hun omgeving ten behoeve van duurzame   instandhouding en ter vergroting van de algemene biodiversiteit.  Opgave landschappelijke Onder andere door herstel natuurlijke waterstromen en -standen,  samenhang en interne zowel grondwater als oppervlaktewater van goede kwaliteit, en op  compleetheid (Beekdalen) termijn herstel van overstromingsdynamiek. Binnen de Natura 2000  gebieden herstel van gradiënten en mozaïeken van verschillende  onderdelen met name t.b.v. kalkmoerassen, blauwgraslanden en  vochtige alluviale bossen.  Herstel beeklopen met natuurlijke morfologie, dynamiek en  waterkwaliteit, op landschapsschaal, o.a. t.b.v. gaffelibel H1037,  beekprik H1096, rivierprik H1099, rivierdonderpad H1163 met  name: Drentsche Aa, Swalm, Dinkel en Roer.    Kalkmoerassen en Herstel kwaliteit en uitbreiding areaal van kalkmoerassen H7230 en  trilvenen overgangs- en trilvenen (trilvenen) H7140_A, in mozaiek met   hraal land  sae Ontwikkelen van kleinschalige mozaieken van heischrale graslanden    Herstel Beeklopen  *H6230 en blauwgraslanden H6410 met andere beekdalgraslanden  Beekdalflanken en met vochtige heiden (hogere zandgronden) H4010_A op de    beekdalflank t.b.v. herpetofauna en insecten.    Herstel kwaliteit en vergroting areaal vochtige alluviale bossen  Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) *H91E0_B en (beekbegeleidende bossen)  *H91E0_C en behoud leefgebied zeggekorfslak H1016.  Kwaliteitsverbetering en vergroting oppervlakte vochtige heiden  Natte heiden H4010 en pioniervegetaties met snavelbiezen H7150 en actieve  hoogvenen (heideveentjes) *H7110 B.    Vergroting areaal stuifzandheiden met struikhei H2310,  binnenlandse kraaiheibegroeiingen H2320, droge heiden H4030 en  zandverstuivingen H2330 en verbeteren van de kwaliteit door  vergroting van de variatie in structuur en ontwikkeling van  geleidelijke overgangen met bos, mede t.b.v. vogelsoorten als  duinpieper A255, korhoen A107, nachtzwaluw A224, draaihals A233  en tapuit A277.    - Behoud areaal oude eikenbossen (H9190, m.n. strubbenbossen) en  613 | Oude eikenbossen verbeteren kwaliteit, ook als habitat voor vliegend hert H1083.    De instandhoudingsdoelstellingen staan hieronder.    Structuurrijke droge  heiden         Tabel 2 Instandhoudingsdoelstellingen    Landelijk Opp.vl. wal Pop,  ee ee eT  struikhei  kraaiheibegroeiingen    H2330 Zandverstuivingen | == | 608 | |  H3160__ | Zurevennen | __—} =|    H3260A Beken en rivieren met > >  waterplanten  waterranonkels    ‚06, ©  H4030 Droge Reiden 6.08  H5130 Jeneverbesstruwelen Pell    | |  |  graslanden  H6410 Blauwgraslanden er 5.06,ew| |  moerasspirea  | |    (hogere   zandg ronden  | 6.08 |  PCT    heideveentjes    H7140A___ | Overgangs-en | | > | > | 5.03, W         ll</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>    Landelijk k nn D.vl. Kal Foe   |__| trilvenen (trilvenen) __|   el et  snavelbiezen  met hulst   H9160A Eiken- | |   haagbeukenbossen  (hogere  zandgronden    H9190 Oude eikenbossen  H91D0 Ee    H91E0C *Vochtige alluviale 5.07, W  bossen  (beekbegeleidende  bossen  |___Habitatsoorten |         W = kernopgave met wateropgave, © =Sense of urgency: beheeropgave, SVI landelijk = Landelijke  Staat van Instandhouding (-- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig)    = is behoudsdoelstelling, > = is verbeter- of uitbreidingsdoelstelling    Dit document beschrijft de herstelmaatregelen die in het kader van de PAS voor de  stikstofgevoelige habitattypen en habitats van soorten genomen worden en geeft ook de  ecologische onderbouwing daarvan. Voor die typen waarvoor overschrijding van de KDW op basis  van het AERIUS-model monitor 16L niet aan de orde is, worden eventueel benodigde  herstelmaatregelen uitgewerkt in het beheerplan.    De habitattypen H3260A (Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels)) en H6430A  (Ruigten en zomen (moerasspirea)) worden als niet stikstofgevoelig beschouwd (Dobben et al,  2012, KDW > 2400 mol per hectare per jaar) en zijn daarom niet verder uitgewerkt.    Voor de aangewezen soorten (tabel hierboven) is de leefgebiedenbenadering gevolgd. In dit gebied  komen geen soorten voor die afhankelijk zijn van stikstofgevoelige habitattypen binnen het gebied.    De soorten H1090 (Rivierprik), H1145 (Grote modderkruiper), H1149 (Kleine modderkruiper) en  H1163 (Rivierdonderpad) hebben geen stikstofgevoelig leefgebied (hoofdstuk 5).    De soort H1166 (Kamsalamander) maakt in het Natura 2000-gebied geen gebruik van een  stikstofgevoelig leefgebied. Significante negatieve effecten op het leefgebied van deze soort door  stikstofdepositie zijn dan ook uitgesloten. Een nadere uitwerking van deze ecologische analyse is te  vinden in hoofdstuk 5.    2.3 Deelgebieden    De Natura 2000-gebied Drentsche Aa beslaat ongeveer 3.900 hectare, verdeeld over een groot  aantal subsystemen. Het gebied is onderverdeeld in 11 (deels weer onderverdeelde) deelgebieden,  teneinde op het juiste schaalniveau de problemen te analyseren om op eventuele maatregelen te  kunnen inzoomen. Deze indeling is voornamelijk gebaseerd op hydrologische eigenschappen van  het systeem (bron, boven-, midden-, benedenloop, infiltratiegebied). Deze indeling in deelgebieden  is weergegeven in figuur 1.    12</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
13 
 Deelgebieden:  
1: De benedenloop van De Punt tot Westlaren  
2: De overgang beneden -middenloop bij Westlaren  
3: De middenloop Schip borgsche diep  
4: De westelijke middenloop  
5: De oostelijke middenloop  
6: Het Ballooërveld  
7: De overgang middenloop -bovenloop  
 7a: Loonerdiep -Deuzerdiep  
 7b: Zeegserloopje  
8: De bovenlopen  
 8a: Lage delen Amerdiep  
 8b: Ekehaar -Amerdiep  
 8c: Geelbroek  
 9: het Anderensediep  
10: de Bovenlopen en oorspronggebieden  
 10a: Anloërdiepje  
 10b: Gasterse Holt  
 10c: Scheebroek, Eexterveld  
11: De infiltratiegebieden  
 11a: Vijftigbunder  
 11b: Natuurbad -Schipborg  
 11c: Vredeveld -Bremheuvel  
 11d: De Strubben  
 11e: Dijkvel d 
 11f: Kampsheide  
 11g: Gasterse duinen  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
14 
  
Figuur 1 Overzicht deelgebieden Drentsche Aa.  
 
Oppervlakten deelgebieden  
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de oppervlaktes van de verschillende habitattypen en 
het oppervlak van leefgebieden1 per deelgebied. Deze gegevens zijn gebruikt als basis voor de 
verdere analyse.  
 
                                                
1. De als ‘leefgebied’ van bepaalde soorten benoemde leefgebieden kunnen deels overlappen met 
de als ‘habitattype’ benoemde gebieden  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
15 
 Tabel 3 Oppervlaktes van de verschillende (kwalificerende) habitattypen en het oppervlak van 
leefgebieden in het Natura 2000 -gebied Drentsche Aa  
Habitattype/ 
leefgebied  Deelgebied   
dg_1  dg_2  dg_3  dg_4  dg_5  dg_6  dg_7  dg_8  dg_9  dg_10  dg_11  totaal 
H2310    0,28       0,18         18,38  18,84 
H2320            0,23           0,23 
H2330            3,02           3,02 
H3160            0,78 0,04     0,02 0,56 1,40 
H3260A  0,12 0,36 0,02 0,01 0,13   0,12 0,03 0,45 0,32   1,56 
H4010A    0,08 0,01     48,16  0,07 0,04 0,51 2,91 5,39 57,17 
H4030    0,07     3,02 89,58      0,23 7,03 8,08 108,00  
H5130                      1,31 1,31 
H6230vka    0,32 0,21 0,04           6,54 1,08 8,20 
H6410      0,08   0,03   0,36   0,04 2,09   2,59 
H6430A  0,09 0,48 0,16 1,61 0,67   0,50 1,49   0,29   5,29 
H7110B          0,03 0,63         0,10 0,76 
H7140A  1,36 1,40 6,10 4,01 9,72 2,02 3,61 0,02 0,04 1,77   30,05 
H7150            0,53     0,25 0,66   1,43 
H9120    0,18   0,66     1,47 4,90     33,54  40,74 
H9160A          1,19     1,97   0,23   3,39 
H9190              0,26       21,36  21,62 
H91D0    0,86 0,00 0,08 1,38     0,30 0,24 0,72 1,51 5,09 
H91E0C  1,44 2,75 2,15 3,01 0,43 0,55 1,93 9,36 0,55 0,26   22,43 
ZGH2310            9,31         17,49  26,80 
ZGH2330            0,69           0,69 
ZGH3160                      3,22 3,22 
ZGH3260A*)  0,04 0,16 0,63 0,50 0,71   0,53 0,56   0,34 0,01 3,49 
ZGH4010A                      3,29 3,29 
ZGH4030            0,03   50,53      42,41  92,97 
 
2.4 Leeswijzer  
Hoofdstuk 3 beschrijft de stikstofdepositie in de referentiesituatie (2014) en in de jaren 2015, 2020 
en 2030.  Op basis van de kritische depositiewaarde (KDW) wordt vervol gens beschreven voor 
welke habi tattypen, waar en in welke mate de depositie te hoog is voor een goede ontwikkeling. 
Het hoofdstuk beschrijft ook wat de ontwikkelingsruimte is.  
 
Hoofdstuk 4 is de landschapsecologische gebiedsanalyse. Het bevat een algemene beschrijving  
(§ 4.1) en een beschrijving van de verschillende deelgebieden (§ 4.2).  
 
Hoofdstuk 5 geeft de gebiedsanalyse per habitattype, uitgesplitst naar deelgebieden. Het geeft een 
kwaliteitsanalyse, een systeemanalyse, de knelpunten en de leemte in kennis.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
16 
  
Op basis van hoofdstuk 5 zijn in hoofdstuk 6 de maatregelen opgesteld om de doelen te bereiken.  
 
Hoofdstuk 7 geeft weer wat de neveneffecten zijn  van voorgestelde maatregelen op andere 
habitats en natuurwaarden.  
 
Hoofdstuk 8 geeft de synthese van het maatregelenpakket.  
 
Hoofdstuk 9 geeft een beoordeling wat de kans is maatregelen daadwerkelijk uit te voeren en geeft 
de effectiviteit van de maatrege len, de duurzaamheid daarvan, kansrijkdom in het gebied en de 
leemten in kennis.Hoofdstuk 9 geeft de categorisering en onderbouwing daarvan. Het geeft weer of 
de doelen met de maatregelen gehaald kunnen worden.  
 
Hoofsdtuk 10 geeft de monitoring en Hoofdstu k 11 de eindconclusie.  
 
Er zijn 2 kaartbijlagen los bijgevoegd. Bijlage 2 toont de habitattypenkaart en bijlage 3 de kaart 
met de maatregelen.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
17 
 3 Resultaten AERIUS  monitor 1 6L 
 
3.1 Depositie ten opzichte van de KDW per tijdvak  
 
Figuur 3.1:  Depositieafname vol gens AERIUS  monitor 1 6L 
 
 
 
 
Figuur 3.2:  Samenvattend overzicht van de stikstofbelasting  in de referentiesituatie (2014) . 
Aangegeven wordt de overschrijding in klassen van geen tot sterke overbelasting ( AERIUS  monitor 
16L). De hexagonen hebben een oppervlakte van 16 ha.  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
18 
  
Figuur 3.3:  Samenvattend overzicht van de stikstofbelasting in 2020. Aangegeven wordt de 
overschrijding in klassen van geen tot sterke overbelasting ( AERIUS  monitor 1 6L). De hexagonen 
hebben een oppervlakte van 16 ha .  
 
 
Figuur 
3.4:  Samenvattend overzicht van de stikstofbelasting in 2030. Aangegeven wordt de 
overschrijding in klassen van geen tot sterke overbelasting ( AERIUS  monitor 16L). De hexagonen 
hebben een oppervlakte van 16 ha.  
 
 
Figuur 3.5 en 3.6 geven de ruimteli jke spreiding van de depositiedaling op de twee berekende 
momenten (2020 en 2030) ten opzichte van  het referentiejaar 2014 . 
 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
19 
  
Figuur 3.5:  Ruimtelijke spreiding van de daling van de berekende stikstofbelasting in 2020.  
 
 
 
Figuur 3.6:  Ruimtelijke spreiding van de daling van de berekende stikstofbelasting in 20 30.  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
20 
  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
21 
  
 
 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
22 
  
Figuur 3.7:Grafiek van de mate van overschrijding van de kritische stikstofdepositiewaarden voor 
de habitattypen in 2014,  2015, 2020 en 2030 ( AERIUS  monito r 16L) 
Uit de grafiek van figuur 3. 7 zijn die habitattypen geselecteerd met een overbelasting in  2014. 
Voor deze habitattypen is een nadere analyse nodig om na te gaan in hoeverre extra maatregelen 
uit de herstelstrategieën nodig zijn om aan de instandhoudingsdo elstelling te kunnen 
beantwoorden. In ieder geval moet achteruitgang in oppervlakte en kwaliteit worden voorkomen.  
 
Het gaat daarbij om de volgende habitattypen:  
H2310  Stuifzandheiden met struikhei  
H2320  Binnenlandse kraaiheibegroeiingen  
H2330  Zandverstuivingen  
H3160  Zure vennen  
H4010A  Vochtige heiden (hogere zandgronden)  
H4030  Droge heiden  
H5130  Jeneverbesstruwelen  
H6230  Heischrale graslanden  
H6410  Blauwgraslanden  
H7110B  Actieve hoogvenen  (heideveentjes)  
H7140A  Overgangs - en trilveen (trilvenen)  
H7150  Pioniervegetaties met snavelbiezen  
H9120  Beuken -eikenbossen met hulst  
H9160A  Eiken -haagbeukenbossen (hogere zandgronden)  
H9190  Oude eikenbossen  
H91D0  Hoogveenbossen  
 
 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
23 
 3.1.1  Ontwikkelingsruimte per tijdvak  
Een van de belangrijkste doelen van de PAS is het bepalen van de ontwikkelingsruimte. Het 
rekenmodel AERIUS  maakt per gebied en per gebiedsdeel inzichtelijk of er ontwikkelingsruimte 
beschikbaar is voor economische ontwikkelingen in de omgeving van het Nat ura 2000 -gebied, mits 
wordt voldaan aan de voorwaarden van de PAS (zie PAS programma) . AERIUS  monitor 16L 
berekent een depositieruimte van gemiddeld 6 1 mol/ha voor 2020.  
 
Ruimtelijk beeld van de depositieruimte.  
 
 
Figuur 3.8 Ruimtelijk beeld va n de depositieruimte tot 2020 (M onitor 16L) 
 
Verdeling depositieruimte naar segment  
De depositieruimte is de ruimte die beschikbaar is voor economische ontwikkelingen. Hierbij wordt 
een onderscheid gemaakt tussen projecten en handelingen die niet toestemmingspl ichtig zijn en 
projecten  waarvoor wel een vergunning vereist is. De eerste categorie bestaat uit enerzijds 
autonome  ontwikkelingen en uit anderzijds niet -prioritaire ontwikkelingen met alleen een 
meldingsplicht (bijdrage  onder de grenswaarde). Vergunningsp lichtige projecten vallen uiteen in 
prioritaire projecten (segment 1)  en overige projecten (segment 2). Verdere uitleg over de 
verdeling van de depositieruimte is te vinden in  het PAS -programma. De volgende  diagram geeft 
aan hoeveel depositieruimte er binn en het gebied  gemiddeld beschikbaar is en hoe deze verdeeld is 
over de vier segmenten. Er kan sprake zijn van  afrondingsverschillen.   
 
In dit gebied is er over de periode van nu (huidig) tot 2020 gemiddeld circa 6 1 mol/j 
depositieruimte. Hiervan is 5 2 mol/j beschikbaar als ontwikkelingsruimte voor segment 1 en 2. Van 
de ontwikkelingsruimte wordt 60% beschikbaar gesteld in de eerste helft van het tijdvak en 40% in 
de tweede helft.  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
24 
 Figuur 3. 9 Verdeling van de vrije ontwikkelingsruimte  
 
3.1.2  Ontwikkelingsruim te per habitattype  
In onderstaande diagram wordt aangegeven hoeveel depositieruimte er gemiddeld per 
stikstofgevoelig habitattype beschikbaar is en wat het percentage hiervan is op de totale depositie.  
  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
25 
  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
26 
  
Figuur 3. 10 Vrijgave van de beschikbare depositieruimte per PAS periode ( AERIUS  monitor 16L).  
 
3.1.3  Tussenconclusie depositie  
Uit de berekening met AERIUS  monitor 16L blijkt dat in 2020 , ten opzichte van het referentiejaar  
2014, er overal sprake is van een afname van de stikstofdepositie. In 2020 worden de kritische 
depositiewaarden (KDW’s) in het gehele areaal van de volgende habitattypen of een deel daarvan 
overschreden:  
 
1. H2310  Stuifzandheiden met struikhei  
2. H2320  Binnenlandse kraaiheibegroeiingen  
3. H2330  Zandverstuivingen  
4. H3160  Zure vennen  
5. H4010A  Vochtige heiden (hogere zandgronden)  
6. H4030  Droge heiden  
7. H5130  Jeneverbesstruwelen  
8. H6230  Heischrale graslanden  
9. H6410  Blauwgraslanden  
10. H7110B  Actieve hoogvenen  (heideveentjes)  
11. H7140A  Overgangs - en trilveen (t rilvenen)  
12. H9120  Beuken -eikenbossen met hulst  
13. H9160A  Eiken -haagbeukenbossen (hogere zandgronden)  
14. H9190  Oude eikenbossen  
 
Uit de berekening met AERIUS  monitor 16L blijkt dat in 2030 ten opzichte van 2014, er overal 
sprake is van een afname van de stikstofdepositie. In 2030  worden de KDW’s in het gehele areaal 
van de volgende habitattypen of een deel daarvan overschreden:  
 
1. H2310  Stuifzandheiden met struikhei  
2. H2320  Binnenlandse kraaiheibegroeiingen  
3. H2330  Zandverstuivingen  
4. H3160  Zure vennen  
5. H4010A  Vochtige heiden (hogere zandgronden)  
6. H4030  Droge heiden  
7. H5130  Jeneverbesstruwelen  
8. H6230  Heischrale graslanden  
9. H6410  Blauwgraslanden  
10. H7110B  Actieve hoogvenen  (heideveentjes)  
11. H7140A  Overgangs - en trilveen ( trilvenen)  
12. H9120  Beuken -eikenbossen met hulst  
13. H9160A  Eiken -haagbeukenbossen (hogere zandgronden)  
14. H9190  Oude eikenbossen  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
27 
 4 Beknopte Landschapsecologische analyse  
 
4.1.1  Geomorfologie  
De basis van het gebied is gevormd door de ijstijden. In het Saalien werd het noorden van ons land 
in verschillende perioden door landijs bedekt. Dit landijs bracht stenen, leem en zand vanuit 
Scandinavië naar Nederland, duwde stuwwallen op en vormde gletscher - en smeltwaterdalen. Het 
landijs ‘stroomde’ in verschillende richtingen. Er worden twee belangrijke stroomrichtingen 
onderscheiden, waarbij het landijs een ander herkomstgebied in Scandinavië had. Onder deze twee 
richtingen liggen nog minstens drie ander richtingen die ook nog in het landschap zijn te 
onderscheiden.  
 
Tijdens de oudere fase van de twee hoofdstroomrichtingen werden lage keileemruggen gevormd 
met een noordoost -zuidwest gerichte strekking. De jongere vergletsjeringsfase vormde lange, van 
noord -noordwest naar zuid -zuidoost georiënteerde zandruggen. In later e warme perioden en in de 
laatste ijstijd, het Weichselien, zijn deze structuren opgevuld met zand en leem dat door erosie 
terecht kwam in de laagste delen. De sterkste opvulling van de smeltwaterdalen vond plaats in het 
Laat-Weichselien door de werking va n het smeltwater en de wind. De afzettingen in de dalen van 
de Drentsche Aa weerspiegelen de geologische geschiedenis veelal zeer goed. De afzettingen 
bestaan zowel uit zandige sedimenten met keitjes als ook uit zeer fijnzandige lössachtige 
leemlagen (beek lemen).  
 
In extreem koude en droge perioden had de wind de grootste invloed. Het landschap zag er dan uit 
als een poolwoestijn. In deze omstandigheden zijn grote hoeveelheden zand verplaatst, de 
dekzanden. Daar waar veel zand weggeblazen werd, bleven de k eien uit de keileem achter en 
ontstonden keivelden. In het Holoceen zijn deze dekzanden opnieuw gaan stuiven waarbij de 
stuifzanden zijn ontstaan. Soms was dit het gevolg van menselijk handelen.  
 
De vorming van veen in het holoceen had als effect dat het oorspronkelijke reliëf verder afgevlakt 
werd. In eerste instantie werd er laagveen gevormd. In de beekdalen is dit, onder invloed van 
toestromend grondwater, doorgegaan tot aan de ingebruikname van de beekdalen door de mens in 
de Middeleeuwen. Op ander pla atsen ging, vanaf zo’n 6500 jaar geleden, het laagveen over in 
hoogveen. De aardkundige processen die dit gebied hebben gevormd zijn nu niet meer actief en 
kunnen, met uitzondering van de verstuiving van het zand, ook niet meer geactiveerd worden. De 
veenv orming is afgebroken door ontginning en ontwatering, maar kan plaatselijk weer op gang 
gebracht worden.  
 
De resulterende geomorfologische structuren in het landschap van de Drentsche Aa zijn: de 
overgang naar het Hunzedal.  
 langgerekte zandruggen op het pla teau 
 het bekken van Assen  
 keileemplateaus  
 smeltwaterdalen: grote dalen bestaande uit de huidige en verlaten beekdalen en kleine 
dalen in de vorm van stroeten die op de plateaus en zandruggen ontspringen  
 stuifduinen  
 hoogvenen  
 
In het huidige landschap bestaat tussen het Drents plateau en het Hunzedal, dat ten noordoosten 
van de Drentsche Aa ligt, een plotselinge overgang met hoogteverschillen van 4 tot 20 m. De 
Hunze voerde eertijds water af van de voormalige hoogvenen van het u itgestrekte Boertangerveen. 
Dit veen wigde toentertijd in westelijke richting uit tegen de oostzijde van de Hondsrug. De 
overgang valt nu op omdat veel veen in het Hunzedal verdwenen is door afgraving of veraarding. 
De Hunzedal is het grootste beekdal in N oord Nederland en ligt veel lager dan de nabijgelegen 
Drentsche Aa. De ontginning van het Hunzedal heeft het maaiveld en daarmee de drainagebasis 
hier sterk verlaagd. De Hondsrug bestaat ter hoogte van de Drentsche Aa uit twee parallel lopende 
zandruggen d ie van het noord -noordwesten naar het zuid -zuidoosten lopen. Op de oostelijke, 
hoogste rug van de Hondsrug liggen de grote dorpen zoals Haren, Zuidlaren, Gieten en Borger. 
Hier komt veel keileem voor. Bij Noordlaren ligt bij Besloten venen een oud beekdal op deze rug. 
Op de nabij gelegen westelijke, lagere rug van de Hondsrug liggen kleinere plaatsen als Anderen, 
Gasteren en Tynaarloo. Een stuk westelijker loopt evenwijdig aan de Hondsrug de rug van Peize – </pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
28 
 Vries – Loon – Rolde – Grolloo – Schoonloo.  
 
De af voerende beekdalen van de Drentsche Aa (vermoedelijk in den beginne nauwelijks afwaterend 
via beken maar vooral via een wirwar van moerassen en kleine stroompjes) hebben meerdere 
doorbraken geforceerd in de zandruggen. De belangrijkste doorbraak van de rug  Gasteren -
Tynaarlo ligt bij Oudemolen en de belangrijkste doorbraak van de Rolderrug bij Loon. Samen met 
de kleinere doorbraken hebben dezen geleid tot het ontstaan van een zeer sterk vertakt 
beekdalsysteem ten zuiden van Oudemolen. Vanaf Oudemolen in zuid elijke richting, bovenstrooms 
dus, is de beek gesplitst in twee hoofdtakken. De oostelijke tak voert het water van het gebied 
tussen de Hondsrug en de Rolder rug af via het Anderensche, Rolderdiep en Gasterense diep. Het 
noordoostelijke deel van de boswach terij Schoonloo en het meest westelijke deel van de 
boswachterij Gieten -Borger wateren eveneens af via de oostelijke tak. Het grootste deel van 
laatstgenoemde boswachterij en van de Hondsrug zelf worden echter gedraineerd door het veel 
lager gelegen Hunzed al. Door het Scheebroekerloopje wordt een deel van het water van het 
Eexterveld, gelegen tussen beide parallelle ruggen van de Hondsrug, via een doorbraak van de 
meest westelijke van beiden bij Anderen, afgevoerd op het Gasterense diep, aldaar de hoofdstro om 
vormend van de oostelijke tak. De westelijke tak van de Drentsche Aa verzorgt de afvoer van het 
gebied ten westen van de Rolder rug tot aan het stroomgebied van Peizer - en Eelderdiep. 
Bovenstrooms gaat het daarbij vooral om het laaggelegen gebied ten zu iden van Assen dat 
gekarakteriseerd kan worden als een geologisch dalingsgebied. Het heet daarom het bekken van 
Assen. Onder dit bekken komt in grote delen potklei voor. Rond het bekken liggen keileemrijke 
plateaus die nauwelijks afgedekt zijn met dekzand.  Het reliëf van het maaiveld wordt voornamelijk 
bepaald door de keileemschollen. Deze keileemplateaus liggen ten zuiden van de lijn Rolde – Assen 
en lopen door naar het zuiden. Ook de grote boswachterijen in het Hart van Drenthe en de ten 
westen daarvan ge legen voormalige stuifzanden van het Noord - en Zuidhijkerzand liggen op deze 
bodems. Ten noorden en westen daarvan, in het zuidwestelijk deel van het Drentsche Aa 
stroomgebied, was het gebied zo nat dat op grotere schaal hoogveen kon ontstaan. Deze venen 
zijn de randvenen van het veel grotere Smildigerveen geweest. De aan het bekken van Assen, de 
oostzijde van het Smildigerveen en de boswachterijen gelieerde brongebieden en bovenlopen, van 
oost naar west Anreeperdiep, Geelbroek, Holmers/Halkenbroek en Deurz erdiep, voeren af op het 
middenlooptraject Loonerdiep, meer stroomafwaarts Taarlosche diep geheten. Bij Loon is overigens 
in september 1965 een kortsluiting gegraven richting Noord -Willemskanaal. Bij piekafvoeren wordt 
een aanzienlijk deel van het water va nuit het bovenstroomse deel van de westelijke tak direct via 
dit verdeelwerk afgevoerd.  
 
De oostelijke en westelijke tak voegen zich benedenstrooms juist ten zuiden van Oudemolen 
samen. Na deze samenvloeiing doorbreekt het dan enkelvoudige beeksysteem ter hoogte van 
Oudemolen de Gasteren -Tynaarlo rug. Daarna vervolgt de beek, achtereenvolgens als 
Oudemolense diep, Schipborgse diep en Westerdiep zijn weg als middenloopsysteem tot aan het 
Noordlaarder bos. Onderweg, ongeveer een kilometer ten noorden van Oude molen, is het 
Anloërdiepje nog aangetakt die een deel van het Eexterveld afwatert. Enkele kilometers 
noordelijker, tussen Tynaarlo en Westlaren, voegt zich vanaf de westzijde het Zeegserloopje bij de 
hoofdtak. Ten slotte stroomt de benedenloop, eindelijk D rentsche Aa geheten, rechtstreeks, en 
voor een klein deel via bemaling na doorstroming van de Polders Lappenvoort en het Oosterland, af 
op het Noord -Willemskanaal. Een belangrijk deel van het water van het noordelijk deel van het 
Drents keileemplateau, dat  oorspronkelijk via het Reitdiep naar de Lauwerszee afstroomde, 
verdwijnt zo rechtstreeks in de Groningse en Drentse kanalen.  
 
Geconcludeerd kan nu worden dat de na het Saalien ontstane brede erosiedalen de grondslag 
vormen voor het huidige Drentsche Aa la ndschap. Gedeelten van de beekdalen zijn later verlegd 
door verstoppingen in de afvoer, veroorzaakt door inwaaiende stuifduinen of vorming van 
hoogveen. Vermeldenswaard is nog dat bij Gasteren de beek door zouttektoniek in westelijke 
richting is verlegd. B oven een zoutdome stijgt het maaiveld. Het Voorste en Achterste veen zijn 
restanten van de voormalige beekloop. Voordat de loop van het huidige Gasterense diep zich 
insneed, heeft deze beek een wat verwilderde delta gekend bij de aansluiting op het Taarlos che 
diep. In de Heest, waar de oostelijke en westelijke tak van de Drentsche Aa samenkomen, zijn de 
restanten van de vroegere beekarmen nog te herkennen.  
 
Tenslotte is nog te melden dat de grootste stuifduincomplexen van het gebied bij Zeegse, 
Schipborg en  Gasteren liggen. Daarnaast komen nog een aantal kleinere gebieden met 
stuifzandafzettingen voor. Slenken, vennetjes of natte laagten zijn hier en daar volledig 
ondergestoven. Zo is het verlaten daltraject van de oostelijke tak ter plekke van de Gasterense  
duinen door stuifzanden afgesnoerd en bestaat dit nu uit een aantal laagten. Verder zijn op de 
zandruggen en plateaus lokale laagten aanwezig. In het verleden waren zijn hier kleine </pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
29 
 hoogveentjes ontstaan. Ook in verlaten afgesnoerde beekdalen konden plaat selijk onder invloed 
van regenwater en basenarm grondwater zure veentjes ontstaan.  
 
4.1.2  Hydrologie en bodem  
De Drentsche Aa is een aardkundig waardevol gebied en als zodanig benoemd en beschreven als 
GEA-object. Een nadere inventarisatie zal op korte termijn p laatsvinden. Grote delen van het 
gebied zijn gespaard bij de ruilverkavelingen van na de tweede wereldoorlog. Ook de beken zijn 
relatief weinig vergraven.  
 
De belangrijkste sturende processen in de ontwikkelingsgeschiedenis van het Drentsche Aa gebied 
hebben niet alleen geleid tot de in de vorige paragraaf beschreven morfologische en hydrografische 
structuren aan het aardoppervlak maar ook tot een hele bijzondere opbouw van de diepere 
ondergrond en bijbehorende hydrologische en bodemvormende processen. Weliswaar bepalen deze 
processen tegenwoordig in veel mindere mate dan vroeger de menselijke gebruiksfuncties, maar ze 
zijn wel nog steeds primair verantwoordelijk voor de verschillen in ontwikkeling van kenmerkende 
levensgemeenschappen. Hieronder zullen k ort een aantal voor het Drentsche Aa gebied 
karakteristieke patronen in geohydrologische opbouw met bijbehorende hydrologische processen 
aangegeven worden:  
 Water infiltreert in de hoger gelegen zandige gebieden en welt weer op in de lager gelegen 
venige be ekdalen. Uiteindelijk komt een deel van dit water terecht op de zeer oude 
ondoorlatende mariene afzettingen die de basis voor het grondwatersysteem zijn. De 
neerwaartse stroming kan onderbroken worden door slecht doorlatende lagen zoals 
keileem of potklei.  Ook humus - of ijzerlaagjes in de zandbodem kunnen voor stagnatie van 
water zorgen.  
 Keileem is een zeer variabele afzetting. Een deel van het water komt hier uiteindelijk wel 
doorheen. In de smeltwaterdalen is keileem door erosie verdwenen, het komt allee n op de 
zandplateaus voor. Potklei is meestal slecht doordringbaar. Waar deze afzetting aanwezig is 
blijft het water veelal daarboven “hangen”. Onder de potklei kunnen echter wel weer 
zandige afzettingen voorkomen waar grondwater doorheen stroomt. Potklei komt voor in 
een groot gebied rond Assen en onder de Hondsrug ten noorden van Eext tot aan de lijn 
Gasteren –Anloo.  
 In de ondergrond van een zandplateau kunnen dus twee slechtdoorlatende lagen 
voorkomen. In dat geval zijn er drie watervoerende zandlagen aa nwezig die vaak een 
verschillende waterkwaliteit hebben. Het diepste grondwater is zuurstofloos en bevat ijzer, 
calcium en bicarbonaat waardoor het water zwak zuur of basisch is; het bovenste 
grondwater is ijzerloos, zuurstofrijk, arm aan bufferstoffen en daardoor zuur of matig zuur. 
De samenstelling van het water in de bovenste bodemlaag weerspiegelt meestal een 
menging van deze vormen van grondwater met regenwater of met beekwater.  
 
Kijken we nu naar landschapsoecologische consequenties van bovengenoemde processen dan zien 
we in grote lijnen de volgend patronen van hoog naar laag in het landschap:  
 
Bovenop de met dekzand overdekte keileemplateaus komen als half -natuurlijke tot natuurlijke 
begroeiingen droge tot vochtige heiden en lokaal stuifzand en, in ze er natte delen waar regenwater 
stagneert, hoogveen voor. Vennen vindt men vaak op de overgangen van keileemplateaus naar 
beekdalen. Een deel van deze vennen is gevormd in het Weichselien toen, door vorstwerking, 
pingo’s ontstonden. Deze laagten zijn in het  Holoceen geheel of ten dele met veen dichtgegroeid. 
Grote concentraties vennen liggen op het Gieterveld, Borgerveld en de strengen; de boswachterijen 
Grolloo en Schoonloo, het Rolderveld en het Hijkerveld.  
 
Ten zuiden van het Natura 2000 gebied liggen vee l brongebieden en bovenlopen van de Drentsche 
Aa in de grote boswachterijen van het Hart van Drenthe,. Ook de Beilerstroom wordt evenwel van 
hieruit gevoed, nl. via de Elperstroom en verschillende bovenlopen bij Zwiggelte. Dit water stroomt 
uiteindelijk vi a het Meppelerdiep en het Zwarte water naar het IJsselmeer. Daarnaast wateren nog 
delen af naar het Drostendiep, dat bij Coevorden in de Overijsselse vecht stroomt, en de Hunze 
(via het Voorste diep). Rond Schoonloo ligt een groot netwerk van ondiepe slenk en, bronnen, 
oorsprongsystemen en kleine bovenlopen. Hier komen waterscheidingen van meerdere 
stroomgebieden bij elkaar. Ook het grondwater stroomt hier zeer verschillende kanten op. Bij 
aanleg van de boswachterijen zijn drainagesystemen van sloten en grep pels aangelegd en is de 
grond doorgespit om de waterhuishouding te verbeteren. Hierdoor, maar ook door de ontwatering 
van tussenliggende landbouwgronden, is de voeding van aangrenzende bekenstelsels vanuit het </pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
30 
 Hart van Drenthe sterk afgenomen. Inmiddels is  de versnelde afwatering van de slenken en 
stroeten in een aantal boswachterijen overigens weer ongedaan gemaakt.  
 
Brongebieden elders in het Drentsche Aa gebied zijn vooral te vinden in gebieden waar het 
grondwater uit de diepere watervoerende zandlagen o pwelt, meestal precies daar waar het zand 
verdwijnt onder het veen van het beekdal. Er zijn ook wat grotere brongebieden op de 
zandgronden, daar waar boven een gat in de keileem of potklei een laagte voorkomt, zoals 
Scheebroek, Galgriet, het Wilde veen en Eischenbroek, of daar waar grondwater stroomt door een 
zandlaag boven een dikke leemlaag, zoals bij Smalbroek en Gasterense Holt. Op de zandrug bij 
Rolde liggen, aan weerzijden van Rolde, meerdere grotere bron - en oorspronggebieden. De meeste 
brongebieden op de zandgronden zijn in gebruik als landbouwgebied en hebben een netwerk van 
sloten waardoor de waterstand op een laag peil gehouden wordt en het water direct naar de 
bovenlopen afgevoerd wordt. Het enige natte zandgebied dat op nog wat grotere schaal en  met 
aanzienlijke intensiteit gevoed wordt door grondwater uit diepere lagen is het al eerder genoemde 
gebied waar de westelijke en oostelijke tak van het Drentsche Aa systeem samenkomen: de Heest.  
 
Vanuit de hoger gelegen zandgronden lopen tal van slenken , stroeten en beekjes naar 
aangrenzende laagten en beekdalen. Daar waar slechtdoorlatende lagen in de ondergrond 
voorkomen, stroomt veel water over en door dergelijke laagten en vervolgens richting beek. 
Dergelijke processen spelen zich vooral af in de bov enloop trajecten van de westelijke tak in de 
kom van Assen. Het gaat dan om de stroomgebieden van het Amer - en Anreeperdiep die in hun 
geheel op keileemplateaus liggen en om de laagten bij Geelbroek die op zware leem en potklei 
liggen. Bij regenbuien kan h et water slecht in de bodem trekken en stromen de laagten snel vol. 
Deze factoren zorgen er voor dat het gebied bijzonder nat is als het veel regent, maar ook sterk 
kan uitdrogen in zonnige perioden. Bovendien voerden de bovenloopjes en oorspronggebieden r ond 
Assen relatief zuur water af uit het toen nog grotendeels intacte Smildigerveen. Dit alles maakte 
het gebied ongeschikt voor landbouw en het is dan ook pas laat ontgonnen. Dit betekent wel dat 
de rationele aanpak van de relatief recent uitgevoerde ruil verkavelingen geleid heeft tot egalisatie 
van het maaiveld, een diepe ontwatering en omvorming van meanderende beken in recht 
getrokken, snel afvoerende sloten.  
 
De bovenloop van de oostelijke tak, het Anderensche diep, is minder ingrijpend veranderd maar 
hier is van nature een veel minder sterke aanvoer van regionaal grondwater omdat het Hunzedal 
aan de oostkant van de Hondsrug een sterke drainerende werking hierop heeft. De lokale voeding 
is hier echter wel sterk afgenomen, enerzijds door de ontwatering v an de oostelijk gelegen 
graslandcomplexen en de daar gelegen zandwinplassen, anderzijds ook door de afname van de 
lokale voeding vanuit de Hondsrug na aanleg van de boswachterij Gieten/Borger. Afname van de 
infiltratie door afvoer van oppervlaktewater via de drainagesystemen in de boswachterij en 
geleidelijk toenemende verdamping door het groeiende naaldbos zijn hiervan de oorzaak evenals 
de ook hier aangelegde zandwinplassen.  
 
In de middenloop trajecten treedt het meeste grondwater uit, vaak met relatief hoge calcium - en 
bicarbonaatgehalten. Wel is een onderscheid te maken tussen de oostelijke en westelijke tak van 
het Drentsche Aa systeem. De westelijke tak loopt door de oude smeltwaterdalen van het Saalien. 
De oostelijke tak van de beek ligt hoger in het  landschap dan de westelijke tak, in een laagte 
tussen zandruggen. De toestroom van grondwater in de westelijke tak is ook hier evenals in de 
bovenlopen groter dan in de oostelijke tak maar het verschil is minder groot. Voor beide takken 
geldt dat de midde nlopen van de beekdalen met aangrenzende infiltratiegebieden voor een zeer 
groot deel een natuurfunctie hebben. In deze trajecten is dan ook sprake van een redelijk tot vaak 
zeer goed functionerend hydrologisch systeem, zeker daar waar de westelijke en oos telijke tak 
beide gevoed worden door het tussenliggende Ballooërveld. Dit wordt weerspiegeld door de 
aanwezigheid van zeer goed ontwikkelde schraallandvegetaties en de ontwikkeling van 
overgangsvenen in de dalen met veel grondwater en van laagvenen in over stromingsvlakten. De 
laatste 10 jaren is een dergelijke veenvorming weer op aanzienlijke schaal op gang gekomen door 
over aanzienlijke oppervlakten alle drainagemiddelen uit de stroomlanden geheel te verwijderen, 
d.w.z. over alle sloten werden daar gedempt . Daarnaast werden de beken daar minder 
onderhouden en vond hier en daar bodem verhoging in de beken plaats. In het Looner - en 
Taarlosche diep zijn de sterkste kwelsituaties aanwezig. Toch heeft de grondwaterwinning Assen 
hier wel degelijk een negatief eff ect op de natuurlijke kwelintensiteit. In de oostelijke tak, het 
Gasterensche diep tussen Anderen en Gasteren, ontwikkelen zich na demping van sloten en 
verondieping van de beek zeer goede uitgangssituaties voor veenvorming, eigenlijk zelfs boven 
verwachti ng. Ook de Heest en, benedenstrooms van de samenvloeiing van de oostelijke en 
westelijke tak, het Oudemolensche diep en Schipborgsche diep laten zeer fraaie ontwikkelingen 
zien o.i.v. een sterke grondwateraanvoer.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
31 
  
De benedenloop trajecten ten noorden van de N34 zijn zowel qua bodemvorming als qua 
hydrologie zeer sterk beïnvloed door waterhuishoudkundige ingrepen in het beekdal zelf en in de 
wijde omgeving. In het gehele beekdaltraject is er nog steeds sprake van een sterk versnipperde 
eigendomssituatie. De  nog als zodanig gebruikte gangbare landbouwgronden kennen een relatief 
diepe ontwatering. Verder is de grote Ydermade polder tussen de spoorlijn en de A28 geëgaliseerd 
en diep ontwaterd en heeft als zodanig invloed op bijna de gehele benedenloop. Verdere 
grondwaterstandsverlagende effecten op het Drentsche Aa systeem gaan nog uit van de 
grondwaterwinning bij De Punt en in mindere mate die bij Onnen. Een andere grote ingreep naast 
de ontwatering is de bekading van de gehele benedenloop van de beek zelf vana f de Westerlanden 
in stroomafwaartse richting. Deze bekading was nodig omdat de beek ter hoogte van 
Harendermolen, bij tankstation de Witte Molen, het grootste deel van het Drentsche Aa water via 
een duiker onder de A28 onder vrij verval moest afvoeren op het hoge peil van het Noord -
Willemskanaal. De combinatie van de vele grondwaterstandverlagende invloeden vanuit de 
omgeving met het onmogelijk worden van de voor een benedenloop zo karakteristieke periodieke 
overvloeiing maakt dat de rol van natuurlijke st urende processen in het ecosysteem van de 
benedenloop voor een groot deel uitgespeeld is. Bedacht moet worden dat niet alleen de 
rechtstreekse beïnvloeding door ingrepen in de waterhuishouding maar ook de indirecte effecten 
via bodemprocessen, zoals sterke  inklinking en veraarding van aanwezig laagveen, hieraan 
“bijdragen”.  
 
4.2 Deelgebieden  
Zoals hierboven al is beschreven is het Drentsche Aa gebied een relatief compleet beekdal. Alle 
landschapsecologische eenheden, benedenloop, middenlopen, bovenlopen en infi ltratiegebieden 
komen in het gebied voor. Om binnen dit beheerplan de knelpunten en maatregelen in beeld te 
brengen maken we gebruik van deze eenheden. We hebben de Drentsche Aa opgedeeld in elf 
deelgebieden die tot een van bovengenoemde landschapsecologis che eenheden behoren. Hieronder 
staat een beknopte karakteristiek van de verschillende deelgebieden.  
 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
32 
  
4.2.1  Deelgebied 1: De benedenloop; De Punt tot Westlaren  
 
 
 
Dit deelgebied ligt het meest benedenstrooms op de overgang van het Drentse keileemplateau 
naar een brede vlakte met in het noordelijke deel kleiige veenbodems en het zuidelijke deel 
veenbodems. De afzettingen in het beekdal bestaan voornamelijk uit eutroof en mesotroof veen, 
zanden en beekleem (geohydrologisch is deze afzetting te beschouwen al s afdekkende laag met 
enige weerstand tegen grondwaterstromingen). Ten oosten van de Drentsche Aa ligt onder de 
Hondsrug relatief ondiep keileem. Ten westen, ter hoogte van het Noord - Willemskanaal, komt nog 
een keileemschol in de ondergrond voor. Op het k eileem ligt een relatief dunne laag met dekzand. 
Op de beekdalflanken bestaan de zanden ook uit helling - of fluvioperiglaciale afzettingen (Formatie 
van Twente). De hellingafzettingen hebben sterk variabele lithologie en bevatten vaak grof 
materiaal (bijvo orbeeld erosieresten van keileem) De fluvioperiglaciale afzettingen bestaan uit 
matig fijn tot matig grof zand, grindhoudend zand, leem en veen. De doorlatendheid varieert sterk.  
 
De natuurlijke voeding van de benedenloop door het regionale grondwatersyste em vindt plaats 
vanuit het zuidwesten. De grondwaterstroming wordt in belangrijke mate beïnvloed door de 
drainerende werking van het Hunzedal, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding 
(grondwaterwinning, onderbemaling van polders). Daardoor is de gron dwaterinvloed in de 
benedenloop verminderd of zelfs verdwenen en waar deze optreedt, heeft de voeding vermoedelijk 
plaats uit het eerste watervoerend pakket. Binnen de provincie Drenthe bedraagt de kwelintensiteit 
in de benedenloop 0,3 tot 1,0 mm/dag (Schi pper & Streefkerk, 1993). In het benedenstroomse 
deel met de Kappersbult bedroeg de infiltratie -intensiteit tot 2009 1,0 tot > 2,5 mm/dag. Vanaf 
Westerlanden tot aan de kruising van de beek met het Noord -Willemskanaal treedt in het grootste 
deel infiltrati e op (1 -4 mm/dag voor gemiddelde zomersituatie en wintersituatie; Burking 1990). 
De hardheid van het grondwater is zacht tot matig hard. Het ondiepe grondwater bestaat uit een 
MgSO4 -watertype.  
 
De westzijde  van het gebied is van nature het voedingsgebied v an de benedenloop. Tegen deze 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
33 
 westzijde van het reservaat ligt de sterk onderbemalen polder Ydermade met op de grens een 
diepe afwateringssloot. Door deze onderbemaling wordt de natuurlijke voeding vanuit het westen 
afgevangen. Ook aan de oostzijde  van de beek is de voeding van het beekdal beperkt of wellicht 
zelfs afwezig door de sterk drainerende werking van Hunzedal. Grondwatervoeding vanuit het 
westen lijkt beperkt. Een model studie van KIWA/Royal Haskoning uit 2002 liet zien dat ook bij het 
geheel heri nrichten van de Ydermaderpolder er weinig tot geen effect was op de oostzijde  van het 
beekdal nabij de Kappersbult. Het peil van de Drentsche Aa en een relatief geringe weerstand van 
de beekdalafzettingen zorgen vermoedelijk voor een gering stijghoogtevers chil met het diepere 
grondwatersysteem. Door de invloed van de waterwinning en diepe ontwatering van polders in de 
omgeving is de infiltratie in de benedenloop toegenomen en is in delen waar kwel optrad de 
kwelflux verder verlaagd of zelfs veranderd in inf iltratie. Eind jaren negentig trad in het noordelijk 
deel een stijging op van de stijghoogte die samenhangt met veranderingen in de 
grondwaterwinning van De Punt.  
 
Van oudsher stond dit benedenstroomse deel van de Drentsche Aa sterk onder invloed van 
overstroming met beekwater, waardoor veel slib is afgezet. Door het geringe verval in dit daltraject 
ten opzichte van dat van de middenloop stagneert in de benedenloop de afvoer. Bij hoge 
beekafvoeren trad de beek daardoor uit zijn oevers en overstroomde e en breed beekdal. Deze 
hydrologische situatie is echter ingrijpend veranderd door het aanleggen van kades en de aflaat 
van water op het Noord -Willemskanaal.  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
34 
  
 
 
Figuur 2 Overzicht van de meest stikstofgevoel ige habitattypen in Deelgebied  1 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
35 
 4.2.2  Deelgebied 2: De overgang beneden -middenloop bij Westlaren  
 
 
 
De Drentsche Aa is hier nog breed en vlak en bevindt zich net stroomafwaarts waar het dal is 
ingesneden in het Drentse plateau en een sterk verval heeft. In het beekdal komen veen-, zand - 
en beekleemafzettingen voor. Aan de oostzijde loopt de hoogte sterk op door de aanwezigheid van 
de Hondsrug. Ook hier komt relatief ondiep keileem in de ondergrond voor. Boven deze laag zijn 
voornamelijk dekzanden afgezet, het betreft het ondi epe freatisch watervoerend pakket. In het 
bovenstroomse deel van het beekdal komt aan de oostzijde een aantal geïsoleerde laagten voor. 
De maaiveldhoogte van die laagte is gelijk aan die van de dalvlakte en ze zijn door stuifzandwallen 
van het dal afgesche iden. Op de iets hoger gelegen flanken zijn zandbodems aanwezig. Dit zijn 
voornamelijk helling - en fluvioperiglaciale afzettingen. De doorlatendheid van deze afzetting 
varieert sterk. Onder de keileem - en beekdalafzettingen bestaat de geologische opbouw ui t fijne tot 
matig grove, glauconiet bevattende zanden. Het betreft het eerste watervoerende pakket. Potklei 
komt alleen ten westen van het dorp Zeegse voor, onder andere onder de bovenloop van het 
Zeegser loopje. De bovenkant van de potklei ligt vrij diep (circa 30 meter beneden maaiveld). Het 
diepere tweede watervoerend pakket bestaat overwegend uit grove fluviatiele zanden. De 
hydrologische basis van het grondwatersysteem is de kleiige afzetting van de Formatie Breda.  
 
De natuurlijke voeding van de overga ng tussen beneden - en middenloop door het diepere 
grondwatersysteem heeft eveneens plaats vanuit het zuidwesten. Het oostelijke deel van het 
beekdal wordt nauwelijks gevoed doordat het water dat op de Hondsrug is geïnfiltreerd 
voornamelijk richting het Hun zedal stroomt. Voeding vanuit freatisch grondwater dat afstroomt 
over de keileem in de Hondsrug treedt in dit deelgebied in beperkte mate op; dat is alleen het 
geval in het oostelijk deel, waarin zich het Wilde Veen bevindt.  
 
Een nadere analyse van de stijghoogten van het grondwater in verschillende watervoerende lagen 
geeft enig inzicht in het hydrologisch systeem en mogelijke veranderingen:  
 De stijghoogteverschillen in het zuidelijke deel van het dal duiden op het optreden v an kwel;  
 In het oostelijk deel van het dal vertoonde het stijghoogteverschil in loop van de tijd grote 
veranderingen die samenhangen met het onttrekkingsverloop van de waterwinning van 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
36 
 Zuidlaren. Door sluiting van de winning is de diepe stijghoogte hoger geworden dan de 
freatische stand, waardoor kwel uit het eerste en tweede watervoerende pakket mogelijk is;  
 Van het noordelijk gedeelte zijn geen stijghoogteverschillen bekend. Een groot deel van het 
daltraject wordt sterk ontwaterd door sloten en greppels;  Zekmaat en Zwienmaat zijn 
gedeeltelijk aangekocht, waardoor diepe lokale ontwatering is afgenomen;  
 
Ter hoogte van de Bargmaat en Zwienmaat zijn dichtbij het beekdal diepe zandputten gegraven. 
Het waterpeil van de plas nabij de Zwienmaat watert af op de N oord-Willemskanaal en draineert 
dus. De plas aan de oostzijde snijdt diep in de Hondsrug en heeft geen afwatering.  
 
Het dal wordt gevoed door basenhoudend grondwater. Het Wilde Veen wordt gevoed met 
basenarm freatisch water dat over de keileem van de Honds rug toestroomt. Plaatselijk komen in de 
lage daldelen ook zandige oeverwallen voor. Door de vlakke ligging van het dal trad vroeger over 
grotere oppervlakten overstroming op. In het noordelijke deel was de overstromingsinvloed 
daardoor het sterkst.  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
37 
  
Figuur 3 Overzicht van de meest stikstofgevoelige habitattypen in Deelgebied 2  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
38 
 4.2.3  Deelgebied 3: De middenloop; Schipborgsche diep  
 
 
 
Dit deelgebied betreft een smal daltraject. Het is het benedenstrooms deel van de middenloop, dat 
ter hoogte van Oudenmolen de rug van Tynaarlo doorsnijdt (De Gans, 1981). De geologie van het 
dal bestaat uit vooral uit veen, zand en beekleemafzettingen (Formatie van Singraven), die 
geohydrologisch het afdekkende pakket vormen en dus enige weerstand bied en tegen 
grondwaterstromingen. Aan het oppervlak wordt vooral veen aangetroffen. Door vroegere 
overstuivingen is in het benedenstroomse deel van het dal veel microreliëf en een grote variatie in 
de bodem aanwezig. In dit deel komt aan de oostzijde zelfs ee n geïsoleerde laagte voor. De 
maaiveldhoogte hiervan is gelijk aan die van de dalvlakte en ze is door een stuifzandwal (Formatie 
van Kootwijk) van het dal afgescheiden. Uitsluitend op de Hondsrug en het gebied onder het 
landgoed De Schipborg komt ondiep ke ileem (Formatie van Drenthe) in de ondergrond voor, welke 
als semi -permeabele laag fungeert. Boven de keileem is een freatisch watervoerend pakket 
aanwezig, bestaande uit dekzanden (Formatie van Twente). Onder de keileem - en 
beekleemafzettingen ligt het ee rste watervoerende pakket met fijne tot matig grove, glauconiet 
bevattende zanden (Formatie van Peelo). Gedeeltelijk onder het landgoed De Schipborg is potklei 
(Formatie van Peelo) aangetroffen. Onder de Formatie van Peelo ligt het tweede watervoerende 
pakket, bestaande uit grove fluviatiele zanden (Formatie van Urk en Harderwijk en plaatselijk de 
Formatie van Scheemda).  
 
De beekbedding en het gemiddelde beekpeil zitten in dit beekdaltraject diep onder het maaiveld 
van de lage delen van het beekdal. Hierdoo r is de beek een diepe drain in het dal.  
 
Omdat voor het overgrote deel weerstandbiedende lagen ontbreken in het infiltratiegebied, zal 
regenwater infiltreren naar het diepere grondwatersysteem. Via diepe stroombanen kwelt dit water 
op in het dal. Alleen o p de beekdalflanken zal ook recent geïnfiltreerd regenwater uittreden. De 
kwelintensiteit in de middenloop varieert van 1,5 tot 3,5 mm/dag (Streefkerk & Schipper, 1993) en 
ter plaatse in het dal van het Oudemolensche Diep zelfs ruim 3,0 mm/dag (Vegter & Ba kker, 
1999). De kwelflux is hier tweemaal zo groot bij de doorsnijding van de rug Tynaarlo. De hardheid 
van het grondwater in de middenloop is matig hard tot hard. De potklei onder het landgoed De 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
39 
 Schipborg biedt grote weerstand tegen grondwaterstromingen,  waardoor het geïnfiltreerde 
regenwater zijdelings zal afstromen en langs de flanken van de beekdalen Schipborgsche Diep en 
Anloërdiepje als minder baserijk grondwater zal op kwellen.  
 
Ten opzichte van deelgebied 2 is de invloed van overstroming geringer e n die van kwel uit 
regionale grondwatersystemen veel groter. Toch zijn bijvoorbeeld ter plaatse van Oudemolen ook 
zandige oeverwallen aanwezig, die door inundatie van de beek zijn ontstaan. Achter deze 
oeverwallen ontstaan trilvenen langs de beekdalflanken . 
 
De grondwaterwinning Zuidlaren heeft een verdrogende invloed gehad in het noordelijke deel. Door 
de sluiting van de winning is deze invloed niet meer aanwezig. Vanaf de jaren vijftig hebben aanleg 
van doorvoersloten, sloten op de flanken en intensivering van de interne ontwatering gezorgd voor 
verdroging van het hele daltraject. Op dit moment heeft de diepe ligging van de beek een sterk 
drainerend effect op het beekdal. Hoe de drainagediepte van de beek zich in loop van de tijd heeft 
ontwikke ld is niet goed bekend. Langdurig schoningsbeheer kan hebben bijgedragen aan een 
verdiepte ligging. Sinds eind jaren negentig is het gebied door veel interne maatregelen sterk 
vernat. Samen met de interne vernattingsmaatregelen zijn ondiepe slenken in het dal aangelegd. 
Deze slenken kunnen door hun drainerende werking de vernatting beperken. Anderzijds kan na de 
vernattingsmaatregelen door het verder dichtslibben van greppels en (gegraven) slenken en door 
maaiveldstijging de grondwaterstand geleidelijk stij gen zoals is waargenomen in de peilbuizen in 
het zuidelijke deel.  
 
De beekdalen in dit deelgebied staan onder sterke invloed van zowel kwel van zacht tot matig hard 
grondwater uit subregionale grondwatersystemen als toestroming van basenarm grondwater via 
ondiepe stroombanen vanuit de aangrenzende plateaus. Tijdens de periode met sterke verdroging 
(jaren zestig tot en met negentig) resteerde weinig natte tot zeer natte vegetatie. Vanaf eind jaren 
negentig tot nu is het gebied door interne maatregelen en in het noordelijke deel en door sluiting 
van de grondwaterwinning Zuidlaren sterk vernat en komt op vrij grote schaal nu natte tot zeer 
natte vegetatie voor behorende tot vooral habitattype H7140A Overgangs - en trilvenen en 
Dotterbloemhooilanden. Afhankelijk van de basenrijkdom van het toestromende grondwater zijn de 
hooilanden en moerassen zwak tot sterk gebufferd voor de zuurgraad. Bijzonder van dit deelgebied 
is dat op de dalflanken duidelijk en op meerdere plekken een ontwikkeling gaande is naar schrale 
hooilanden behorende tot de habitattypen H6410 Blauwgraslanden en H6230 Heischrale 
graslanden. Omdat de vernattingsmaatregelen kortgeleden zijn uitgevoerd is de abiotiek en 
vegetatie nog sterk in ontwikkeling. Na de vernattingsmaatregelen is er sprake van ee n langzame, 
geleidelijke stijging van de freatische stand die vermoedelijk samenhangt met het dichtslibben en 
groeien van oude sloten en greppels. De waterstanddynamiek is echter, ondanks de sterke 
kwelflux, wel nog onderhevig aan uitzakkende standen in dr oge zomers. Ten zuiden van deelgebied 
3 splits de Drentsche Aa in een westelijke en oostelijke tak.  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
40 
  </pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
41 
  </pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
42 
  </pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
43 
  </pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
44 
  </pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
45 
  </pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
46 
  </pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
47 
  
Figuur 4 Overzicht van de meest stikstofgevoelige habitattypen in Deelgebied 3.  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
48 
 4.2.4  Deelgebied 4: De westelijke middenloop  
 
 
 
De westelijke middenloop wordt gekenmerkt door een diepe insnijding van het beekdal bij de rug 
van Rolde (De Gans, 1981). Ten opzichte van de oostelijk gelegen middenloop (deelgebied 5, 
Gastersche Diep) ligt het beekdal ook lager. Dit is een van de redenen dat deze tak een hoge 
kwelintensiteit heeft. De geologische en geohydrologische opbouw van de ondergrond is hier sterk 
bepalend bij de grondwaterstroming en voeding naar de westelijke middenloop. Deze wordt 
bepaald door een  tunneldal ontstaan in de Elster -ijstijd die later is opgevuld met de formatie van 
Peelo en een grote hoeveelheid zoetwater bergt.  
 
In het beekdal komen veen -, zand - en beekleemafzettingen voor (Formatie van Singraven), welke 
geohydrologisch worden gereken d tot het afdekkende pakket met enige weerstand tegen 
grondwaterstromingen. In het infiltratiegebied liggen dekzanden (Formatie van Twente) aan het 
oppervlak, welke bestaan uit fijne zanden. Op de flanken worden helling - en fluvioperiglaciale 
afzettingen a angetroffen. In geohydrologisch opzicht behoren deze afzettingen tot het freatisch 
watervoerend pakket. Onder de beek - en dekzandafzettingen zijn fijne, slibhoudende zanden 
aanwezig (Formatie van Peelo), welke een redelijk grote weerstand hebben tegen vert icale 
grondwaterstroming (1000 tot 1500 dagen). Het eerste watervoerende pakket is dus afwezig. Ten 
westen van het beekdal komt vanaf Tynaarlo tot voorbij Assen potklei voor, waarvan de bovenkant 
in het noordelijk deel hoog ligt (2,5 -7 m+NAP) en in het zui delijke deel laag (3 -30 m -NAP). Deze 
potklei scheidt het freatische en tweede watervoerende pakket van elkaar. Dit pakket bestaat uit 
grove fluviatiele zanden (Formatie van Urk en Harderwijk en plaatselijk de Formatie van 
Scheemda).  
 
De beekbedding en het gemiddelde beekpeil zitten in dit beekdaltraject diep onder het maaiveld 
van de lage delen van het beekdal. Hierdoor is de beek een diepe drain in het dal. De beek is met 
een grootschalige ingreep verdiept. Langdurig opschonen van de beek heeft geleid tot verdieping 
van de beek en verlaging van peilen. De effecten van opschonen zijn, dat erosie van de beekbodem 
optreedt en de hydraulische weerstand wordt verminderd. De effecten leiden tot verdiepingen van 
de beek en verlaging van waterstanden.  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
49 
  
Het freatisc h watervoerende pakket bestaat onder natuurlijke omstandigheden uit relatief zeer 
zacht tot zacht grondwater. Op grotere diepte ontstaat door contact met mineraalrijker substraat 
(slibhoudende zanden en potklei) basenrijker grondwater, welke dagzoomt in de  bovenlopen en 
beekdalflanken. De hoge rug tussen Rolde en Loon en de rug tussen Loon en Oude Molen zijn 
belangrijk voor grondwateraanvulling en kwelintensiteit in het beekdal. Het beekdal en de 
beekdalflanken ontvangen daar grondwater uit het freatische p akket en het tweede watervoerende 
pakket. De kwelflux van het tweede watervoerende pakket naar het freatische pakket is hoog (2,7 -
3,0 mm/dag). Deze grondwatervoeding vindt plaats uit het subregionale systeem Centrale 
Middenlopen (Schipper&Streefkerk, 1993) . 
 
Het noordelijke traject van het beekdal wordt sterk gevoed met hard grondwater uit het tweede 
watervoerende pakket. Kwel van dit grondwater treedt op in een brede zone van het beekdal en 
drukt de invloed van zachter grondwater uit ondiepere stromingstel sels ver naar de beekdalranden. 
Het zuidelijke traject wordt gevoed met matig hard tot hard grondwater. De westelijke 
beekdalflank wordt gevoed door zacht grondwater uit het eerste watervoerende pakket dat 
toestroomt door de aanwezigheid van potklei. Aan d e oostzijde (onder andere De Heest, monding 
Smalbroekerloopje) treedt kwel op uit het freatisch watervoerende pakket. Voor het zuidelijke deel 
(onder andere Lage Maden, Koebroek) ligt het infiltratiegebied in het Koebroeksveld en in de 
Ballooëresch. De kwe lflux bedraagt daar 0,8 -1,0 mm/dag) (Schipper & Streefkerk, 1993).  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
50 
  
Figuur 5 Overzicht van de meest stikstofgevoelige habitattypen in deelgebied 4  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
51 
 4.2.5  Deelgebied 5: De oostelijke middenloop  
 
 
 
Dit deelgebied bestaat uit het beekdal van het Gastersche Diep en Rolderdiep en ligt tussen het 
plateau met het Ballooërveld en de Hondsrug. Op het beekdal sluiten diverse slenken (=stroeten) 
vanuit het Ballooërveld en Eexterveld aan. In het beekdal komen veen, zanden en 
beekleemafzetti ngen voor (Formatie van Singraven), welke geohydrologische worden gerekend tot 
het afdekkende pakket met enige weestand tegen grondwaterstromingen. De benedenloop van het 
Gastersche Diep is relatief smal, terwijl het middeldeel naar het dal van het Rolderd iep vrij breed 
is. In het dal zijn op lokale schaal sterke reliëfverschillen aanwezig als gevolg van verschillen in 
inklinking van het veen en vroegere ijzerwinning (o.a. in Postweg). In het infiltratiegebied liggen 
dekzanden (Formatie van Twente) aan het oppervlak, welke bestaan uit fijne zanden. Op de 
flanken worden helling - en fluvioperiglaciale afzettingen aangetroffen. In geohydrologisch opzicht 
behoren deze afzettingen tot het freatisch watervoerend pakket. Onder de beek - en 
dekzandafzettingen komen f ijne zanden voor (Formatie van Peelo), welke worden gerekend tot het 
eerste watervoerende pakket. Op grotere diepte wordt het tweede watervoerende pakket 
aangetroffen, bestaande uit grove fluviatiele zanden (Formatie van Urk en Harderwijk en plaatselijk 
de Formatie van Scheemda). Ten oosten van het Gastersche Diep, ter hoogte van de Postweg, 
komt onder het infiltratiegebied potklei voor. Deze potklei scheidt het freatische en tweede 
watervoerende pakket van elkaar. Het Gastersche diep heeft een ondiepe ligg ing in het beekdal. 
Deze beek lag matig diep (circa 1.0 -1.5 m -mv). Door aanleg van voordes, het beek -op-peil-project 
en door het stoppen van onderhoud is het beekpeil verhoogd met enkele decimeters. Voor een 
groot deel van het beekdal zit het beekpeil nu m inder dan 1 meter onder maaiveld. Plaatselijk zit 
het peil nog vrij diep op circa 1 meter onder maaiveld (schriftelijke mededeling R. Hofstra).  
 
Onder het beekdal komen geen slecht doorlatende lagen voor, waardoor het gevoed wordt vanuit 
het eerste en twee de watervoerende pakket (Schipper & Streefkerk, 1993; Haskoning, 1995). De 
flanken worden gevoed vanuit het Ballooërveld, de zandrug bij Gasteren en het Eexterveld. De 
voeding vanuit het Eexterveld is ondiep, omdat het freatische grondwater afstroomt over potklei. 
Onder het Ballooërveld komen slibhoudende zanden voor. Hierdoor wordt de westflank sterk 
gevoed door ondiep toestromend, zacht grondwater. Het beekdal van dit deelgebied heeft een 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
52 
 hogere ligging dan het beekdal van het Taarlosche diep en Loonerdie p (deelgebied 4). De kwelflux 
uit het tweede watervoerende pakket is daarom minder groot dan in deelgebied 4. Ook komt onder 
dit beekdal geen tunneldal uit de Elster -ijstijd voor. Door het sterke verhang van het Gastersche en 
Rolderdiep ligt het bovenstroo mse daldeel duidelijk hoger en heeft daardoor een minder grote 
kwelflux. Alleen bij de aansluiting van het beekdal op het Taarlosche diep is de kwelflux groot (2,5 -
3,5 m/dag). In de overige delen is de kwelflux over het algemeen niet groter dan 1,6 -2,2 mm/ dag 
(Schipper & Streefkerk, 1993). Nabij de Postweg is wel een grotere kwelflux aanwezig, omdat het 
beekdal hier relatief vlak is en hier naast regionale voeding ook sterke voeding vanuit het 
freatische grondwatersysteem boven de potklei plaats vindt. De l aagste delen van stroeten van de 
Zuidesch bij Gasteren en Scheebroekerloopje worden ook gevoed met een lage kwelflux (0,3 -1,0 
mm/dag) uit het watervoerende pakket (Schipper & Streefkerk, 1993).  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
53 
  
Figuur 6 Overzicht van de meest stikstofgevoelige habitattypen in deelgebied 5  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
54 
 4.2.6  Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld  
 
 
 
Het Ballooërveld is een plateau tussen de middenlopen Taarlose diep en Loonerdiep aan de 
westkant en het Gasterense diep en Rolder diep aan de oostkant. In dit plateau liggen een aantal 
slenken (stroeten) die afwateren richting deze beekdalen. De bovenlopen Galgriet en de Slokkert 
wateren af op het Gasterense Diep/ Rolderdiep en het Smalbroekerloopje op het Loonerdiep.  
 
Landbouwontwat ering is aanwezig in het noordelijk deel tussen de heide van het Ballooërveld en 
De Heest/ dal van het Gasterense diep. Aan de zuidzijde zit landbouwontwatering (1,0 -1,3 m -mv) 
in het bovenstroomse deel van de laagte van het Smalbroekerloopje en het oorspro nggebied 
Tichelhoes. In de laagte van het Smalbroekerloopje en de Slokkert liggen diepe, rechtgetrokken 
waterlopen. De Galgriet had tot voor kort ook een diepe waterloop maar is nu gedempt/opgestuwd. 
Diepe ontwatering ligt verder aan de zuidkant tussen Koe broeksveld en de Noordes van Balloo en 
in de Koelanden. Op het Ballooërveld ligt een drainerende tankgracht die stamt uit de 2e 
wereldoorlog. Op het plateau komen een aantal ondiepe ronde laagten voor. In de werd het gebied 
reeds in de prehistorie voor lan dbouw gebruikt. De sporen hiervan zijn in de heide terug te vinden 
als Celtic fields. Aan de noordzijde loopt het Ballooërveld af richting De Heest. Dit gebied was in het 
verleden een bredere stroomdalvlakte van Gasterense en Taarlose Diep. De contouren va n ondiepe 
dalen zijn nog zichtbaar. Aan het oppervlak komen moerige bodems en beekleem 
(fluvioperiglaciale afzettingen) voor, afgewisseld door dekzandruggen (F. v. Twente), die 
bodemkundig als veldpodzolen worden benoemd. Onder de afzettingen komt de F. v.  Peelo voor. 
Deze bestaat aan de westzijde uit slibhoudende zanden. De zanden hebben een redelijk weerstand 
tegen horizontale en verticale grondwaterstroming (c waarde kan oplopen tot ca.1000 dagen) Zeer 
plaatselijk zijn ook kleine voorkomens van potklei a anwezig. De oostzijde van het Ballooërveld 
bestaat meer uit fijne zanden en fungeert meer als 1ste watervoerend pakket. Op grotere diepte 
wordt het 2de watervoerende pakket aangetroffen, bestaande uit grove fluviatiele zanden (F. v. 
Urk en Harderwijk en pl aatselijk de F. v. Scheemda)  
 
Het Ballooërveld is een inzijgingsgebied. Aan de westzijde bestaat de ondergrond uit slibhoudende 
zanden waardoor de infiltratie naar het 2de watervoerende pakket gering is. Het meeste 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
55 
 grondwater stroomt daardoor ondiep richti ng het Taarlose en Loonerdiep en Smalbroekerloopje. De 
beekdalflanken en vooral het Smalbroekerloopje en de Slokkert worden gevoed met basenarm 
grondwater. Aan de oostzijde van het Ballooërveld bestaat de ondergrond meer uit fijne zanden en 
kan infiltratie  dieper in het 1ste watervoerende pakket optreden, waardoor het grondwater 
basenrijker zal zijn, wanneer het in de beekdalflanken van de Gasterense diep en Rolderdiep en het 
bovenloop systeem Galgriet in de vorm van kwel uittreedt. In de Heest heeft voedin g plaats vanuit 
het infiltratiegebied Ballooërveld, maar ook het diepere watervoerende pakket. Verder treedt lokaal 
vanuit dekzandruggen ook voeding plaats naar laagten of flanken van laagten. In laagten en 
slenken in de Heest is een grote variatie in wate rkwaliteitsverschillen te verwachten.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
56 
  
Figuur 7 Overzicht van de meest stikstofgevoelige habitattypen in deelgebied 6  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
57 
 4.2.7  Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop  
 
 
 
Deelgebied  7a: Overgang  middenloop  - bovenloop  Loonerdiep - Deuzerdiep  
Het beekdal is in deelgebied 7 matig breed. Het beekdaltraject stroomt via het verdeelwerk bij 
Loon af en is gestuwd. De beek zelf is ook genormaliseerd. Aan de westzijde loopt het maaiveld 
slechts in geringe mate op richti ng Assen en het beekdal is hier de afvoer van het grote lage gebied 
bij Assen (Bekken van Assen). Aan de westzijde Aan de oostzijde loopt het terrein wel hoger op 
door de aanwezigheid van de Rug van Rolde. Door verdroging is zijn de veenbodems in het beekd al 
sterk veraard. In het beekdal komen beekafzettingen voor, voornamelijk bestaande uit veen en 
dieper veen en zandlenzen. De afzettingen behoren tot de Formatie van Singraven. Op de flanken 
en infiltratiegebieden komen dunne dekzanden en fluvioperiglacial e afzettingen (Formatie van 
Twente) voor. In de ondergrond komt ondiep keileem voor, die soms op de potklei ligt. Deze 
keileem is afgezet in de vierde of laatste ijstijd (Weichselien). De bovenloopjes snijden door deze 
keileemlaag. De basis van het watervo erende pakket in dit beekdalsysteem betreft de Formatie van 
Peelo, bestaande uit potklei. Deze klei is een bekkenklei, afgezet in zogenaamde “tunneldalen”, 
welke ten gevolge van de ijskap gedurende de derde ijstijd, het Saalien, zijn ontstaan. Deze 
bekkenk lei is enige meters tot enkele tientallen meters dik. De doorlatendheid is uiterst gering en 
de weerstand tegen verticale of horizontale grondwaterstroming is zeer groot. Het kan ter plaatse 
worden beschouwd als de hydrologische basis van het beekdalsystee m. Het peil en de bedding van 
het Loonerdiep liggen diep (circa 1 -2 meter en plaatselijk 3 -4 meter ten opzichte van het maaiveld 
van de het dal). Het Deurzerdiep ligt ter hoogte van de Horstmaat in kaden en heeft een minder 
diep peil ten opzichte van de da lbodem. De stuwen hebben ook sterke invloed op het beekpeil ten 
opzichte van de dalbodem. Direct stroomafwaarts van stuwen zit het beekpeil gedurende het hele 
jaar laag (> 1 meter onder maaiveld).  
 
De grondwatervoeding van het beekdal heeft over de potklei  plaats. De kwelintensiteit in het 
beekdal is relatief laag (1 -1,4 mm/dag) (Schipper & Streefkerk, 1993). Infiltratiegebieden van het 
beekdal liggen ten zuidoosten en ten noordwesten van het beekdal (Van Houten et al. 2001). In de 
lage delen van het dal is  het ondiepe grondwater matig hard en heeft meestal lage sulfaat - en 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
58 
 chloridegehalten. Plaatselijk is het ondiepe grondwater hier wel sulfaat - en chloriderijk als gevolg 
van toestroming van vervuild grondwater. Op de flanken varieert de hardheid van het on diepe 
grondwater van zacht tot zeer hard (Van Houten et al. 2001).  
 
De freatische stand vertoont wel een aflopend verhang richting de beekloop en vooral dicht bij de 
beekloop is ze veel lager. Dit geeft aan dat een zone van het dal sterk gedraineerd wordt door de 
beek. De meeste grondwaterstroming zal hier plaatsvinden door het eerste watervoerende pakket 
boven de potklei. ‘s Zomers zakt de freatische stand diep uit en in de winter en voorjaar heeft deze 
een hoger, afgetopt verloop door lokale drainage in h et beekdal.  
 
Deelgebied  7b: Overgang  middenloop  - bovenloop  Zeegserloopje  
Het Zeegserloopje is een smal zijdal van de hoofdtak van de Drentsche Aa. Dit kleine dal is ligt in 
het benedenstroomse deel vrij diep in het plateau. Voor de geohydrologie wordt ver wezen naar 
deelgebied 2. Rond het bovenstroomse deel ligt diep ontwaterd (1.0 -1.2 m -mv) landbouwgebied. 
Het deelgebied en de omgeving zijn momenteel sterk verdroogd. Hierdoor overheersen in het 
beekdal relatief droge, soortenarme graslanden en bestaan de b roekbossen deels uit sterk 
verdroogde vormen.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
59 
  
Figuur 8 Overzicht van de meest stikstofgevoelige habitattypen in deelgebieden 7a en 7b  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
60 
 4.2.8  Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen  
 
 
 
Deelgebied 8 is verdeeld in drie delen: 8A, 8B en 8C. Door de lange randzone van de deelgebieden 
met landbouwgebied, is de verdrogingsproblematiek aanzienlijk een zijn de perspectieven voor 
ontwikkeling van habitattypen als blauwgrasland en overgangs - en trilveen beperkt.  
 
8A omvat de laagste delen met het beekdal van het Amerdiep en Anreeperdiep. De omgeving ligt 
in geringe mate hoger en maakt deel uit van het bekken van Assen. In oostelijke richting loopt het 
maaiveld meer op naar de zandrug van Rolde. De bodem in het beekdal bestaat uit veen. Ondi ep in 
de ondergrond komen keileem en potklei voor. Door de aanwezigheid van deze slecht doorlatende 
lagen is de voeding uit het eerste watervoerende pakket gering en worden de beekdalen vooral 
gevoed door grondwater uit het freatische pakket. De kwelintens iteit in het beekdal is daardoor 
relatief laag (1 -2,5 mm/dag) (Schipper & Streefkerk, 1993). Een groot deel van het 
neerslagoverschot wordt snel en door het freatische watervoerende pakket en via de vele sloten en 
buisdrainage afgevoerd. De infiltratiesnel heid van het gebied tussen het Anreeperdiep en Amerdiep 
is gering (100 mm/j).  
 
Het gebied bestaat vooral uit soortenarme graslanden en een kleiner deel uit bos. Recent komt 
door vernatting ook enig Dotterbloemhooiland voor (zeer beperkt). Vanaf jaren zestig van de 
twintigste eeuw was het hele gebied (beekdal en dalflanken) sterk verd roogd door intensivering 
van ontwatering en verlaging van het beekpeil. In de beekdalen treedt dit grondwater momenteel 
vooral in de sloten en beken uit gedurende de winter en het voorjaar. In een groot deel van de 
percelen in het dal treedt gedurende het hele jaar infiltratie op. Door de hoge weerstand van de 
potklei treedt weinig toestroming op uit het eerste watervoerende pakket. Daardoor worden de 
freatische standen in het beekdal weinig gebufferd en zakken ze in de zomer diep uit.  
 
Vroeger, voor de aa nleg van het verdeelwerk bij Loon en de verdieping en verbreding van de 
beken, stond het beekdal hier onder sterke invloed van overstroming. Tegenwoordig komen zulke 
overstromingen niet meer voor.  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
61 
 Deelgebied 8B beslaat deels beekdal van het Amerdiep, een laagte bij Ekehaar en Amen met een 
lemige bodem, een westelijke ruimsloot en een oostelijke laagte met vooral een venige bodem en 
met de oostelijke ruimsloot. De omgeving ligt in geringe mate hoger en maakt deel uit van het 
bekken van Assen. In oostelijke richting loopt het maaiveld meer op naar de zandrug van Rolde. In 
het westelijke deel van het deelgebied (laagte tussen Ekehaar en Amen) komt ondiep in de 
ondergrond keileem voor. De oostelijke uitstulping van het deelgebied is de laagte van de 
oostelijke Ruimsloot waaronder keileem ontbreekt. Aan weerszijde van de laagte komt wel keileem 
in de ondergrond voor. Daar waar de slecht doorlatende keileem aanwezig is de voeding uit het 
eerste watervoerende pakket gering en worden de beekdalen vooral gevoed door grondwater uit 
het freatisch pakket boven de keileem.  
 
Voor Geelbroek, deelgebied 8C, liggen herinrichtingsplannen klaar  in het kader van de 
gebiedsinrichting Laag -Halen. Het ligt in een laag deel van het bekken van Assen. De omgeving ligt 
in geringe mate  hoger. De laagte is groot en loop door in andere laagten (naar het westen, in 
noordelijk richting naar de laagte van Anreep en noordoostelijk via een smalle slenk naar het 
Amerdiep). Zuidelijk van het Geelbroek loopt het maaiveld sterk op naar de boswacht erijen. De 
bodem bestaat uit veen en moerige gronden. In een groot deel van het Geelbroek komt ondiep in 
de ondergrond keileem voor. In een smalle zone die doorloopt onder de slenk richting het 
Amerdiep ontbreekt de keileem.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
62 
  
Figuur 9 Overzicht van de meest stikstofgevoelige habitattypen in deelgebied 8  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
63 
 4.2.9  Deelgebied 9: oostelijke boven -middenloop; het Andersche diep  
 
 
 
Landschapsecologisch gezien is het reservaat Andersche diep een boven -middenloopsysteem van 
een van de bovenstroomse takken van de Drentsche Aa. Van oudsher is het gebied hydrologisch 
gezien zowel een doorstromings - als brongebied. De functie als brongebie d is in de huidige situatie 
vrijwel geheel weggevallen onder invloed van de grondwaterstandsverlagingen die in het verleden 
hebben plaats gevonden. Dit is gelijk het grote knelpunt in het gebied.  
 
Het dal van het Andersche diep is een vrij breed dal (500 -1100 meter) in de bovenloop van het 
Drentsche Aa -systeem. Het ligt hier diep ingesneden in de hogere delen van het Drentsch Plateau. 
De bodem in het beekdal bestaat voornamelijk uit moerige eerd - en madeveengronden. In grote 
delen van het deelgebied ontbre ekt potklei en keileem. Alleen ter plekke van Rebroek is een klein 
voorkomen van potklei aanwezig. Het beekdal wordt vooral in het noordelijke deel met grondwater 
gevoed en dan alleen vanuit het westen. Vanuit de oostzijde treedt nauwelijks toestroming op 
omdat door het ontbreken van slecht doorlatende lagen de wegzijging richting het laag gelegen 
Hunzedal groot is. Hierdoor ligt de grondwaterafscheiding tussen het dal van het Andersche diep en 
het Hunzedal dicht bij het Andersche diep. Slechts door de aanw ezigheid van lokale opbollingen 
van de freatische stand in de oostflank van het beekdal kan (periodiek) een geringe toestroming 
van grondwater optreden vanuit de oostzijde (bron: peilbuisgegevens). De kwelintensiteit is 
ruimtelijk variabel (0,3 -1,9 mm/dag)  (Schipper & Streefkerk, 1993). Bij het natuurreservaatje 
Hoornse Bulten treedt kwel op. Net ten westen van het deelgebied vlakbij de Ruimsloot is een plas 
aanwezig die veel kwel heeft (2,7 mm/dag). Deze plas ligt in het voormalige infiltratiegebied van 
de Hoornse Bulten. Het bovenstroomse, zuidelijke deel van het deelgebied heeft nauwelijks kwel. 
Een diepe parallelleiding aan de westzijde van het gebied vangt ook veel geïnfiltreerd water af. De 
oorspronkelijke waterloop voerde een veel grotere hoeveelheid water door het gebied dan 
tegenwoordig. Het gebied wordt vanwege de lage ligging ontwaterd op een peil van 12,9 meter 
+NAP in de zomer en 12,6 meter + NAP in de winter. Vanwege waterkwaliteitsaspecten in het 
reservaat en een goede ontwatering wordt dit wat er momenteel via een lange duiker onder het 
reservaat door geleid. Deze duiker komt even stroomopwaarts van de Hoornse Bulten in de beek 
uit. Indien dit water door het reservaat via de beek en slenken wordt geleid, is een veel grotere 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
64 
 doorstroming van de w aterloop gegarandeerd.  
 
De huidige loop van de beek is zeker niet een natuurlijke. Grotendeels snijdt de beek door de 
hogere zandgronden heen in plaats van door de venige laagtes. Dit heeft voor de waterstanden in 
het gebied nadelige gevolgen, omdat de be ek het hele gebied ten westen van de laagste delen van 
het reservaat draineert.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
65 
  
 
Figuur 10 Overzicht van de meest stikstofgevoelige habitattypen in deelgebied 9 .  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
66 
 4.2.10  Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de 
Hondsrug  
 
 
 
Deelgebied  10a: Anloërdiepje  
Dit deelgebied bestaat uit het dal van het Anloërdiepje dat bij de Burgvallen uit komt in het dal van 
het Oudemolensche Diep. Het betreft een smal dal. Aan de westzijde loopt het maaiveld in geringe 
mate op, aa n de oostzijde sterk door de aanwezigheid van de Hondsrug. In het dal komen 
veenbodems voor. Aan de noordzijde ligt nog een ontwaterde dalvormige laagte die afwatert op 
het benedenstroomse deel. Onder het bovenstroomse deel van het dal (ten zuiden van de w eg 
Gasteren -Anloo) en aangrenzende plateau zit potklei. Onder de aangrenzende plateaus van het 
beekdal zit hier ook keileem. Benedenstrooms ontbreken deze slechtdoorlatende lagen. Alleen het 
benedenstroomse deel heeft daardoor relatief veel voeding uit het  tweede watervoerende pakket. 
In het bovenstroomse dal deel is de stijghoogte onder de potklei veel lager dan de freatische stand. 
De bovenstroomse delen van het beekdal worden alleen gevoed door toestroming van freatisch 
grondwater uit het freatische pakk et boven de keileem/potklei. Op het plateau bij Anloo daalde de 
freatische stand in de jaren zeventig en tachtig.  
 
Door sterke ontwatering van het beekdal en de aangrenzende plateaus komen nauwelijks 
grondwaterafhankelijke habitattypen voor. De laatste twe e decennia is er nauwelijks een 
ontwikkeling opgetreden in de vegetatie van het verdroogde beekdal. Door de sterke ontwatering 
treedt in de percelen van het beekdal geen of weinig kwel op, doordat het grondwater wordt 
gedraineerd door lokale ontwatering en  de diepe beek. De ontwatering op de plateaus zorgt voor 
een geringe grondwateraanvulling. In het bovenstroomse deel, dat sterk door toestroming van 
ondiep grondwater uit infiltratiegebied met landbouw wordt beïnvloed, bestaat een groot risico op 
vermestin g van het grondwater.  
 
Potenties worden beperkt omdat het smalle beekdal direct grenst aan landbouwgebied. Herstel van 
de beekdalgradiënt met infiltratiegebieden is dan ook niet mogelijk droog -natgradiënten zijn 
daardoor moeilijk te ontwikkelen. Ook kan de  aanvoer van nutriënten uit het landbouw gebied via 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
67 
 het grondwater aan de orde zijn. Wel is er nog veel te winnen in het beekdal zelf, met name door 
aanpassing aan het beekpeil en de beekbodem. Voor grondwaterafhankelijke habitattypen en 
andere natte natuu rtypen liggen de grootste herstelpotenties in het noordelijke benedenstroomse 
deel. 
 
Deelgebied  10b: Gasterse Holt  
Dit deelgebied ligt op het plateau aan de oostzijde van het dal van het Gastersche diep. Het omvat 
een deel van een stroet. De bodem bestaat uit veldpodzolen. Ondiep in de ondergrond komen 
potklei en keileem voor; hierop stagneert water. In winter en het voorjaar treden daardoor hoge 
grondwaterstanden op en stroomt water over maaiveld af. In de zomer zakt de freatische stand 
diep uit. Voor de v erdere geohydrologie wordt verwezen naar deelgebied 5. De stroet wordt alleen 
gevoed door ondiep, freatisch grondwater. De basenrijkdom van de bodem en het ondiepe 
grondwater wordt vermoedelijk in sterke mate bepaald door de kalkrijkdom of de basenverzadig ing 
van de ondiepe en dagzomende keileem en potklei. In de lage delen van het Gasterse Holt 
dagzoomt potklei, die hier vroeger ook op kleine schaal gewonnen is (Van Zanten et al. 2002). 
(Zeer) lokale grondwaterstroming in de winter en het voorjaar kan ook zorgen voor voeding van 
kalkarme bodems met basenrijk grondwater. Plaatselijk is de bodem basenrijk. De omgeving van 
het deelgebied ligt hoger en bestaat uit landbouwgebied. Hierdoor kan via lokale 
grondwaterstroming vermest grondwater toestromen. In de st roet ligt een diepe 
waterschapsleiding die samen met detailontwatering de stroet diep ontwatert.  
 
In 1994 zijn alleen twee graslandpercelen in het benedenstroomse deel gekarteerd op vegetatie. 
Deze bestonden toen uit soortenarm grasland. In 2008 en 2009 zi jn de graslanden in het 
benedenstroomse deel gekarteerd. Een aanzienlijk deel bestaat dan uit Dotterbloemhooiland en 
een kleine recent afgegraven plek uit de typische subassociatie van Blauwgrasland (habitattype 
H6410 Blauwgraslanden). Hier komt ook de bas enminnende plantensoort Parnassia voor. De 
hogere, droge gedeelten van het Gasterse Holt bestonden in 2001 uit bos met Zomereik en Berk 
met enkele Beuken en in de ondergroei veel Gierstgras. De lagere, vochtige delen bestonden toen 
uit bos van Elzen of Ber ken met veel Hazelaar, en op de natste plaatsen Grauwe wilg (Van Zanten 
et al. 2002).  
 
Waterstandsregime en basenhuishouding worden in sterke mate bepaald door de ondiepe ligging 
van keileem en potklei. Het daarboven gelegen freatische systeem is van bela ng voor de 
waterhuishouding. Naast de aanwezigheid van deze slecht doorlatende afzettingen zorgt de 
aanwezigheid van een diepe leiding en detailontwatering in de stroet en ontwatering op de 
omliggende plateaus voor extra diep uitzakkende grondwaterstanden in de zomer. In de jaren 
zeventig is de ontwatering in dit deelgebied sterk toegenomen. Dit zal in het Gasterse holt hebben 
geleid tot ontwikkeling naar drogere bostypen. Het benedenstroomse deel is recent vernat door 
maatregelen in het dal van het Gasters che diep en door lokaal afgraven van de bodem. Dit heeft 
geleid tot herstel van Dotterbloemhooiland en de ontwikkeling van habitattype H6410 
Blauwgraslanden.  
 
Deelgebied 10c: Scheebroek en Eexterveld  
Dit deelgebied ligt op het plateau van de Hondsrug aan d e oostzijde van het dal van het Gastersche 
diep. Het omvat een grote west -oost georiënteerde stroet (Scheebroek) met het 
Scheebroekerloopje en bovenstrooms daarvan het Eexterveld op het plateau. In het Eexterveld ligt 
een aantal ondiepe slenken. In een lok ale depressie in het noordoostelijk deel, het Kienveen, was 
vroeger een veentje aanwezig. De bodem bestaat vooral uit veldpodzolen. Ondiep in de ondergrond 
komen potklei en keileem voor; hierop stagneert water. In winter en voorjaar treden daardoor 
hoge gr ondwaterstanden op en stroomt water over het maaiveld af. In de zomer zakt de freatische 
stand diep uit. Onder het laagste deel van de stroet ontbreekt de keileem. Onduidelijk is of hier ook 
de potklei ontbreekt. De stroet wordt voornamelijk gevoed door on diep, freatisch grond - en 
oppervlaktewater, dat in de winter over de slechtdoorlatende keileem afstroomt. Daarnaast kan 
deze ook gevoed worden door basenrijker grondwater uit het eerste watervoerende pakket.  
 
Op het plateau (het Eexterveld) wordt de basenr ijkdom van de bodem en het ondiepe grondwater 
vermoedelijk in sterke mate bepaald door de kalkrijkdom of de basenverzadiging van de keileem 
en potklei. (Zeer) lokale grondwaterstroming in de winter en het voorjaar kan ook zorgen voor 
voeding van kalkarme b odems met basenrijk grondwater. Plaatselijk is de bodem basenrijk. Een 
aanzienlijk deel van de omgeving van het deelgebied ligt hoger (noordelijk van Scheebroek, 
zuidelijk van het Eexterveld en oostelijk van het deelgebied) en bestaat uit landbouwgebied. </pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
68 
 Hierdoor kan via lokale grondwaterstroming vermest grondwater toestromen. In het 
benedenstroomse deel van de stroet lag een diepe waterschapsleiding, het Scheebroekerloopje, die 
tot vorig jaar hier samen met detailontwatering de stroet diep ontwaterde. Bove nstrooms in het 
Scheebroek was deze leiding al gedempt. Nu is ook de diepe watergang in het benedenstrooms 
deel sterk verondiept en de detailontwatering gedempt. In de hogere omgeving van het deelgebied 
ligt diepe ontwatering.  
 
Waterstandsregime en basenhu ishouding worden in sterke mate bepaald door de ondiepe ligging 
van keileem en potklei. Het daarboven gelegen freatische systeem is van belang voor de 
waterhuishouding. De ondiepe tot dagzomende slechtdoorlatende lagen zorgen ervoor dat in de 
niet ontwater de terreindelen in het najaar en de winter de waterstanden dichtbij of aan maaiveld 
komen, en dat de grondwaterstanden in de zomer diep wegzakken. In de jaren zeventig is het 
deelgebied sterk verdroogd door ontwatering binnen het deelgebied en in de omgevi ng. Door de 
aanwezigheid van een diepe leiding in het benedenstroomse deel van de stroet is het westelijke 
deel van het deelgebied nu nog sterk verdroogd. Door recente vernattingsmaatregelen in het dal 
van Gastersche diep kan het gebied wel (licht) vernat zijn. Het bovenstroomse deel van de stroet is 
recent weer vernat met interne maatregelen. Door plaggen en afgraven hebben voedselarme 
habitattypen in droge tot natte kleinschalige gradiënten zich kunnen ontwikkelen. Uitbreiding van 
voedselarme vegetatietyp en heeft op de plateaudelen vooral plaatsgevonden onder invloed van 
plaggen. Door de vermoedelijke aanwezigheid van kalkhoudende of basenrijke leem komen 
kleinschalig basenrijke en zwakgebufferde locaties voor. De grote kleinschalige afwisseling hangt 
same n met variatie in hoogte en de bodemeigenschappen (wel/geen ondiepe of dagzomende 
lemige laag, variatie in basenrijkdom van bodem). Onduidelijk is of in het laagste deel van de 
stroet toestroming van dieper grondwater optreedt door het ontbreken van keilee m en potklei, en 
of de meest basenrijke vegetatietypen hiervan afhankelijk zijn. Niet uitgesloten is dat door plaggen 
basenrijke bodemlagen zijn gaan dagzomen en dat die op termijn verzuren door uitloging. 
Accumulatie van organisch stof in combinatie met e en geringe aanvoer van basen naar de 
bodemtoplaag kan tot verzuring leiden. Ontwikkeling van het humusprofiel op een van de 
blauwgraslandlocaties duidt daarop (waarneming R. Kemmers). Het langetermijnperspectief voor 
basenrijke en zwakgebufferde condities is daarom momenteel niet duidelijk. In de lagere 
terreindelen als het Scheebroek lijkt onder invloed van vernatting eutrofiëring te zijn opgetreden. 
Deze eutrofiëring kan veroorzaakt zijn door mobilisatie van fosfaat onder invloed van vernatting. 
Door beme sting van de hoger gelegen omgeving van het deelgebied kan ook toestroming van 
vermest grondwater optreden, die binnen het deelgebied kan leiden tot eutrofiëring.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
69 
  
 
Figuur 11 Overzicht van de meest stikstofgevoelige habitattypen in deelgebied 10  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
70 
 4.2.11  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  
 
 
 
Dit deelgebied bestaat uit zeven subgebieden die allemaal functioneren als infiltratiegebieden op de 
flanken van het beekdal. Het be treft hier voornamelijk als bestaande natuurreservaten die als 
langere tijd in beheer zijn bij terreinbeherende organisaties.  
 
Deelgebied  11a: Vijftigbunder  
Dit deelgebied betreft een infiltratiegebied op de Hondsrug en grenst aan de overgang van 
deelgebi ed 1 en 2. In de ondergrond zit ondiep keileem. Door de hoge ligging en de dikte van de 
dekzandlaag boven de keileem is de bodem grondwateronafhankelijk (peilbuisgegevens DINO). 
Voor de verdere geohydrologie wordt verwezen naar deelgebied 1 en 2. In het ge bied is naast 
droge (H4030) en natte heide (H4010_A) Oud eikenbos (H9190) en Beuken -eikenbos m et hulst 
(H9120) aanwezig. Uit recente kartering blijkt dat het grootste del van het bos niet uit habitattype 
bestaat. Tot 2015 is men hier wel vanuit gegaan. Alleen aan de zuidzijde is een beperkte 
oppervlakte habitattype H9190 gehandhaafd .  
 
 
Deelgebied  11b: Natuurbad -Schipborg  
Dit deel gebied ligt aan de noordoostzijde van het beekdal op de flank van de Hondsrug tussen het 
natuurbad bij Westlaren en Schipborg. H et wordt zowel aan de noord - als de oostzijde begrenst 
door recreatieterreinen. Effecten van de ontwatering van deze terreinen op het deelgebied zijn niet 
onderzocht.  
 
Het gebied bestaat deels uit hoge en lage stuifzandduinen met daaromheen dekzand. Op de  rand 
van het deelgebied met het beekdal (deelgebied 3) ligt een pingoruïne. Het deelgebied is deels 
eigendom van Staatsbosbeheer. Op dit deel van de terreinen komt H2310 Stuifzandheide voor 
volgens de kartering uit 1994. De rest van het terrein is particu lier eigendom. Van dit deel zijn 
geen vegetatiegegevens bekend. In dit gebied ligt de pingoruïne.  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
71 
  
Deelgebied  11c: Vredeveld -Bremheuvel  
Dit deelgebied ligt aan de westzijde van het dal van Schipborgsche diepje en Oudemolensche Diep 
(deelgebied 3). Vanaf het beekdal loopt het maaiveld op richting Zuideresch aan de westkant. Het 
westelijke deel is een overwegend droog gebied van basenarme stuifzandafzettingen met 
plaatselijk vochtige plekken. Aan de oostzijde komen dekzanden voor. In het oostelijke deel lig t 
ook een laagte met zandbodems. Deze laagte is een voormalige overstromingsvlakte en is 
momenteel ontwaterd. In de hogere delen van het gebied treedt overwegend infiltratie op. De 
voormalige overstromingslaagte is een kwelgebied of is hydrologisch neutraa l. 
 
Slechts van een deel van het deelgebied zijn vegetatiegegevens beschikbaar. Een terrein in het 
noordelijke deel is in 1994 gekarteerd en een terrein in het zuidelijk deel in 2008.  
 
Beide terreindelen hebben bestaan voor een groot deel uit het habitattype H2310 Stuifzandheide 
met struikheide met plaatselijk habitattype H4010A Vochtige heide. Een groot deel bestaat ook uit 
korte vegetatie die niet behoort tot een habitattype. In het zuidelijke terrein komt in mozaïek met 
heide ook het habitattype  H6230 Heischrale graslanden voor. Dit habitattype bestaat hier uit een 
droge vegetatie van de Associatie van Liggend walstro en Schapegras. Een aanzienlijk deel van het 
deelgebied bestaat uit bos van Zomereik en Grove den. Dit bos heeft deels een vrij ope n structuur 
van de boomlaag. In het meest zuidelijke deel is ook nog een heideterrein aanwezig met deels 
open bos.  
 
De heide wordt vrij gehouden van opslag en begraasd met een gescheperde kudde schapen In een 
aanzienlijk deel, vooral in het oostelijke deel , vindt agrarisch beheer plaats (grasland en akkers). 
In een deel van het bos liggen vakantiehuisjes.  
 
Het gebied is voor een belangrijk deel een basenarm infiltratiegebied met droge heiden en bossen. 
Zeer plaatselijk is grondwaterafhankelijke heide aanwez ig. In het oostelijke deel zijn het 
landbouwkundig beheer en ontwatering sterk bepalend. Dit gebied was van oorsprong een vochtig 
tot nat gebied met wisselende waterstanden.  
 
Deelgebied  11d: De Strubben  
De Strubben is voor een belangrijk deel een hoog gele gen zandgebied (plateau van Schipborg) op 
de Hondsrug. In het westen sluit het met een slenk aan op het dal van Schipborgsche diepje 
(deelgebied 3). In het noordoosten loopt het gebied ook uit op een slenk die naar het Hunzedal 
afwatert. Het deelgebied bes taat vooral uit dekzandafzettingen en plaatselijk uit stuifzand. De 
hogere delen vormen een droog infiltratiegebied. In het oostelijke deel komt keileem in de 
ondergrond voor, in het westelijke deel ontbreekt deze afzetting. Zie voor de verdere 
geohydrolog ie bij deelgebied 3. In en rond het gebied vindt ontwatering plaats.  
 
Het gebied bestaat voor een groot deel uit bos en voor een kleiner deel uit heide en agrarisch 
grasland en akker. Op basis van bosinventarisatie (Bijlsma et al. 2010) blijkt dat een groo t deel 
van het bos in de Strubben behoort tot habitattype H9190 Oude eikenbossen. De boomlaag was 
hier tot 2010 sterk gesloten. Dit bos was een strubbenbos, hier ontstaan vanaf de Middeleeuwen 
als een open begroeiing van lage eiken onder sterke invloed van  begrazing door schapen. 
Daarnaast kan in het noordelijk deel mogelijk het habitattype H9120 Beuken -Eikenbossen 
voorkomen. Dit betreft een restant van het Borckerholt. In het oostelijke en zuidelijke deel is een 
heideterrein aanwezig met habitattypen H2310  Stuifzandheiden met struikheide en H4030 Droge 
heiden. In het zuidelijke deel komt heide in een fijnschalig mozaïek met bos voor. Op een locatie in 
het zuidelijk deel van het deelgebied is een veentje aanwezig met habitattype H7110B Actieve 
hoogvenen (hei deveentjes) met een vegetatie van veenmossen en Kleine veenbes (Inrichtings - & 
beheerplan Strubben Kniphorstbosch, 2008). Vlak bij dit veentje is ook nog een laagte voor met 
een vegetatie van Veenmossen, Hennegras en de soorten Eenarig Wollegras, Kleine ve enbes en 
Lavendelheide (Inrichtings - & beheerplan Strubben Kniphorstbosch, 2008).  
 
Het droge eikenbos van de Strubben is ontstaan onder invloed van langdurige begrazing door 
schapen waardoor het langdurig een open structuur heeft gehad. Door het langdurig  ontbreken van 
beheer gedurende de twintigste eeuw is de structuur van dit bos verdicht en is de boomopstand 
hoger geworden. Ook zijn de open delen van de Strubben sinds 1950 grotendeel verbost. In 
2010/2011 zijn deze weer opener gemaakt en zijn eikenstove n afgezet met het doel deze te 
verjongen (Inrichtings - & beheerplan Strubben Kniphorstbosch, 2008). In het westelijk deel komt </pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
72 
 een aantal agrarisch beheerde graslanden en een akker voor. Het noordelijke deel met het 
vroegere Borckerholt is sinds de Middele euwen als bos in stand gehouden. Vroegere regelgeving 
duidt er op dat men dit bos in stand wilde houden. In de negentiende eeuw of al eerder werd het 
opgaande holt omgezet in hakhout. In de twintigste eeuw betrof het weer opgaand bos 
(Inrichtings - & beheer plan Strubben Kniphorstbosch, 2008).  
 
Deelgebied  11e: Dijkveld  
Deelgebied Dijkveld ligt op de westelijke dalflank van het Loonerdiep vrij dicht bij de bebouwing 
van Assen. Vlakbij ligt ten noorden een dalvormige laagte die diep ontwaterd wordt. De bodem 
bestaat uit dekzanden met vooral veldpodzolen en plaatselijk ook moerige gronden. In de 
ondergrond is potklei aanwezig. Voor meer over de geohydrologie zie bij deelgebied 7a. Het 
deelgebied ligt dichtbij (500 meter) de grondwaterwinning Assen. Door de aanwez igheid van de 
slechtdoorlatende potklei is het effect op de freatische stand van deze winning gering. Dit geldt ook 
voor het effect van beekpeil en de ontwateringsbasis in het Loonerdiep (Van Houten et al. 2001). 
In het zuidelijke deel was ontwatering aanw ezig in de vorm van sloten en greppels, die in 2005 zijn 
gedempt. Een deel van de percelen wordt agrarisch gebruikt. Op een ander deel (circa 40% van 
het deelgebied) wordt een beheer gevoerd van jaarrondbegrazing en maaien en afvoeren op 
percelen met Jakob skruiskruid.  
 
Het gebied is grotendeels een droog infiltratiegebied waarmee het voorkomen van droge 
graslanden, bossen, heide en heischraal grasland samenhangt.  
 
Deelgebied 11f: Kampsheide  
Het deelgebied bestaat uit de Kampsheide en ligt aan de oostzijde v an het beekdal van 
Loonerdiep/Deurzerdiep (deelgebied 7a). Het omvat een matig hoog plateaudeel met zandbodems 
en de hoogte loopt ten oosten van het deelgebied verder op naar de zandrug van Rolde. Aan de 
noordzijde komt een kleine poel of ven voor die voor  een groot deel omringd wordt door een kleine 
dekzandrug. Door het midden van het deelgebied loopt van oost naar west een kleine stroet met 
beekeerdgronden die uitmondt in het aangrenzende beekdal. Onder het deelgebied en de omgeving 
komt in het westelijk deel potklei voor (Van Houten et al. 2001) en oostelijk slibhoudende zanden. 
Keileem ontbreekt in het deelgebied maar komt wel voor in het aangrenzende plateau. Een groot 
deel van het gebied bestaat uit droge tot vochtige bodems. Een smalle zone langs de p las en de 
lage delen van de stroet zijn grondwaterafhankelijk. Aan de noord -, oost - en zuidzijde van het 
deelgebied ligt gedraineerd landbouwgebied met een ontwateringsdiepte 1,0 meter onder 
maaiveld. Deze ontwatering draineert hier het freatische pakket b oven de keileem. Langs zuidzijde 
ligt een sloot die geen afvoerfunctie voor bovenstrooms gebied heeft; het is geen schouwsloot.  
 
De grondwaterwinning Assen (WMD), het beekpeil en de interne ontwatering in de beekdal hebben 
invloed op de waterhuishouding v an dit deelgebied (Van Houten et al. 2001).  
 
Van het gebied zijn vegetatiegegevens beschikbaar uit 1996. In het noorden van het gebied ligt 
een pingoruïne die waarschijnlijk kan worden gekwalificeerd als H3160 Zuur ven. Ten zuiden en 
oosten van dit ven ko mt het habitattype H5130 Jeneverbesstruwelen voor. In een heideterreintje 
ten zuiden van het ven zijn ook habitattype H4010A Vochtige heide en habitattype H4030 Droge 
heide aanwezig, echter in sterk vergraste vorm.  
 
Deelgebied  11g: Gasterse  duinen  
Dit deel gebied omvat een matig hoog plateaudeel tussen de dalen van het Gastersche 
Diep/Oudemolensche Diep en Anloërdiepjeje. Van zuid naar noord wordt het gebied doorsneden 
door een reeks van kleine laagten. Dit betreft een oud dal in het verlengde van het dal va n het 
Gastersche diep dat door stuifzand geblokkeerd is geraakt. Aan het kleinschalige reliëf van deze 
stuifduinen dankt het gebied ook de naam Gasterse Duinen. De bodem bestaat vooral uit 
basenarme zandbodems van stuifzandafzettingen en aan de randen van het gebied ook uit 
fluvioglaciale afzettingen. In de laagten zijn venige afzettingen aanwezig. In de ondergrond komt 
geen potkei en nauwelijks keileem voor. Alleen in het noordelijk deel is een kleine keileemschol 
aanwezig. Voor een verdere beschrijving va n de geohydrologie wordt verwezen naar deelgebieden 
3 en 5. De hoge delen zijn grondwateronafhankelijk. In de reeks van laagten heersen natte 
condities en deze staan onder invloed van voeding met basenarm grondwater dat toestroomt uit 
lokale grondwatersyst emen. De zuidkant van de Gasterse duinen watert af in zuidelijke richting.  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
73 
 In de hogere delen heeft de freatische grondwaterstand een sterke seizoensmatige fluctuatie. Uit 
een peilbuisreeks aan de oostzijde blijkt dat toename van ontwatering in de jaren zeventig aan de 
oostzijde van het deelgebied voor een sterke verlaging van de freatische stand heeft gezorgd. In 
1997 treedt aan de oostzijde een kleine stijging op.  
 
Het gebied is in 1995 in zeer beperkte mate aan de westkant gekarteerd op vegetatietypen.  In 
2009 geldt dat voor de oostzijde. In deze karteringen zijn niet de voor natuur belangrijke delen 
met stuifzand en de afgesnoerde laagten meegenomen.  
 
In 1995 waren in het westelijke deel de subassociatie van Bochtige smele van het Berken -Eikenbos 
aanwe zig en de habitattypen H4030 Droge heide, H7140A Overgangs - en trilvenen (Associatie van 
Moerasstruisgras en Zompzegge) en H91D0 Hoogveenbossen (Zompzegge -Berkenbroek). In 2008 
bestaan twee percelen aan de westzijde alleen uit soortenarm grasland. In het g ebied komt het 
habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei voor in het stuifzandgebied.  
 
In het gebied beheerd door het Drents Landschap komen de volgende habitattypen voor: H2310, 
H4010_A, H4030, H7110B en H9190. Oppervlaktes van deze habitattypen ku nnen niet worden 
berekend door het ontbreken van een recente vegetatiekaart.  
 
Een groot deel van het gebied is een droog infiltratiegebied, door de combinatie van een hoge 
ligging en de afwezigheid van slecht doorlatende potklei en keileem in de ondiepe on dergrond. De 
aanwezigheid van stuifzand gaat samen met het voorkomen van het habitattype H2310 
Stuifzandheiden met struikhei. Grondwaterafhankelijke situaties komen voor in het oude, door 
stuifzand afgesnoerde beekdal. Hierin komen habitattypen van zure om standigheden voor, onder 
invloed van toestroming van basenarm grondwater en stagnatie van regenwater. Aan de westzijde 
komen ook lokaal kleine laagten voor met grondwaterafhankelijke habitattypen die onder invloed 
van toestromend basenarm grondwater staan.  De natte delen zijn vermoedelijk gedurende de jaren 
zeventig sterk beïnvloed door verdroging als gevolg van intensivering van de ontwatering in en 
rond het deelgebied. Door het nagenoeg ontbreken van ondiepe slechtdoorlatende lagen in de 
ondergrond van he t deelgebied werkte de toegenomen drainage sterk door.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
74 
     
 
Figuur 12 Overzicht meest stikstofgevoelige habitattypen Deelgebied 11. Kaart wordt aangepast 
aan nieuwe kartering in Vijftigbunder.  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
75 
     
 
Figuur 13 Overzicht van de meest stikstofgevoelige habitattypen in deelgebied 11  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
76 
 5 Gebiedsanalyses Habitattypen  
Dit hoofdstuk bevat de gebiedsanalyse van de habitattypen. Voor elk type volgt een uitleg.  
 
5.1 Gebiedsanalyse  H2310  Stuifzandheiden  met struikhei  
5.1.1  Inleiding  
 
Voor het habitattype Stuifzandheiden met struikhei in de Drentsche Aa is verbetering van de 
huidige kwaliteit en uitbreiding van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke 
staat van instandhoudin g is matig ongunstig. De verspreiding is sinds 1950 ongeveer gelijk 
gebleven. Wel is de kwaliteit (landelijk) achteruitgegaan. Het Drentsche Aa -gebied draagt voor 
H7140A veel bij aan het landelijke totaal.  
 
Volgens de habitattypenkaart komt dit type voor in de deelgebieden 2, 6, 11b, 11c, 11d en 11g. 
Zie hiertoe de habitattypenkaarten van de betreffende deelgebieden hierboven.  
 
Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het droge za ndlandschap 
(Bijlsma, et al 2012). Het habitattype betreft hier heide vegetaties op voormalige stuifzanden op 
dekzand. Die qua schaal en omvang te klein zijn voor een natuurlijk actief stuifzand. Actief beheer 
is dus noodzakelijk om de successie te verdrag en. Zonder dynamiek van stuivend zand vindt er 
bodemopbouw plaats waardoor het habitattype verdwijnt.  
 
Effecten stikstofdepositie  
De kritische depositiewaarde voor stuifzandheiden met struikhei is berekend op 1071 mol/ha/jr. 
Maar niet alleen de huidige dep ositie maar ook verhoogde depositie in het verleden kan nu nog 
effect hebben op de Stuifzandhei. Door deze depositie is de bodemopbouw versneld door de 
accumulatie van stikstof en organische stof. Ook is de aard van de depositie van belang voor een 
effecte nanalyse. Karakteristieke korstmossen zijn gevoelig voor hoge ammoniumdeposities  
 
De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS  Monitor 16L). Voor de 
referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habit attype een depositie van 
gemiddeld 1.588  mol N ha-1 jr-1 berekend . Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.374  mol N ha-1 jr-
1.  
 
Verzuring  
De bodems onder stuifzandheiden zijn van nature zuur van karakter. Mede onder invloed van 
stikstofdepositie zijn de bodems in  het Drentsche Aa -gebied verder verzuurd. Dit heeft vooral effect 
gehad op korstmossen die gevoelig zijn voor de directe effecten van stikstofdepositie, met name in 
de vorm van ammonium, maar ook door toename van vergrassing als gevolg van een hogere 
stikstofbeschikbaarheid in de bodem.  
 
Vermesting  
In het Drentsche Aa -gebied zijn kenmerkende vegetatietypen alle gebonden aan zeer voedselarme 
omstandigheden, zodat het habitattype hier gevoelig is voor vermesting. Verhoogde 
stikstofdepositie zorgt in eerste in stantie voor een versnelde groei van grassen, klauwtjesmos en 
struikhei, waardoor de schaduwwerking toeneemt en mossen (met name levermossen) en 
korstmossen sterk afnemen in bedekking. Tegelijkertijd is sprake van een toenemende hoeveelheid 
organisch mater iaal en stikstof in en op de bodem waardoor de bodem opbouw wordt versneld. Een 
lagere nutriëntenbeschikbaarheid in deze habitattypen zal daarom leiden tot een verbetering van 
de kwaliteit van het habitattype maar ook er voor zorgen dat bodemopbouw vertraa gd wordt 
waardoor minder menselijke interventie nodig is om het habitattype te handhaven.  
 
 
 
 
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>    Overzicht van kwaliteit en oppervlakte H2310 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 15,63  Matig 1,35  zoekgebied 26,79  Eindtotaal 43,77    De overalltrend voor het gehele Drentsche Aa gebied is onbekend. Hierbij moet worden opgemerkt  dat het habitattype goed is te handhaven door plaggen.    5.1.2 Deelgebied 2: De overgang beneden- middenloop bij Westlaren    Kwaliteitsanalyse H2310 Stuifzandheiden met struikhei    Actuele verspreiding    Het habitattype komt niet voor in deelgebied 2. Dit was in 2004 ook al het geval. Het habitattype is  gebaseerd op het voorkomen van soortenarme droge heide in de ondergroei van een berkenbos.  Gezien de vegetatiekartering van 1994 was het toen ook al een berkenbos. De habitattypenkaart  wordt hierop gewijzigd.    5.1.3 Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld    Kwaliteitsanalyse H2310 Stuifzandheiden met struikhei op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Stuifzandheiden liggen verspreid in de zuidelijke helft van het deelgebied op het Ballooërveld. De  oppervlakte van het habitattype bedraagt 0.18 ha in dit deelgebied. Daarnaast is nog 9,3 ha  aangewezen als zoekgebied voor dit habitattype.    Actuele kwaliteit    Er is maar een kleine oppervlakte (0.17 ha) met een goede kwaliteit. Er zijn slechts twee typische  soorten waargenomen, groentje en heivlinder. Mogelijk zijn er meer soorten aanwezig maar een  gerichte inventarisatie ontbreekt.    Tabel 4 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H2310    SBB_ CODE SBB_NAAM Kwaliteit  Ass. v Buntgras en Heidespurrie, subass cladonia in 1994 was dit nog  stuifzand, maar het is nu ontwikkeld naar Stuifzandheide H2310    Ass. v Buntgras en Heidespurrie, verarmde subass in 1994 maar nu Goed  verder ontwikkeld naar Stuifzandheide H2310 .    14A1a(94) Goed    14A1b(94    Ass. v Buntgras en Heidespurrie, subass cladonia in 1994 maar nu  14Ala(94) waarschijnlijk verder ontwikkeld naar Stuifzandheide (zoekgebied . onbekend  ZGH2310)    Ass. v Buntgras en Heidespurrie, verarmde subass in 1994 maar nu  14A1b(94 waarschijnlijk verder ontwikkeld naar Stuifzandheide (zoekgebied . onbekend  ZGH2310)         Trend    Omdat er geen recente inventarisatie van de kartering van het Ballooërveld is er geen trend aan te  geven.    Systeemanalyse H2310 Stuifzandheiden met struikhei    Stuifzandheide heeft een zekere dynamiek nodig door inwaaien van stuifzand. De oppervlakte  stuifzand is door het stopzetten van militaire oefeningen verkleind.    77</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>    Knelpunten en oorzakenanalyse H2310 Stuifzandheiden met struikhei    Gebrek aan dynamiek; er is geen actief stuifzand die zorgt voor instuivend zand in het huidige  habitatype en vormt de basis voor nieuw te koloniseren locaties.   Daarnaast is de te hoge N-depositie een knelpunt. De depositiecijfers laten slechts een geringe  overschrijding zien. Omdat de depositie uit het verleden ook nog steeds een rol speelt worden voor  dit habitattype toch herstelmaatregelen genomen.    Leemten in kennis H2310 Stuifzandheiden met struikhei    Er is geen recent beeld van de vegetatie.  5.1.4 Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden    Kwaliteitsanalyse H2310 Stuifzandheiden met struikhei    Actuele verspreiding   Stuifzandheiden zijn in deelgebied 11 te vinden op de volgende plaatsen:  e bij natuurbad Schipborg (11b) actueel oppervlak 2,79 ha.   e bij Vredeveld-Bremheuvel (11c) actueel oppervlak 15,59 ha.   e inde Strubben (11d) actueel oppervlak 3,94 ha zoekgebied   e in de Gastersche Duinen (11g) actueel oppervlak 13,55 ha zoekgebied    Voor meer detail verwijzen we naar de habitattypenkaarten van de betreffende deelgebieden  hierboven.    Actuele kwaliteit    De huidige kwaliteit van de Stuifzandheiden is matig. Dit komt vooral door de afwezigheid van  typische soorten. Alleen het Groentje en de heivlinder zijn waargenomen.    Tabel 5 overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H2310    SBB_CODE SBB_NAAM Opp 11b Oppllc Kwaliteit  20A1e Ass. v struikhei en stekelbrem, srt.-arme sub. 2,57 12,53 Goed  50C zand 0,29 1,06 Matig  14-c RG Buntgras-[KI. droge graslanden op zandgrond] 0,02 0,56   14-d RG Zandstruisgr-R.haarmos-[K.dr.gras/K.hei.gras] 0,27 0,2   42Aib Berken-eikenbos, subassociatie v Bochtige smele 0,28 0,05    Vogelpootjes-associatie, typische subassociatie 0,26         Trend    Deelgebied 11b: infiltratiegebied (Natuurbad-Schipborg)    Er is voor dit gebied geen herhaalde kartering aanwezig dus een trendanalyse is niet mogelijk.  Naast heidesoorten komen er vegetatietypen voor van droge schraallanden.    Deelgebied 11c: infiltratiegebied (Vredeveld-Bremheuvel)   Uit de herhaalde kartering van het gebied in deelgebied 11c is duidelijk te zien dat kwaliteit van de  stuifzandheide achteruit is gegaan in deze periode. De meest waardevolle subassociatie met  korstmossen is zelfs geheel verdwenen. Dit is te wijten aan de te hoge atmosferische depositie .  Gezien de kritische depositiewaarden, die in de andere gebieden vergelijkbaar zijn, mag worden  aangenomen dat ook hier de kwaliteit van het habitattype te lijden heeft onder het huidige  depositieniveau. Op de andere locaties kwam de Associatie van struikhei en stekelbrem, subass.  cladonia in 1994 al niet meer voor.    Deelgebied 11d: infiltratiegebied (De Strubben)    De stuifzandheide van de Strubben ligt in het noorden van dit deelgebied. Het gebied is recent  samen met het oude eikenbos heringericht, mede ook om de heide weer meer kans te geven. Dit  zal de kwaliteit van de heide ten goede komen.    78</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
79 
 Deelgebied 11g: infiltratiegebied Gasterse Duinen  
De stuifzandheide in de Gasterse Duinen  laat een positieve ontwikkeling zien (mededeling Het 
Drentse Landschap). Dit komt door de stikstofverlichtende maatregelen die de laatste jaren zijn 
genomen. Zo zijn er al veel delen geplagd en wordt er begraasd met koeien en schapen. Dit beheer 
wordt voo rtgezet, deels om de effecten van de huidige depositie te verlichten maar nog meer om 
de stikstofdepositie uit het recente verleden af te voeren.  
 
Systeemanalyse H2310 Stuifzandheiden met struikhei  
Het betreft in dit deelgebied oppervlaktes die meest in een tot rust gekomen voormalig 
stuifzandgebieden liggen. Actief stuifzand is niet meer aanwezig. Voor de instandhouding van dit 
habitattype is daarom een beheerinspanning nodig, waarbij een balans gevonden moet worden 
tussen de vegetatieontwikkeling en de fauna. Te frequent ingrijpen heeft negatieve effecten op de 
fauna.  
 
Knelpunten en oorzakenanalyse H2310 Stuifzandheiden met struikhei  
Gebrek aan dynamiek; er is geen actief stuifzand die zorgt voor instuivend zand in het huidige 
habitatype en vormt de basi s voor nieuw te koloniseren lokaties.  
Ook de overschrijding van de KDW is een knelpunt. Overschrijding is in de referentie situatie en in 
2030 aan de orde. Deze te hoge depositie kan zorgen voor vergrassing en verzuring in dit 
habitattype en hierdoor de kw aliteitsontwikkeling belemmeren.  
 
Leemten in kennis H2310 Stuifzandheiden met struikhei  
Kwaliteit en trend van habitattype zijn  in 11b onbekend door het ontbreken van 
vegetatiegegevens. Onderzoek naar de gewenste intensiteit van het beheer is nodig om een goed 
evenwicht te vinden tussen vegetatiedoelstellingen en fauna. Vooralsnog zetten we in op een 
kleinschalig laag frequent beheer die de achteruitgang stopt en de fauna zo veel mogelijk spaart.  
 
5.2 Gebiedsanalyse  H2320  Binnenlandse  kraaiheibegroeiingen  
5.2.1  inleiding 
Voor het habitattype Binnenlandse kraaiheibegroeiingen in de Drentsche Aa is verbetering van de 
huidige kwaliteit en behoud van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke 
staat van instandhouding is matig ongunstig.  
 
De relatieve b ijdrage van het Drentsche Aa -gebied aan de totale Nederlandse oppervlakte is 
gering.  
 
De Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320) komt in het Drentsche Aa -gebied voor in de 
landschappelijke context van droge heide.  
Effecten stikstofdepositie  
De kritische depositiewaarde voor Binnenlandse kraaiheibegroeiingen is berekend op 1071 
mol/ha/jr. Ook is de aard van de depositie van belang voor een effectenanalyse. Karakteristieke 
korstmossen zijn gevoelig voor hoge ammoniumdeposities . 
 
De overschrijdi ng van de KDW verschilt per deelgebied ( AERIUS  Monitor 16L). Voor de 
referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van 
gemiddeld 1.389  mol N ha-1 jr-1 berekend . Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.186  mol N ha-1 jr-
1.  
 
Verzuring  
De bodems onder Binnenlandse kraaiheibegroeiingen zijn van nature zuur van karakter. Mede 
onder invloed van stikstofdepositie zijn de bodems in het Drentsche Aa -gebied verder verzuurd. Dit 
heeft vooral effect gehad op korstmossen die gev oelig zijn voor de directe effecten van 
stikstofdepositie.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>    Vermesting    De kenmerkende vegetatietypen zijn alle gebonden aan zeer voedselarme omstandigheden, zodat  het habitattype gevoelig is voor vermesting. De huidige stikstofdepositie blijkt in de praktijk geen  aanleiding te geven tot drastische veranderingen in de vegetatie. Dit heeft mogelijk te maken met  de grote concurrentiekracht van kraaihei als dominante soort. De soort lijkt zelf wel te profiteren  van stikstof, waardoor de dominante positie van kraaihei alleen maar groter wordt, behalve waar  het gaat om opslag van boomsoorten. Het is zeer aannemelijk dat jonge bomen die zich eenmaal  hebben gevestigd, sneller groeien als gevolg van stikstofdepositie waardoor de natuurlijke  successie naar bos wordt versneld.    Overzicht van kwaliteit en oppervlakte H2320 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 0,23  Eindtotaal 0,23    Er zijn geen vegetatiegegevens met betrekking tot de trend van het habitattype beschikbaar. Uit  waarnemingen in het veld blijkt echter dat de situatie stabiel is.    5.2.2 Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld    Kwaliteitsanalyse H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Binnenlandse kraaiheibegroeiingen zijn op één locatie bij de grafheuvels ten zuiden van de  Stroetweg op het Ballooërveld te vinden.    Actuele kwaliteit    Op één locatie van 0.23 ha is H2330 aangetroffen. Deze locatie is in eerste instantie mede  toegekend op basis van een luchtfotoanalyse omdat de kartering geen uitsluitsel gaf over het  voorkomen van kraaiheide. Er is derhalve dan ook geen actuele informatie over de totale kwaliteit  van de vegetatie. We weten wel van een terreinbezoek dat boomopslag geen probleem vormt en  de kraaiheide er in geringe hoeveelheid vitaal bij staat. De kwaliteit van het habitattype is echter  niet goed omdat tussen en rond de kraaiheide de heide vergrast is met onder meer pijpenstrootje.  Van de typische soorten is alleen de levendbarende hagedis waargenomen sinds 2000 (NDFF,  SBB). Maar de inventarisatie is onvolledig.    Trend    Er is te weinig informatie aanwezig om een trend aan te geven. De kraaiheide is vitaal en  verbossing is niet aan de orde.    Systeemanalyse H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen    Het habitattype komt voor op een podzolprofiel, op een locatie waar kraaiheide zich heeft  gevestigd. Uitbreiding van het habitattype vindt vooral plaats door vegetatieve uitbreiding van de  aanwezige kraaiheideplanten.    Knelpunten en oorzakenanalyse H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen    Op basis van de N-depositie én de vergrassing van het vlak van het habitattype kan gesteld  worden dat hier sprake is van een N-probleem. Daarnaast is het vlak wel zeer klein voor behoud.  Een uitbreiding is voor behoud gewenst.    Leemten in kennis H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen    Het ontbreken van duidelijke vegetatiegegevens zorgt dat de trend niet goed in beeld kan worden  gebracht.    80</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>    5.3 Gebiedsanalyse H2330 Zandverstuivingen    5.3.1 Inleiding    Voor het habitattype Zandverstuivingen in de Drentsche Aa is behoud van de huidige kwaliteit en  oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat van instandhouding is matig  ongunstig. De verspreiding is sinds 1950 ongeveer gelijk gebleven. Wel is de kwaliteit (landelijk)  achteruitgegaan.    Volgens de habitattypenkaart komt dit type voor in de deelgebied 6, het Balloërveld. Zie hiertoe de  habitattypenkaarten van het betreffende deelgebied hierboven.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het droge zandlandschap  (Bijlsma, et al 2012). Het habitattype betreft hier zandverstuivingen op dekzand. Die qua schaal en  omvang te klein zijn voor een natuurlijk actief stuifzand. Actief beheer is dus noodzakelijk om de  successie te verdragen. Zonder dynamiek van stuivend zand vindt er bodemopbouw plaats  waardoor het habitattype verdwijnt.    Effecten stikstofdepositie    De kritische depositiewaarde voor zandverstuivingen is berekend op 714 mol/ha/jr. Door deze  depositie wordt de bodemopbouw versneld door de accumulatie van stikstof en organische stof.  Ook is de aard van de depositie van belang voor een effectenanalyse. Karakteristieke korstmossen  zijn gevoelig voor hoge ammoniumdeposities.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.113 mol N ha' jr‘ berekend . Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 945 mol N ha? jr?.    Verzuring   De bodems onder zandverstuivingen zijn van nature zuur van karakter. Mede onder invloed van  stikstofdepositie zijn de bodems in het Drentsche Aa-gebied verder verzuurd. Dit heeft vooral effect  gehad op korstmossen die gevoelig zijn voor de directe effecten van stikstofdepositie, met name in  de vorm van ammonium, maar ook door toename van vergrassing als gevolg van een hogere  stikstofbeschikbaarheid in de bodem.    Vermesting   In het Drentsche Aa-gebied zijn kenmerkende vegetatietypen alle gebonden aan zeer voedselarme  omstandigheden, zodat het habitattype hier gevoelig is voor vermesting. Verhoogde  stikstofdepositie zorgt voor een versnelde successie doordat de vegetatie stikstof-gelimiteerd is en  stikstofdepositie de beschikbaarheid van stikstof vergroot daarboven op wordt de bodemopbouw  versneld. Dit gaat mede gepaard met een toename van de plantbiomassa waardoor het oppervlak  aan kale grond afneemt. De versnelde groei van grassen, klauwtjesmos en struikhei zorgen ervoor  dat de schaduwwerking toeneemt en mossen (met name levermossen) en korstmossen sterk  afnemen in bedekking. Een lagere nutriëntenbeschikbaarheid in deze habitattypen zal daarom  leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het habitattype maar ook er voor zorgen dat  bodemopbouw vertraagd wordt waardoor minder menselijke interventie nodig is om het  habitattype te handhaven.    Overzicht van kwaliteit en oppervlakte H2310 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 0.24  Matig 0.02  Onbekend 2.76  zoekgebied 0.69  Eindtotaal 3.71    81</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>    5.3.2 Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld    Kwaliteitsanalyse H2330 Zandverstuivingen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Zandverstuivingen liggen verspreid op voormalige militair-oefenterrein op het Ballooérveld. De  oppervlakte van het habitattype bedraagt 3.02 ha in dit deelgebied, Daarnaast is nog 0.69 ha  aangewezen als zoekgebied voor dit habitattype.    Actuele kwaliteit    Er is maar een kleine oppervlakte (0.26 ha) met een goede kwaliteit. Er zijn slechts twee typische  soorten waargenomen, buntgras en heivlinder. Mogelijk zijn er meer soorten aanwezig maar een  gerichte inventarisatie ontbreekt.    Tabel 6 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H2330    SBB_CODE SBB_NAAM Kwaliteit  14Ala Ass. v Buntgras en Heidespurrie, subass cladonia Goed    14A1b Ass. v Buntgras en Heidespurrie, verarmde subass Goed  onbekend onbekend         Trend   De oppervlakte stuifzand is door het stopzetten van militaire oefeningen verkleind.   Omdat er geen recente inventarisatie van de kartering van het Ballooërveld is er kwalitatief geen  trend aan te geven.    Systeemanalyse H2330 Zandverstuivingen    Zandverstuivingen hebben een zekere dynamiek nodig om de successie en bijbehorende  bodemopbouw tegen te gaan. Op het Ballooërveld kwam de dynamiek door het militairgebruik  voor natuurlijke winddynamiek zijn de oppervlaktes te klein.    Knelpunten en oorzakenanalyse H2330 Zandverstuivingen    Gebrek aan dynamiek; er is geen actief stuifzand dat zorgt voor instuivend zand in het huidige  habitatype en vormt de basis voor nieuw te koloniseren locaties.   Daarnaast is de te hoge N-depositie een knelpunt. De depositiecijfers laten slechts een geringe  overschrijding zien. Omdat de depositie uit het verleden ook nog steeds een rol speelt worden voor  dit habitattype toch herstelmaatregelen genomen.    Leemten in kennis H2330 Zandverstuivingen    Er is geen recent beeld van de vegetatie.    5.4 Gebiedsanalyse H3160 Zure vennen    5.4.1 Inleiding    Voor het habitattype H3160 Zure vennen in de Drentsche Aa is behoud van de oppervlakte en  verbetering van de kwaliteit geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat van  instandhouding is matig ongunstig.    Volgens de habitattypenkaart komt dit type voor in de deelgebieden 6, 7a, 10c, 11e en 11g. Zie  hiertoe de habitattypenkaarten van de betreffende deelgebieden hierboven.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het natte zandlandschap  (Everts et al. 2012). Zure vennen vormen het pionierstadium In de laagten met een  schijngrondwaterspiegel. In Drenthe worden deze laagtes veentjes genoemd. In  schijnspiegellaagten kunnen verschillende successiestadia worden aangetroffen, beginnend met de    82</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>    reeds genoemde Zure vennen (H3160) en eindigend in een vegetatie van het subhabitattype  Actieve hoogvenen (_Heideveentjes, H7110B). In de Drentsche Aa worden in veel  schijnspiegellaagten mozaïeken aangetroffen van verschillende plantengemeenschappen die  kenmerkend zijn voor de   Verschillende verlandingsfasen (successiestadia) van open water naar Heideveentjes.    Effecten stikstofdepositie    De kritische depositiewaarde voor zure venen is berekend op 714 mol/ha/jr. De te hoge depositie  zorgt in de heideveentjes van het Drentsche Aa-gebied met name voor vermesting. Doordat de  systemen al zuur zijn speelt verzuring een minder grote rol. Depositieniveaus boven de kritische  stikstofdepositiewaarde (714 mol/ha/jaar) kunnen vooral leiden tot vermesting van zure vennen.  In vermestte vennen hoopt stikstof zich voornamelijk op in de vorm van ammonium. In de  waterlaag bevordert stikstofdepositie de algengroei waardoor veenmosontwikkeling wordt geremd.  Van te hoge stikstofconcentraties in de oeverzone profiteert vooral pijpenstrootje. Deze soort kan  met name dominant worden onder vermestte omstandigheden bij een niet optimale hydrologische  situatie waardoor waterstanden 's zomers te diep weg zakken.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.380 mol N ha’! jr‘ berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.178 mol N ha? jr  1    Vermesting   Depositieniveaus boven de kritische stikstofdepositiewaarde 714 mol/ha/jaar kunnen vooral leiden  tot vermesting van zure vennen. In vermestte vennen hoopt stikstof zich voornamelijk op in de  vorm van ammonium. In de waterlaag bevordert stikstofdepositie de algengroei en op de oever  profiteert vooral Pijpenstrootje hiervan. Deze soort komt met name dominant voor onder  vermestte omstandigheden indien de hydrologische situatie niet optimaal is en de waterstanden   ‘s zomers te diep weg zakken.    overzicht van kwaliteit en oppervlakte H3160 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 0,48  Matig 0,91  zoekgebied 3.22  Eindtotaal 4.61    De overall Trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is onbekend. Hierbij moet worden  opgemerkt dat de locale hydrologie de belangrijkste sturende factor is voor de trend.    5.4.2 Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooérveld    Kwaliteitsanalyse H3160 Zure vennen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Het betreft hier twee veentjes; het veentje nabij de Osdijk en De Slokkert. Totaal gaat het om een  oppervlakte van 0,78 ha,    Actuele kwaliteit    Twee locaties zijn gerekend tot het habitattype zure vennen. Een ven nabij de Osdijk en één bij de  Slokkert.    Tabel 7 overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H3160         SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  o9Bla Associatie v Slangewortel, typische subassoc. 0,24 Goed  09Bib Associatie v Slangewortel, soortenarme subassoc. 0,2 Goed  50A water 0,34 Matig    83</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit    09-k RG Pitrus-[Klasse der kleine Zeggen] 0,56  39A-a RG Hennegras-[Elzen-verbond] 0,12         Trend   Geen recente informatie behalve dat de oppervlakte van open water sinds eind vorige eeuw is  gehalveerd. Het ven nabij de Osdijk is bijna geheel dicht gegroeid met veenmos. Dit is de  natuurlijke successie van de zure venen in Drenthe. In de tijd groeit het open water dicht en  ontwikkelen de vennen tot heideveentjes. Het ven bij de Slokkert is sterk vernat en daardoor  vergroot.    Systeemanalyse H3160 Zure vennen    Hoge en stabiele grondwaterstanden boven en in het maaiveld zijn vereist omdat in verdroogde  vennen mindere groei van veenmos optreedt. Vaker droog vallen remt ook de drijftilvorming.  Herstel van deze lokale hydrologie kan worden gerealiseerd door bij het veentje nabij de Osdijk de  greppel/overstort naar het beekdal te dempen. Bij de Slokkert is de situatie al ten dele  geoptimaliseerd, waardoor de stikstofdepositie als belangrijkste sturende knop overblijft.    Knelpunten en oorzakenanalyse H3160 Zure vennen    Naast de te hoge stikstofdepositie is er ten dele nog sprake van drainerende greppels/sloten, die  kunnen worden aangepakt.    Leemten in kennis H3160 Zure vennen    Vegetatiekarteringen ontbreken of zijn verouderd. Lokale hydrologie is niet goed in beeld.    5.4.3 Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop    Kwaliteitsanalyse H3160 Zure vennen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Het betreft in dit deelgebied een veentje. Het zure ven ligt in het noordelijk deel van deelgebied 7  (tussen het Deurzerdiep/afwateringskanaal naar het Havenkanaal/NW-kanaal en het Loonerdiep).  Het veentje heeft een oppervlak van 376 m?.    Actuele kwaliteit    Het veentje kent een goed ontwikkelde vegetatie (Associatie van Slangenwortel, soortenarme  subassociatie). Er zijn sinds 2000 geen typische soorten waargenomen, dit wil echter niet zeggen  dat ze er niet zijn. Soortsgegevens zijn geëxtraheerd uit de NDFF en Staatbosbeheer data, deze is  waarschijnlijk niet volledig en oorspronklijk niet opgezet om Natura 2000-soorten in beeld te  brengen.    Tabel 8 overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H3160    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  09Bib Associatie v Slangewortel, soortenarme subassoc. 0,04 Goed         Trend  Geen informatie behalve dat het oppervlak open water sinds eind vorige eeuw is gehalveerd.    Systeemanalyse H3160 Zure vennen    De hydrologische uitgangssituatie wordt bepaald door de ligging tussen een kleine rug en het  afwateringskanaal, met maaiveldhoogteverschillen van 2 á 2,5 meter tussen het ruggetje en het  ven. Het beheer is op orde, waarbij de omgeving geplagd is en de ontwatering van de directe  omgeving is stopgezet. Daardoor zijn de belangrijkste mogelijkheden om tot verdere  kwaliteitsverbetering te komen gelegen in systeemherstel door ingrepen in de boven-lokale  hydrologie.    84</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>    Knelpunten en oorzakenanalyse H3160 Zure vennen    Verdroging is de voornaamste oorzaak voor de beperkte oppervlakte kwalificerend habitat en ook  kwaliteitsverbetering kan vooral door verdrogingbestrijding bereikt worden. Lokaal is niet veel  meer mogelijk, regionaal gaat het vooral om beekpeilverhoging.    Leemten ín kennis H3160 Zure vennen    Er is geen aparte studie die de hydrologie van dit wat geïsoleerd liggende ven verder in beeld  brengt.    5.4.4 Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de  Hondsrug  Kwaliteitsanalyse H3160 Zure vennen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding  Het betreft hier een veentje bij Scheebroek. Het habitattype heeft een oppervlakte van 186 m?,    Actuele kwaliteit  Tabel 9 overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H3160    SBB_CODE SBB_NAAM “oPP_act Kwaliteit  06-d RG Knolrus -veenmos (Oeverkr kl/ kl hoogveenslenken) 0.1  12B-h RG Gewone waterbies (riet kl/zilverschoon ver) 0.05         In 2014 zijn hier grote plakkaten dril van de heikikker aangetroffen.    Trend  Geen informatie behalve dat het oppervlak open water sinds eind vorige eeuw is gehalveerd.    Stikstofdepositie in relatie tot de kritische depositiewaarde (KDW)    Voor dit type is in 2014 het depositieniveau te hoog. In 2020 en 2030 is de stikstofdepositie in  vergelijking met de depositie in 2014 gedaald. Er is echter nog steeds sprake van een sterke  overbelasting. Depositieniveaus boven de kritische stikstofdepositiewaarde (714 mol/ha/jaar)  kunnen vooral leiden tot vermesting van zure vennen. In vermestte vennen hoopt stikstof zich  voornamelijk op in de vorm van ammonium. In de waterlaag bevordert stikstofdepositie de  algengroei waardoor veenmosontwikkeling wordt geremd. Van te hoge stikstofconcentraties in de  oeverzone profiteert vooral pijpenstrootje. Deze soort kan met name dominant worden onder  vermestte omstandigheden bij een niet optimale hydrologische situatie waardoor waterstanden 's  zomers te diep weg zakken.    Systeemanalyse H3160 Zure vennen    De omgeving van dit veentje is recent geplagd. Het ven ligt dan ook in een open omgeving. De  lokale hydrologie van het ven is niet bekend. Wel is onlangs het Scheebroekerloopje opnieuw  ingericht waardoor de omgeving van het ven zal vernatten. Hoge en stabiele grondwaterstanden  boven en in het maaiveld zijn vereist omdat in verdroogde vennen mindere groei van veenmos  optreedt. Vaker droogvallen, remt ook de drijftilvorming.    Knelpunten en oorzakenanalyse H3160 Zure vennen    Naast de te hoge N-depositie zijn door gebrek aan informatie overige knelpunten nu niet in beeld.    Leemten in kennis H3160 Zure vennen    Lokale hydrologie van het veentje is niet goed in beeld. Informatie over peilfluctuaties is belangrijk  voor de keuze van beheer. Gegevens over de vegetatieontwikkeling ontbreken waardoor de trend  niet kan worden geanalyseerd. De verwachting is dat de recent genomen maatregelen in de    85</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
86 
 omgeving van dit veentje een positief effect hebben op het habitattype.  
 
5.4.5  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  
Kwaliteitsanalyse H3160 Zure vennen op standplaatsniveau  
Actuele  verspreiding  
Het habitattype zure vennen kom t voor in Dijkveld 11e in een natte laagte in een voormalig 
landbouwgebied en waarschijnlijk ook in de Gasterse Duinen 11g. Het is in de Gasterse duinen als 
zoekgebied aangegeven op de habitattypenkaart. Het habitattype heeft een oppervlakte van 0,56 
ha en  3,2 ha zoekgebied.  
 
Actuele  kwaliteit  
In Dijkveld betreft het een natte laagte in een voormalig landbouw perceel. Hier heeft zich een 
pioniervegetatie gevestigd van Knolrus en veenmos die in de tijd zich zou kunnen gaan ontwikkelen 
tot een meer soortenrij k zuur ven.  
Vernatting in het verleden heeft hier geleid tot het ontstaan van het ven in de Gasterse Duinen. 
Het Achterste veen in de Gasterse duinen voldoet hoogstwaarschijnlijk aan de criteria voor zure 
vennen. Op één locatie komen Lavendelheide, Ronde z onnedauw, Kleine veenbes, Witte snavelbies 
en Waterdrieblad bij elkaar voor. Er zijn ook Hoogveenmos en Wrattig veenmos aanwezig. Ook 
elders komen verspreid de eerste groep soorten aanwezig. Daarnaast komen eenarig wollegras, 
waterveenmos en andere veenmos soorten voor. In grote vlakken komt gagel voor. Duidelijk is dat 
hier zowel de hoogveenslenkvegetatie van H3160 voorkomen en mogelijk ook zelfs 
vegetatievlakken die aan de criteria van actieve hoogvenen type heideveentjes voldoet. Van de 
typische soorten z ijn geen waarnemingen bekend sinds 2000 (NDFF, SBB).  
 
Trend  
Geen informatie behalve dat het oppervlak open water sinds eind vorige eeuw is gehalveerd in de 
Gasterse duinen. Dit is gunstig omdat dat betekent dat waarschijnlijk de normale successie van 
verlanding richting heideveentjes gaande is. In Dijkveld bevindt het habitattype zich in een 
pionierstadium.  
 
Knelpunten en oorzakenanalyse H3160 Zure vennen  
Buiten de te hoge N -depositie zijn door gebrek aan informatie de knelpunten nu niet in beeld.  
 
Leemten in kennis H3160 Zure vennen  
Het ontbreken van een goede vegetatiekartering en kartering van soorten.  
 
5.5 Gebiedsanalyse  H4010A  Vochtige  heiden  
5.5.1  Inleiding  
Voor het habitattype Vochtige heiden in de Drentsche Aa is verbetering van de huidige kwaliteit en 
uitbrei ding van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat van 
instandhouding is matig ongunstig. De verspreiding is sinds 1950 ongeveer gelijk gebleven, wel is 
de kwaliteit achteruitgegaan door vergrassing en verbossing. De relatieve bi jdrage voor 
instandhouding van H4010A van de Drentsche Aa is gemiddeld.  
 
Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het natte zandlandschap 
(Everts et al. 2012). In het Drentsche Aa -gebied vormen vochtige laagten zonder 
schijngron dwaterspiegel de basis voor vochtige heiden. Maar vochtige heiden kunnen ook 
voorkomen in verdroogde veentjes (H7110B).  
Effecten stikstofdepositie  
De kritische depositiewaarde voor stuifzandheiden met struikhei is berekend op 1214 mol/ha/jaar.  
Maar niet alleen de huidige depositie maar ook verhoogde depositie in het verleden kan nu nog 
effect hebben op Vochtige heiden. Accumulatie van stikstof in de organische stof laag van het </pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>    bodemprofiel van de stikstofhuishouding hebben aangatast waarvan met name de grassen  profiteren.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1,229 mol N ha! jr! berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.048 mol N ha! jr  1    Verzuring   Volgens de herstelstrategie kan verzuring alléén niet leiden tot het verdwijnen van het habitattype.  Verzuring kan er wel toe leiden dat sommige kenmerkende vegetaties binnen de grenzen van het  habitattype in het gedrang komen. Dit geldt onder meer voor soorten als beenbeek en  heidekartelblad.    Vermesting   Het meest gevoelig voor vermesting is de Associatie van Gewone dophei (Runhaar et al. 2009). Dit  vegetatietype is bepalend voor de aanwezigheid van het habitattype. Binnen de Associatie van  Gewone dophei is de subassociatie met veenmossen het meest gevoelig voor aanvoer van stikstof.  Natte veenmosrijke heiden kunnen onder invloed van hoge atmosferische depositie in korte tijd  dichtgroeien met pijpenstrootje. Maar ook andere vochtige heiden kunnen dichtgroeien met  pijpenstrootje. Hierbij speelt een rol dat de stikstof vooral beschikbaar komt in de vorm van  ammonium. Pijpenstrootje profiteert daarvan, in tegenstelling tot andere soorten die juist een  toxische invloed ondervinden van ammonium. Deze vorm van vergrassing is ook in het Drentsche  Aa-gebied het belangrijkste stikstofeffect    overzicht van kwaliteit en oppervlakte H4010A in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 51,87  Matig 5,10  zoekgebied 3,28  Eindtotaal 60,25    De overall Trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is onbekend. Hierbij moet worden  opgemerkt dat het habitattype goed is te handhaven door plaggen.    5.5.2 Deelgebied 2: De overgang beneden- middenloop bij Westlaren    Kwaliteitsanalyse H4010A Vochtige heiden op standplaatsniveau    Actuele verspreiding  Dit habitattype komt niet meer voor in deelgebied 2 in 2011. De habitattypekaart wordt hierop  aangepast.    Actuele kwaliteit    Op de plekken waar vochtige heide is aangegeven op de habitattypenkaart betreft het nu  moerasvegetaties met kenmerken van de Associatie van Stijve zegge en de Associatie van Geoorde  wilg (veldbezoek 2011). Het zijn plekken waar grondwater uittreedt op de rand van twee veentjes.    Tabel 10 overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4010A  SBB Code Naam 1994 (ha) kwaliteit    11A-a RG Dophei-[Dophei-verbond] 0.07 Goed  20Aie Ass. v struikhei en stekelbrem, srt.-arme sub. 0.12         Trend    Op de locaties waar in 1994 de heide vegetaties zijn waargenomen vindt men nu  moerasvegetaties. Deze verandering is het effect van het stoppen van de waterwinning bij    87</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>    Zuidlaren waardoor door systeemherstel het grondwater omhoog is gekomen. Maar door het  ontbreken van peilbuizen op de juiste locaties is dit niet met zekerheid te zeggen.   Visie   De habitatkaart van de Drentsche Aa moet worden bijgewerkt. Daardoor zal H4010A verdwijnen uit    deelgebied 2. Het betreft hier slecht 0,07 ha (0,1%) van 60,25 ha Vochtige heide voorkomend in  de gehele Drentsche Aa, Van deze 60,12 ha is 3,28 ha zoekgebied.    5.5.3 Deelgebied 3: De middenloop; Schipborgsche diep    Kwaliteitsanalyse H4010A Vochtige heiden    Actuele verspreiding    Het betreft hier fragmentarische ontwikkeling van dopheide op twee pas geplagde percelen. Het  gaat totaal om en oppervlakte van 0,014 ha    Actuele kwaliteit    Er is slechts een heel klein aspect van dopheide aanwezig op een plagplek. Er zijn sinds 2000  Groentje en levendbarende hagedis als typische soorten van dit habitattype waargenomen in  deelgebied 3. (SBB, NDFF)    Tabel 11 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4010A    SBB_CODE | SBB_NAAM ' OPP_act N2000_type  11A2f Associatie v Gewone dophei, soortenarme subass. 0,01 goed  16-i RG G.struisg-G. biggek-[K.dr.gras.zand/K.vo.gras] 0,21  400 VOORLOPIG ONBEKEND 0,26         Trend    De verdere ontwikkeling op de geplagde percelen is nog onduidelijk. Als de vegetatie verder dicht  groeit, zal de onderlinge concurrentie van soorten een groter rol gaan spelen en wordt de invloed  van lokale milieu factoren groter.    Systeemanalyse H4010A Vochtige heiden    Het gaat hier om fragmentarische ontwikkeling van vochtige heiden op kale bodem. Gezien de  ligging van de percelen op de beekdalflank zou bij verder systeemherstel de kans aanwezig zijn dat  de percelen zich ontwikkelen tot heischrale graslanden. Monitoring van de ontwikkeling zal hier  meer inzicht in geven.    Knelpunten en oorzakenanalyse H4010A Vochtige heiden    Deze initiële vegetatie ontwikkeling geeft geen enkele informatie over de duurzaamheid van het  habitattype bij voortschrijdende successie.    Leemten in kennis H4010A Vochtige heiden    Ontwikkeling op termijn is onduidelijk.    5.5.4 Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld    Kwaliteitsanalyse H4010A Vochtige heiden    Actuele verspreiding    Vochtige heiden vindt je in deelgebied 6 verspreid over het Ballooérveld. Het gaat om in totaal om  48,16 ha.    88</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>    Actuele kwaliteit    De actuele kwaliteit van de natte heide op het Ballooërveld is redelijk. Van de typische soorten  ontbreken de soorten kenmerkend voor stabiel natte situaties.    Tabel 12 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4010A    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  11A-a RG Dophei-[Dophei-verbond] 7,62 Goed  11A2f Associatie v Gewone dophei, soortenarme subass. 40,32 Goed  11-i RG Pijpestrootje-[K.veenbult.nat.hei/K.hei.gras] 0,05 Matig    RG Pijpestrootje-[K.veenbult.nat.hei/K.hei.gras] 0,18 Matig         Trend    Geen informatie. Het huidige beheer is er op gericht om de heide te behouden en verbeteren maar  door ontbreken van recente karteringsinformatie is geen trend aan te geven    Systeemanalyse H4010A Vochtige heiden    De zogenaamde blauw rood kaart van von Freitag Drabbe uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw  kan je duidelijk zien dat in het verleden het Ballooérveld natter was (H. Massop & N. Straathof) .  Dit geld met name voor het noordelijke deel maar ook in het zuiden was het systeem bij  Smalbroeken duidelijk natter. In het Noordelijke deel gaat het om de Galgriet en een stroet die  vanaf het centrum van het Ballooérveld liep richting het beekdal van het Looner diep en daar bij  Taarlo in uitmondde. De loop van de laatst genoemde stroet liep ongeveer gelijk met de ligging van  de huidige tankgracht, die in de tweede wereld oorlog is gegraven. Het is dan ook waarschijnlijk  dat deze ingreep de oorzaak is dat hij nu is verdroogd.    Knelpunten en oorzakenanalyse H4010A Vochtige heiden    De tankgracht is nog een belangrijke oorzaak van de verdroging van het Ballooérveld. Ook zorgt de  huidige ontwatering van de stroeten Smalbroeken en Galgriet dat de systeemgradiént hier nog niet  goed ontwikkeld is waardoor verdroging optreed van onder meer potentiéle natte heide.    Leemten in kennis H4010A Vochtige heiden    Geen    5.5.5 Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop    Kwaliteitsanalyse H4010A Vochtige heiden    Actuele verspreiding    Vochtige heiden vind je in deelgebied 7a op twee kleine locaties op de beekdalflank bij Dijkveld.  Het gaat om in totaal 671 m?.    Actuele kwaliteit    De natte heiden liggen deels op de flank van het beekdal waar het in combinatie met kleine zegge  gemeenschappen voorkomt. De kwaliteit is goed te noemen al is de omvang klein. Wat  waarschijnlijk ook de reden is dat alleen de levendbarende hagedis als typische soort is  waargenomen.    Tabel 13 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4010A    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  11-k RG Beenbreek-[KI. hoogveenbult. en natte heiden] 0,04 Goed    11A-a RG Dophei-[Dophei-verbond] 0,01 Goed  RG Zwarte zegge-Moerasstruisgras-[Vb. Zw. zegge] 0,03  RG Grote veenbes-[K.kl.Zegge/K.hveenbul. nat. hei] 0,02         89</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>    Trend  geen informatie    Systeemanalyse H4010A Vochtige heiden    De vochtige heiden liggen op de overgang naar het beekdal op venig substraat. De zuidwestelijkste  van de twee watert, via een greppel en sloot af op het dal. Dit ontwatert de situatie, waardoor het  wat is verdroogd. Het is waarschijnlijk dat het bij het noordoostelijk gelegen veldje ook om  verdroging gaat. Verder is er van deze twee locaties niet veel bekend.    Knelpunten en oorzakenanalyse H4010A Vochtige heiden    Vergrassing is een knelpunt voor het zuidwestelijke heideveldje en hoogst waarschijnlijk ook voor  het noordoostelijke veldje. Verdroging is naast de N-deposite waarschijnlijk de oorzaak.    Leemten in kennis H4010A Vochtige heiden    Lokale landschapsecologische situatie van het noordoostelijke veldje is onbekend.    5.5.6 Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen    Kwaliteitsanalyse H4010A Vochtige heiden op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Vochtige heiden vind je in deelgebied 8b op een kleine locatie bij het Horstveen ten noorden van  Amen. Het gaat om een oppervlakte van 422 m?.    Actuele kwaliteit    De natte heide ligt op de rand van het Hortsveen en lijkt verdroogd. Typische soorten zijn sinds  2000 niet waargenomen(NDFF, SBB).    Tabel 14 overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4010A    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  11A2c Associatie v Gewone dophei, typische subassoc. 0,04 Goed  11-f RG struikhei. -Heiklauw. mos[Kl.h.veenb.,‚nat.hei. ] 0,28         Trend  geen informatie    Systeemanalyse H4010A Vochtige heiden    De vochtige heide vinden we op de flank van het beekdal aan de rand van een niet kwalificerend  veentje. Aan de westzijde ligt een weg met bermsloot. Het samen voorkomen van de associatie  van Dopheide met een hoge bedekking van stuikheide met heideklauwtjesmos duidt op verdroging  in een ouder heidestadium. Of dit komt door de bermsloot of de ontwatering in het beekdal is niet  duidelijk.    Knelpunten en oorzakenanalyse H4010A Vochtige heiden    Verdroging en veroudering lijken knelpunten voor de vochtige heide.    Leemten in kennis H4010A Vochtige heiden    De lokale hydrologie is niet in beeld.    90</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>    5.5.7 Deelgebied 9: oostelijke boven-middenloop; het Andersche diep    Kwaliteitsanalyse H4010A Vochtige heiden op standplaatsniveau    Actuele verspreiding  Vochtige heiden vind je in deelgebied 9 op de Hoornse bulten. Het habitattype is 0,54 ha groot    Actuele kwaliteit    De vegetatie van de vochtige heide op de Hoornse bulten is goed. Dit komt vooral door het  uitgevoerde beheer, Wel zijn alle typische soorten niet waargenomen sinds 2000 behalve  kussentjesveenmos (NDFF, SBB).    Tabel 15 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4010A    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  11-j RG Gg.zegge-Dw.zegge-[K.hveen. hei/V. Biez. Pijpes] 0,12 Goed  RG Beenbreek-[KI. hoogveenbult. en natte heiden] 0,12 Goed  RG Dophei-[Dophei-verbond] 0,18 Goed    Associatie v Gewone dophei, subass. v veenmos 0,09 Goed  Ass. v Gewone dophei, subass. v Gevlekte orchis 0,03 Goed  RG Veelst. w. bies-Veenmos-[Oeverkr./KI.h.veensl.] 0,01  Ass. Moeraswolfsklauw en Snavelbies, typ. subass 0,04         Trend    De Hoornse bulten laat wat betreft vegetatieontwikkelingen een zorgelijke trend zien. Kwamen er  in 1996 nog lokaal overgangs- en trilvenen voor in 2003 waren er nog twee kleine snippers van dit  type aanwezig. Anno 2009 zijn deze vegetatietypen geheel verdwenen. Dit duidt er op dat het  hellingveen zoals ook wordt beschreven in het gradiënten document niet meer goed functioneert.  De aanvoer van aangereikt grondwater is verminderd waar door ook het terrein droger is  geworden. Dit is op de langere termijn ook nadelig voor de kwaliteit van de natte heide hoewel hij  door het uitgevoerde beheer nu nog in goede staat verkeerd,    Knelpunten en oorzakenanalyse H4010A Vochtige heiden    e _Gradiënt is niet volledig aanwezig.  e waterplas bij ruimsloot heeft een negatief effect op inzijggebied.  e ontwatering door sloten en greppels.    Leemten in kennis H4010A Vochtige heiden    De invloed van de grondwaterstroompatronen door waterwinning en zandwinning. Deze hebben  vooral effect op de westflank van het Anderense diep.    5.5.8 Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de  Hondsrug    Kwaliteitsanalyse H4010A Vochtige heiden op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    De vochtige heide in deelgebied 10c bevindt zich op het Eexterveld, Het betreft hier in totaal 2,71  ha.    Actuele kwaliteit    De actuele kwaliteit van de natte heide op het Eexterveld is goed. Het komt op het Eexterveld voor  in mozaïek met blauwgraslanden en heischrale graslanden. Van de typische soorten ontbreken de  soorten, die kenmerkend zijn voor stabiele natte situaties.    91</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>    SBB_NAAM OPP act Kwaliteit   RG Beenbreek-[Kl. hoogveenbult. en natte heiden] 0,01 Goed  RG Dophei-[Dophei-verbond] 0,14 Goed  Associatie v Gewone dophei, typische subassoc. 1,21 Goed  Ass. v Gewone dophei, subass. v Gevlekte orchis 0,19 Goed  Associatie v Gewone dophei, soortenarme subass. 0,22 Goed  RG Pijpestrootje-Veenmos-[K.hveensl/K.hveen. heil 0 Matig  RG Pijpestrootje-[K.veenbult. nat. hei/K.hei.gras] 0,62 Matig  Ass. Moerasstruisgras-Zompzegge, subass. Veldrus 0,02   Ass. Moeraswolfsklauw en Snavelbies, typ. subass 0,12   RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,07  Blauwgrasland, typische subassociatie 0,01  Blauwgrasland, subassociatie van Borstelgras 0,01  Veldrus-associatie, soortenarme subassociatie 0,02   Associatie van Liggend walstro en Schapegras 0,06   Ass. struikhei en stekelbrem, subass. Tandjesgr. 0,09   Ass. v struikhei en stekelbrem, srt.-arme sub. 0,1   Associatie van Geoorde wilg 0,04   RG Pijpestrootje-[Verbond der berkenbroekbossen] 0,02         Trend    Het oppervlak natte heide is de afgelopen vijftien jaar toegenomen. Dit lijkt deels ten koste te zijn  gegaan van de vochtige en natte vegetatietypes, die behoorden tot Heischrale graslanden of  potenties hier toe hadden. Dit duidt op verdere verdroging en/of verzuring van het gebied. Dit is  ongunstig. Zie ook de tekst over Heischrale graslanden verderop.    Systeemanalyse H4010A Vochtige heiden    Van nature vindt je natte heide op alle lage infiltratieplekken in het Eexterveld. Op deze locaties is  het door de aanwezigheid van potklei en of keileem van nature te nat voor droge heide. In de  huidige situaties zit echter ook droge heide lager in het systeem. Dit duidt erop dat er nog  verdroging optreedt.    Knelpunten en oorzakenanalyse H4010A Vochtige heiden    Het voorkomen van droge heide in lage delen duidt op verdroging en verzuring. Het  verdrogingsvraagstuk van het Eexterveld moet daarom de komende periode onderzocht worden.    5.5.9 Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden    Kwaliteitsanalyse H4010A Vochtige heiden op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Het habitattype Vochtige heiden komt voor in; de Vijftigbunder (11a); 4,82 ha, Vredeveld-  Bremheuvel (11c); 0,57 ha en Kampsheide (11f); 3,29 ha zoekgebied.    Actuele kwaliteit    Alleen van Vredeveld-Bremheuvel (11c) zijn vegetatiekarteringsgegevens beschikbaar. Hieruit blijkt  dat het habitattype matig van kwaliteit is. Pijpenstrootje vormt een belangrijke component in de  vegetatie en zorgt voor vergrassing. Deze vergrassing is ook een probleem in de andere twee  deelgebieden. De heide van de Vijftig Bunder heeft, zeker in verhouding tot zijn geringe omvang,  een bijzondere flora. Er groeien schaarse en bedreigde soorten als valkruid, gevlekte orchis en  klokjesgentiaan. Verder is de Vijftig Bunder van belang als leefgebied van de levendbarende  hagedis.    92</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>    Tabel 17 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4010A in deelgebied Vredeveld-  Bremheuvel 11c    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  11-k RG Beenbreek-[KI. hoogveenbult. en natte heiden] 0,02 Goed  RG Dophei-[Dophei-verbond] 0,05 Goed    Associatie v Gewone dophei, typische subassoc. 0,12 Goed  RG Pijpestrootje-[K.veenbult.nat.hei/K.hei.gras] 0,2 Matig  DG Wilde gagel-[KI. hoogveenbult. en natte hei.] 0,14 Matig  Ass. v struikhei en stekelbrem, srt.-arme sub. 0,03         Trend    Deelgebied 11a: infiltratiegebied (Vijftigbunder)    Na een periode van afname gaat het hier de laatste jaren beter met de vochtige heide. Dat is mede  te danken aan gerichte beheersmaatregelen, zoals uitrasteren van de groeiplaatsen en handmatig  plaggen en belemen en uitwisseling van zaden met andere groeiplaatsen in het geval van de  wolverlei. Andere bijzondere plantensoorten zijn klein warkruid, liggende vleugeltjesbloem en  heidekartelblad.    Deelgebied 11c: infiltratiegebied (Vredeveld-Bremheuvel)    De gegevens van H4010A Vochtige heiden in dit deelgebied komen bijna allemaal uit 1994. Een  analyse van de ontwikkeling in de laatste vijftien jaar is dus niet goed te maken, op een vlak na  dat in 2008 wel is gekarteerd als vochtige heide en in 1994 nog tot de soortenarme droge heide  werd gerekend. Een vegetatiekartering aan het eind van de eerste beheerplanperiode is  noodzakelijk om de ontwikkeling te kunnen volgen.    Hoewel de overschrijding van de KDW voor stikstofdepositie slecht deels aan de orde is hebben de  te hoge depositiewaarden in het verleden geleid tot een vergrassingsprobleem in de vochtige  heiden van de infiltratiegebieden.    Systeemanalyse H4010A Vochtige heiden    Deelgebied 11a: infiltratiegebied (Vijftigbunder)    De Vijftig Bunder kent een geschiedenis van afwisselend bos en heide. Op de kaart van1899 is het  gebied bijna geheel bebost met aangeplant naaldhout. Daarvoor was het een open heide- en  stuifzandgebied. Tegenwoordig bestaat de kern van de Vijftig Bunder weer uit heide.    Deelgebied 11c: infiltratiegebied (Vredeveld-Bremheuvel)    In infiltratiegebied (Vredeveld-Bremheuvel) 11c liggen de plekken vochtige heide op lage, natte  plaatsen in de stuifzandheide.    Deelgebied 11f: infiltratiegebied (Kampsheide)    Naast de negatieve invloed van stikstofdepositie is Kampsheide ook beïnvloed door verdroging als  gevolg van lokale ontwatering, vroegere ontwatering van het aangrenzende beekdal, ontwatering  in het landbouwgebied op het plateau en de grondwaterwinning Assen. De invloed van de  grondwaterwinning Assen is verminderd. Recent kan een vernatting zijn opgetreden door interne  vernattingsmaatregelen in het beekdal.    Knelpunten en oorzakenanalyse H4010A Vochtige heiden  Deelgebied 11a: infiltratiegebied (Vijftigbunder)   De aanwezige tankgracht zorgt voor verdroging in de natte heide.  Deelgebied 11f: infiltratiegebied (Kampsheide)    De Vochtige heide in Kampsheide (11f) is sterk vergrast door de atmosferische depositie in het  verleden. Deze nutriënten zitten nu nog in het systeem en dienen door actief beheer afgevoerd te  worden.    93</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>    Leemten in kennis H4010A Vochtige heiden    Vegetatiekarteringen ontbreken in een groot deel van dit deelgebied. Hierdoor is de huidige staat  van instandhouding niet goed in te schatten.    5.6 Gebiedsanalyse H4030 Droge heiden    5.6.1 Inleiding    Voor het habitattype Droge heiden in de Drentsche Aa is behoud van de huidige kwaliteit en  behoud van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat van  instandhouding is matig ongunstig. Het Drentsche Aa-gebied levert een grote relatieve bijdrage  aan de landelijke oppervlakte van het habitattype.    Het habitattype komt voor in de deelgebieden 2, 5, 6, 9, 10c, 11a,11b,11c,11d en 11g.    Effecten stikstofdepositie    De kritische depositiewaarde voor stuifzandheiden met struikhei is berekend op 1071 mol/ha/jaar.  Maar niet alleen de huidige depositie maar ook verhoogde depositie in het verleden kan nu nog  effect hebben op de Stuifzandhei. Door deze depositie heeft accumulatie van stikstof in de bodem  plaatsgevonden wat leidt tot een verhoogde N-beschikbaarheid. Ook is de aard van de depositie  van belang voor een effectenanalyse. Karakteristieke korstmossen zijn gevoelig voor hoge  ammoniumdeposities.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.214 mol N ha! jr‘ berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.035 mol N ha’! jr  1    Verzuring    De bodems onder Droge heiden zijn van nature zuur van karakter. Mede onder invloed van  stikstofdepositie zijn de bodems in het Drentsche Aa-gebied verder verzuurd. Dit heeft vooral effect  gehad op korstmossen die gevoelig zijn voor de directe effecten van stikstofdepositie, met name in  de vorm van ammonium, maar ook door toename van vergrassing als gevolg van een hogere  Stikstofbeschikbaarheid in de bodem (Sparrius 2011).    Vermesting    In het Drentsche Aa-gebied zijn kenmerkende vegetatietypen zijn alle gebonden aan zeer  voedselarme omstandigheden, zodat het habitattype hier gevoelig is voor vermesting. Verhoogde  stikstofdepositie zorgt in eerste instantie voor een versnelde groei van grassen, klauwtjesmos en  struikhei, waardoor de schaduwwerking toeneemt en mossen (met name levermossen) en  korstmossen sterk afnemen in bedekking.    overzicht van kwaliteit en oppervlakte H4030 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 98,79  Matig 9.20  zoekgebied 92.97  Eindtotaal 200,96    De overall Trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is onbekend. Hierbij moet worden  opgemerkt dat het habitattype goed is te handhaven door plaggen.    94</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>    5.6.2 Deelgebied 2: De overgang beneden- middenloop bij Westlaren    Kwaliteitsanalyse H4030 Droge heiden met struikhei op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Het habitattype komt niet voor in deelgebied 2. Dit was in 2004 ook al het geval. Het habitattype is  gebaseerd op het voorkomen van soortenarme droge heide in de ondergroei van een berkenbos.  Gezien de vegetatiekartering van 1994 was het toen ook al een berkenbos. De oppervlakte van het  habitattype bedraagt 0,06 ha in dit deelgebied. Dit is het deel behorende bij H2310 in deelgebied 2  dat niet op vaaggrond ligt.    Actuele kwaliteit    De vegetatieopnames van dit habitattype zijn enigszins gedateerd maar een veldbezoek in het  voorjaar van 2011 laat een zelfde beeld zien.    Tabel 18 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4030    Naam 1994 (ha) Kwaliteit    Ass. v struikhei en stekelbrem, soortenarme sub. 0,06? Goed    Berken-eikenbos, subassociatie v Bochtige smele 1,00         Trend    Door het veldbezoek in 2011 mag geconcludeerd worden dat de vegetatie niet veel veranderd is  sinds 1994.    Visie   De habitatkaart van de Drentsche Aa moet worden bijgewerkt, daardoor zal het doel H4030  verdwijnen uit deelgebied 2. Het betreft hier 0,06 ha (<0,1 %) van de 200 ha (waarvan 92 ha  zoekgebied).    5.6.3 Deelgebied 5: De oostelijke middenloop    Kwaliteitsanalyse H4030 Droge heiden op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    De droge heiden in deelgebied 5 liggen vooral in het noordelijk deel ten noorden en ten westen van  de Gastersche duinen. Het oppervlak is 3,01 ha    Actuele kwaliteit   De 3 hectare heide bestaat uit type 20A-e, de soortenarme subassociatie van de Associatie van  struikhei en stekelbrem en is hier en daar vergrast (20-b RG Bochtige smele-  [Kl.heischral.gras/Kl.dro.hei}).    Tabel 19 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4030         SBB_CODE SBB_NAAM OPP act Kwaliteit  20Ale Ass. v struikhei en stekelbrem, srt.-arme sub. 2,38 Goed  11-i RG Pijpestrootje-[K.veenbult.nat.hei/K.hei.gras] 0,14 Matig  20-b RG Bochtige smele-[Kl. heischral.gras/KI.dro.hei] 0,25 Matig  50C zand 0,24 Matig  08C2c Associatie v Scherpe zegge, soortenarme subass. 0,07  11-g RG Pijpestrootje-Veenmos-[K. hveensi/K.hveen. hei] 0,02  12A1a Ass. Engels raaigras-Grote weegbree, typ. subass 0,03  16-g RG S.weegbr.-Kruip. boterb. -R.zwenk.[Kl.v.grasl. ] 0  2 Betreft een verbost deel    95</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>         SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit    42A1d Berken-eikenbos, subassociatie van Pijpestrootje 0,07         Trend    Doordat er zo weinig bekend is kan geen trendanalyse gemaakt worden, waardoor de ontwikkeling  niet in kaart kan worden gebracht. Zorgelijk is wel de matige kwaliteit van de gekarteerde delen.  Negatieve invloeden van stikstof kunnen hier niet uitgesloten worden. Het huidige beheer, waarbij  begraasd wordt met schapen is erop gericht de vergrassing onder controle te houden. Hierdoor is  behoud geborgd. Het huidige beheer anticipeert al op het bestaande N-probleem en is dus een  PAS-maatregel.    Knelpunten en oorzakenanalyse H4030 Droge heiden    De N-depositie is een belangrijk knelpunt voor kwaliteitsverbetering. De aanwezige  cultuurhistorische waarden beperken voor een kleine oppervlakte de mogelijkheden voor  plagwerkzaamheden.    Leemten in kennis H4030 Droge heiden    Monitoringsgegevens en vegetatiekarteringen ontbreken voor een belangrijk deel waardoor de  trend niet in beeld kan worden gebracht.    5.6.4 Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooërveld    Kwaliteitsanalyse H4030 Droge heiden    Actuele verspreiding    De droge heiden in deelgebied 5 verspreid over het Ballooërveld. Het betreft in dit deelgebied  89,58 ha    Actuele kwaliteit    De gegevens uit de vegetatiekarteringen geven een iets te rooskeurig beeld van de huidige  kwaliteit. Op ongeveer 25% van de standplaatsen is de heide erg vergrast. Als typische soorten  komen op het Ballooërveld onder andere heivlinder, heideblauwtje, kommavlinder en groentje  voor. Ook korstmossen als rode heidelucifer en open rendiermos komen voor.    Tabel 20 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4030    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  Ass. v struikhei en stekelbrem, srt.-arme sub. 87,27 Goed    RG B.smele-Pilzeg. -L.walst. -[V.hei.gras-V.-brem] 1,7 Matig  RG B.smele-Pilzeg. -L.walst. -[V.hei.gras-V.-brem] 0,61 Matig         Trend  Geen informatie.    Kwaliteitsanalyse H4030 Droge heiden    Soorten van open plekken tussen de heide en jonge heidestadia vertonen een achteruitgang.  Opvallend is de sterke toename van heideklauwtjesmos. Hoge bedekkingen heideklauwtjesmos zijn  karakteristiek voor de oude heidestadia, met een dichte dwergstruiklaag. De variatie in  successiestadia is door de afname van meer dynamische typen in het gebied (zie stuifzandheiden)  aan het teruglopen, waarbij open en zandige vegetaties verloren gaan ten koste van vergraste  vegetaties of heide met een prominente mosbedekking. Korstmosvegetaties gaan achteruit,  behalve die van bijvoorbeeld bruin bekermos, indicatief voor plekken met een wat verder  ontwikkelde humuslaag.    96</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
97 
 Systeemanalyse H4030 Droge heiden  
Droge heiden komen voor in de hogere, drogere delen van het Ballooërveld. Er treedt alleen 
infiltratie op van neersla g, waardoor de omstandigheden zuur en relatief voedselarm zijn. 
Verschillen in bodemtype, reliëf en begrazings - of plagbeheer leiden tot verschillen in de vegetatie, 
onder andere in de structuur en daarmee tot een aanzienlijke variatie in fauna. Open, warm e 
plekken zijn belangrijk voor typische soorten zoals de zandhagedis en verschillende sprinkhanen. 
Voor typische soorten zoals het groentje is afwisseling en een lage bedekking met struikgewas 
bosschage vereist. Belangrijk voor de soortenrijkdom zijn gelei delijke overgangen van droge heide 
naar andere vegetaties. De interne variatie aan structuurtypen op het Ballooërveld en de 
overgangen naar meer dynamische typen bepalen in hoge mate de kwaliteit van het gebied. Op het 
Ballooërveld is vooral sprake van oud ere heide op een bodem met al een flinke humuslaag.  
 
Knelpunten en oorzakenanalyse H4030 Droge heiden  
In het oosten van het Ballooërveld bevinden zich in de droge heide bundels van karrensporen die 
uit cultuurhistorisch oogpunt erg waardevol zijn. Als men  deze karrensporen wil behouden 
betekend dat het beheer hierdoor beperkt wordt.  
 
In de referentiesituatie (2014) is er een o verschrijding van de KDW. Dit kan hebben geleid tot de 
vergrassing die wordt waargenomen in het habitattype.  
 
Leemten in kennis H4030 Droge heiden  
Door gedateerde karteringsinformatie is de huidige trend niet in beeld. Ook ontbreekt gedegen 
informatie over de typische soorten.   
5.6.5  Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen  
Kwaliteitsanalyse H4030 Droge heiden  
Actuele  verspreiding  
De droge  heiden liggen op het Westersche veld van Rolde in deelgebied 8B als zoekgebied. De 
actuele informatie ontbreekt om het type met zekerheid vast te stellen. Het gaat om in totaal 
50,53 ha zoekgebied.  
 
Actuele  kwaliteit  
Gegevens uit vegetatiekarteringen ontb reken hier waardoor het moeilijk is iets over de actuele 
kwaliteit te zeggen. Typische soorten zijn sinds 2000 niet meer waargenomen.  
 
Trend  
Geen gedocumenteerde informatie. Echter sinds 2000 zijn er op meerdere tijdstippen 
plagmaatregelen uitgevoerd om de  heide te herstellen waarvan aangenomen mag worden dat deze 
een positief effect hebben op de kwaliteit van de heide. Deze aanname kan echter niet onderbouwd 
worden met monitoringsgegevens (zie Leemten in kennis).  
 
Leemten in kennis H4030 Droge heiden  
De N-depositie is hier een knelpunt. Actuele informatie over de Westerse Landen is onvoldoende 
om de oppervlakte droge heide aan te kunnen geven. Ook kan hierdoor niet de kwaliteit en 
ontwikkeling in beeld worden gebracht  
 
5.6.6  Deelgebied 9: oostelijke boven -midden loop; het Andersche diep  
Kwaliteitsanalyse H4030 Droge heiden  
Actuele  verspreiding  
Het betreft hier een strook langs een voormalig landbouwperceel. Het oppervlak is 0.23 ha.  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>    Actuele kwaliteit    De kwaliteit van de droge heide in deelgebied 9 is onduidelijk. Op basis van het gekarteerde  vegetatietype is het oordeel: goed, Echter er ontbreken waarnemingen van typische soorten. En  typische soorten zijn ook nodig voor een compleet oordeel. Gradiëntherstel zal in dit deel van het  Andersche diep leiden tot uitbreiding van dit habitattype plus de flankerende typen die ook  thuishoren op de gradiënt.    Tabel 21 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4030    SBB_CODE SBB_NAAM OPP _act Kwaliteit  20Aie Ass. v Struikhei en Stekelbrem, srt.-arme sub. 0,23 Goed  DG Amerikaanse vogelkers-[Zomereik-verbond] 0,1         Trend  Geen informatie.    Systeemanalyse H4030 Droge heiden    Deze heidestrook ligt op een smal perceel, en heeft zich als randzone tussen landbouw en  natuurgebied kunnen ontwikkelen. Het habitattype ligt dus eerder in een antropogene zonering dan  in een natuurlijke.    Knelpunten en oorzakenanalyse H4030 Droge heiden    Het ontbreken van waarnemingen van typische plantensoorten, lijkt te duiden op een negatief  effect van stikstofdepositie. Het is echter niet duidelijk of het ontbreken van de  waarnemingsgegevens komt door het niet aanwezig zijn van de soorten of door onvoldoende  monitoring.   Overige knelpunten zijn er niet.    Leemten in kennis H4030 Droge heiden    Geen goede gegevens typische soorten beschikbaar.    5.6.7 Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de  Hondsrug    Kwaliteitsanalyse H4030 Droge heiden    Actuele verspreiding    De Droge heide in deelgebied 10c bevindt zich op het Eexterveld. Het oppervlak is 7,03 ha.  De kwaliteit van de droge heide is matig. Sinds 2000 zijn er geen waarnemingen meer geweest van  typische soorten.    Tabel 22 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4030    SBB_ CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  20A1id Ass. struikhei en stekelbrem, subass. Tandjesgr. 1,52 Goed  20A1e Ass. v struikhei en stekelbrem, srt.-arme sub. 4,3 Goed  11-i RG Pijpestrootje-[K.veenbult. nat. hei/K.hei.gras] 0,09 Matig  11Aía Ass. Moeraswolfsklauw en Snavelbies, typ. subass 0,15  11A2c Associatie v Gewone dophei, typische subassoc. 0,24  16-g RG S.weegbr.-Kruip.boterb. -R.zwenk.[Kl.v.grasl. ] 0,04  19A1 Associatie van Liggend walstro en Schapegras 0,1  35A-a RG Gewone braam (R. plicatus)-[Brummel-verbond] 0,11  400 VOORLOPIG ONBEKEND 0,02         98</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>    Trend    De droge heide op het Eexterveld lijkt zich iets uit te breiden ten koste van natte heide en vochtige  graslanden. Dit duidt op verdroging.    Systeemanalyse H4030 Droge heiden    Van nature vindt je droge heide alleen op de hoger zandkopjes in het Eexterveld. Op de andere  locaties is het door de aanwezigheid van potklei en of keileem van nature te nat en zou vochtige  heide voor moeten komen. In de huidige situaties zit echter ook droge heide lager in het systeem.  Dit duidt erop dat er nog verdroging optreedt.    Knelpunten en oorzakenanalyse H4030 Droge heiden    De toename van droge heide ten koste van natte graslandtypen wijst enerzijds op verschraling  maar ook op verdroging. Het verdrogingsvraagstuk van het Eexterveld moet daarom de komende  periode onderzocht worden.   De KDW voor stikstofdepositie is te hoog voor het habitattype droge heiden. Dit kan door verzuring  en eutrofiëring mede een oorzaak zijn voor de relatieve soortenarmoede.    Leemten in kennis H4030 Droge heiden    Geen goede gegevens typische soorten beschikbaar  5.6.8 Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden    Kwaliteitsanalyse H4030 Droge heiden    Actuele verspreiding    Het habitattype droge heiden komt voor in de Vijftigbunder (11a, 5,93 ha), Natuurbad-Schipborg  (11b, 784 m7), Vredeveld-Bremheuvel (11c, 2,07 ha en 9,71 ha zoekgebied), de Strubben (11d,  22,54 ha zoekgebied); en de Gasterse duinen (11g, 10,16 ha zoekgebied).    Actuele kwaliteit    De droge heide in de Vijftigbunder is sterk vergrast onder invloed van verdroging en  stikstofdepositie. De droge heide in Vredeveld-Bremheuvel is van een soortenarme kwaliteit.  Verder ontbreken waarnemingen van typische soorten in beide deelgebieden. Van de zoekgebieden  ontbreekt de informatie om iets over de kwaliteit te zeggen.    Tabel 23 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H4030 in deelgebied Vredeveld-  Bremheuvel 11c    SBB_ CODE SBB_NAAM OPP _act Kwaliteit  20A1e Ass. v struikhei en stekelbrem, srt.-arme sub. 0,2 Goed  19A1 Associatie van Liggend walstro en Schapegras 0,13         Trend    De Droge heide in de Vijftigbunder is sterk vergrast onder invloed van verdroging en  stikstofdepositie. Herhaalde vegetatiekarteringen ontbreken. Op basis van waarnemingen van een  medewerker van het Drentsch Landschap kan echter gesproken worden van een posititieve  ontwikkeling. In Vredeveld-Bremheuvel komt de droge heide voor ten zuidoosten van het stuifzand  bij de grafheuvels. Het betreft hier een plek waar in 1994 nog struikgewas bosschage stond. Het  gebied is opnieuw ingericht en er komen nu naast droge heide ook aspecten van heischraal  grasland in de vegetatie voor.    Systeemanalyse H4030 Droge heiden    H4030 Droge heide vinden we vaak in mozaïek met natte heide in de infiltratiegebieden van de  Drentsche Aa. Het plaatselijke reliëf en de aan- of afwezigheid van keileem of potklei bepalen de  vochttoestand van de bodem. Op de droge plekken kan H4030 zich ontwikkelen. Let wel: droge  heide is sommige gevallen verdroogde natte heide, wat gebeurd kan zijn door hydrologische  ingrepen uit het verleden. Dit zal deels het geval zijn bij Kampsheide. Verder zie je jonge    99</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
100 
 heidevegetatie vaak ontstaan op open plagplekken vaak in combinatie met soorten van andere 
habitattypen, maar ook ruderale soorten. In welke richting deze gebieden zich ontwikkelen is 
moeilijk te  voorspellen vanuit de vegetatiekarteringen. Als het gebied meer begroeid raakt en 
onderlinge concurrentie een belangrijkere rol gaat spelen word de richting van de ontwikkeling 
vaak duidelijker.  
 
Knelpunten en oorzakenanalyse H4030 Droge heiden  
Vergrassi ng lijkt het belangrijkste knelpunt te zijn bij de droge heiden. Overschrijding van de KDW 
voor stikstofdepositie is aan de orde. Deze overschrijding is mede de oorzaak van de vergrassing 
die wordt waargenomen in het habitattype.  
 
Leemten in kennis H4030 D roge heiden  
Het ontbreken van goede vegetatiekarteringen en monitoringsgegevens van de typische soorten.  
 
5.7 Gebiedsanalyse  H5130  Jeneverbesstruwelen  
5.7.1  Inleiding  
Voor het habitattype Jeneverbesstruwelen in de Drentsche Aa is verbetering van de huidige 
kwaliteit en behoud van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat van 
instandhouding is matig ongunstig.  
 
Onderstaande tekst is deels geba seerd op de Herstelstrategie voor Jeneverbesstruwelen. 
(Huijskens et al 2008). In het Drentsche Aa -gebied vindt je H5130 van het type Gaffeltand -
Jeneverbesstruweel. Het komt voor op dekzand maar jeneverbessstruwelen die te klein zijn om te 
kwalificeren voo r H5130 vind je ook in voormalige stuifzandgebieden zoals de Zeegser duinen  
 
Effecten stikstofdepositie  
De kritische depositie is vastgesteld op 1017 mol/ha/jaar. Maar niet alleen de huidige depositie 
maar ook verhoogde depositie in het verleden heeft nu n og effect op de in het Drentsche Aa -gebied 
voorkomende jeneverbestruwelen. Het betreft hier voornamelijk oude struiken met weinig 
verjonging. Verzuring en vermesting door de te hoge atmosferische depositie van stikstof kan 
hiervan de oorzaak zijn.  
 
De over schrijding van de KDW verschilt per deelgebied ( AERIUS  Monitor 16L). Voor de 
referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van 
gemiddeld  1.448  mol N ha-1 jr-1 berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.239  mol N ha-1 
jr-1.  
 
Verzuring  
Verzuring is een natuurlijk proces in Jeneverbesstruwelen. Door de atmosferische depositie gaat 
deze verzuring echter sneller. De verjonging (kieming) van Gaffeltand -Jeneverbesstruweel wordt 
negatief beïnvloed door deze verzur ing. 
 
Vermesting  
Jeneverbesstruwelen zijn in feite houtige pionierbegroeiingen waarin de hoogste botanische 
waarden zijn gekoppeld aan de jonge, open stadia. Een verhoogde stikstofdepositie bevordert de 
sluiting van de struwelen. Dit heeft tot gevolg dat specifieke micromilieus verloren gaan, ten koste 
van bijzondere levermossen en korstmossen. Daarnaast heeft de versnelde successie een negatief 
effect op het voorkomen van paddenstoelen - en mosflora die gebonden zijn aan de jonge open 
stadie met weinig org anische stof in de bodem.  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>    Overzicht van kwaliteit en oppervlakte H5130 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 1.31  Eindtotaal 1.31    De overall trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is vanuit de vegetatiegegevens onbekend,  maar waarschijnlijk stabiel gezien de situatie die in het veld is waargenomen.    5.7.2 Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden    Kwaliteitsanalyse H5130 Jeneverbesstruwelen    Actuele verspreiding    Het habitattype Jeneverbesstruwelen komt voor op Kampsheide (11f). Het heeft een oppervlak van  1,31 ha    Actuele kwaliteit   Door ontbreken van vegetatiegegevens is er geen objectieve informatie over de kwaliteit van het  Jeneverbesstruweel, De huidige struiken zijn vitaal maar wel is duidelijk dat meer verjonging moet  plaatsvinden voor een duurzaam behoud. Hiervoor is een situatie met minder strooisel  noodzakelijk.    Tabel 24 Typische soorten deelgebied 5 habitattype H5130    -. waar- :  Nederlandse_naam Wetenschappelijke_naam Soortgroep nemingen Cate-gorie  Koraalspoorstekelzwam Kavinia alboviridis Paddenstoelen niet K    Midden-Europese goudvink Pyrrhula pyrrhula ssp. europoea Vogels niet Cab  Ca = constante soort goede abiotische toestand; Cb = constante soort goede biotische structuur;  Cab = constante soort goede abiotische toestand en goede biotische structuur; K = karakteristieke  soort; E = exclusieve soort.                Trend  Er vindt weinig tot geen verjonging van het struweel plaats.    Systeemanalyse H5130 Jeneverbesstruwelen    Jeneverbes struwelen staan op de net wat hogere minerale delen rond het veentje in Kampsheide.  Het gaat hier om grote volwassen jeneverbessen die compact bij elkaar staan. Er lijkt niet veel  verjonging plaats te vinden. Door het ontbreken van dynamiek ontstaan er weinig nieuwe  kiemplekken voor jeneverbessen.    Knelpunten en oorzakenanalyse H5130 Jeneverbesstruwelen    Verjonging is het belangrijkste knelpunt, mede door de aanwezigheid een te dikke strooisellaag. De  strooisellaag beperkt de kieming.   Het habitattype komt daarnaast voor in een gebied met grote archeologische waarden wat de  mogelijkheden voor het nemen van herstelmaatregelen beperkt.    Leemten in kennis H5130 Jeneverbesstruwelen    Monitoringsinformatie ontbreekt.    101</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>    5,8 Gebiedsanalyse H6230 Heischrale graslanden    5.8.1 Inleiding    Voor het habitattype Heischrale graslanden in de Drentsche Aa is verbetering van de huidige  kwaliteit en uitbreiding van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat  van instandhouding is matig ongunstig. Landelijk zijn oppervlak en kwaliteit de laatste jaren sterk  achteruitgegaan. De relatieve bijdrage voor instandhouding van H6230 van de Drentsche Aa is zeer  groot.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het beekdallandschap  (Grootjans et al. 2012). De heischrale graslanden in het Drentsche Aa-gebied bevinden zich op  locaties met lokale kwel in de midden en bovenlopen. Het habitattype is afhankelijk van toevoer  van gebufferd grondwater in het voorjaar om de buffercapaciteit aan te vullen. Deze plekken vindt  je in Het Drentsche Aa-gebied op de overgang van het inzijggebied naar het beekdal.    Effecten stikstofdepositie   De kritische depositie is vastgesteld op 714 mol/ha/jaar. Hogere depositieniveaus kunnen leiden tot  zowel verzuring als vermesting. Beide a-biotische processen leiden tot een sterke afname van  karakteristieke soorten en een toename van soorten die horen bij een voedselrijker milieu.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.206 mol N ha’! jr‘ berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.027 mol N ha? jr  1    Verzuring   Heischrale graslanden zijn afhankelijk van het bufferend vermogen van de bodem (aangevuld via  lokaal grondwater/kwel). Verzuring door stikstof kan hier optreden als er te weinig toevoer van  bufferstoffen plaatsvindt. Verdroogde heischrale graslanden zijn dus extra gevoelig voor  stikstofdepositie.    Vermesting   Een deel van de atmosferisch toegevoerde stikstof wordt jaarlijks actief afgevoerd via het regulier  beheer (maaien en afvoeren en een klein deel via begrazing). De effecten van vermesting laten  zich meestal zien in een toenemende biomassaproductie en uitbreiding van algemene soorten,  terwijl zeldzame soorten verdwijnen.    overzicht van kwaliteit en oppervlakte H6230 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 8,08  Matig 0.12  Eindtotaal 8.20    Hoewel de kwaliteit over grote oppervlakte goed is is de overall Trend voor het gehele Drentsche  Aa gebied is iets negatief omdat het grootste oppervlak in het Eexterveld dit is. Zie daarvoor  deelgebied 10 Hieronder. Op de andere lokaties is de trend positief.    5.8.2 Deelgebied 2: De overgang beneden- middenloop bij Westlaren    Kwaliteitsanalyse H6230 Heischrale graslanden    Actuele verspreiding    Op één plek in het Westerdiep komen op de hogere delen vegetatietypen voor die tot H6230  mogen worden gerekend. Deze plek ligt op aan de rand van de zandwinplas bij de Zwijnmaden en  is 0.32 ha groot.    102</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>    Actuele kwaliteit    Het betreft hier een soortenarme vorm van het heigrasland, waarin een deel van de kenmerkende  soorten ontbreekt, Dit is deels te wijten aan de jonge ontwikkeling van het gebied. In de jaren 90  was het nog in gebruik als landbouwgebied. Het is niet duidelijk of de vegetatieontwikkeling het  gevolg is van verschraling en verzuring van het landbouwgebied of dat er mechanisme van  duurzame buffering aanwezig is.    Tabel 25 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H6230    SBB_CODE SBB_NAAM OPP act Kwaliteit  Associatie van Liggend walstro en Schapegras 0,32 Goed  Ass. Moerasstruisgras en Zompzegge, typ. subass. 0,06    RG Veldrus-[Klasse der vochtige graslanden) 0,01  RG S.weegbr.-Kruip.boterb. -R.zwenk.[Kl.v.grasl. } 0,06  RG G.struisg-G. biggek-[K.dr.gras.zand/K.vo.gras] 0,15  RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,01         Trend    De trend in dit voormalige landbouw perceel is positief wat betreft de ontwikkeling van het  heischrale grasland. Niet duidelijk is of het om een tijdelijke situatie gaat waarbij de successie van  “landbouw”grasland naar heide door het ingezette verschralingsbeheer via heischraalgrasland  verloopt. Of dat het meer duurzaam is omdat het bufferende vermogen van de bodem kan worden  aangevuld door de ter plekke aanwezige hydrologische condities.    Deze relatief jonge heischrale graslanden zijn nog volop in ontwikkeling. In de eerste  beheerplanperiode wordt deze ontwikkeling gemonitord. Op basis van uit uitkomsten van de  monitoring kan bijstelling van de herstelmaatregelen plaatsvinden.    Systeemanalyse H6230 Heischrale graslanden    Heischrale graslanden vinden we op de hogere plaatsen in de beekdalgradiënt, maar ze liggen in de  regel ook nog wel op vochtige, zandige bodems. Door hun ligging zullen ze in de zomer niet meer  in contact staan met het grondwater. Herstel van de basenverzadiging in deze schraallanden zal  dat ook moeten plaatsvinden in het natte seizoen met licht gebufferd grondwater, meestal uit het  eerste watervoerende pakket. Buffering van het water vindt bijvoorbeeld plaats doordat ondiep  keileem of potklei in het profiel voorkomt. Bij het niet meer functioneren van dit systeem zullen de  heischrale vegetaties verzuren en zullen veel kenmerkende soorten verdwijnen, waardoor de  vegetaties zullen worden vervangen door heidegemeenschappen. In dit geval is de aanvoer van  grondwater verstoord door de aanwezigheid van de grote plas bij Zwijnmaden, die zeker draineert  omdat hij water afvoert op het Noord-Willemskanaal. Kwantificeren van dit effect behoeft nader  onderzoek.    Knelpunten en oorzakenanalyse H6230 Heischrale graslanden    e Drainage door plas met afvoer bij Zwijnmaden.  e De heischrale graslanden in de Drentsche Aa hebben een actuele overschrijding van de KDW.  In 2030 zal er nog steeds een overschrijding zijn.    Leemten in kennis H6230 Heischrale graslanden    Het is onbekend of de hydrologische randvoorwaarden aanwezig zijn voor een duurzaam heischraal  grasland. Hydrologische maatregelen dienen daarom vergezeld te gaan van onderzoek en  monitoring. Aan de hand van de resultaten van onderzoek en monitoring kan bijstelling van  hydrologische maatregelen plaatsvinden. Voorts is de omvang van het effect van de drainage door  de plas met afvoer bij Zwijnmaden onbekend.    Deze leemten worden door onderzoek in de eerste beheerplanperiode ingevuld.    103</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>    5.8.3 Deelgebied 3: de middenloop; Schipborgsche diep    Actuele verspreiding    Heischrale graslanden zijn te vinden in deelgebied drie op de bovenrand van de beekdalflank van  het Schipborgsche diep nabij Bremheuvel. Het gaat om in totaal 0,21 ha    Kwaliteitsanalyse H6230 Heischrale graslanden    Actuele kwaliteit    Het deel van de heischrale graslanden met een te hoge atmosferische depositie, die in complex  voorkomen met de hieronder beschreven vegetatietypen, was in 2000 nog bos. In 2002 is het  gebied geplagd en ingericht als heideterrein. De verdere ontwikkeling van dit terrein is nu nog niet  te voorspellen. Het belangrijkste aspect in de vegetatie is nu die van heischraal grasland. Of dit  slecht tijdelijk is door de verhoogde buffering na het plaggen of dat het terrein blijvend onder  invloed van grondwater zal staan is niet bekend. Een ander perceel met heischraal grasland ligt  aan de weg ten zuidoosten van deelgebied 2. Hier bestaat 14% van de vegetatie uit heischrale  typen; de rest behoort tot de voedselrijkere graslanden. Er zijn sinds 2000 geen typische soorten  van dit habitattype meer waargenomen in deelgebied 3. (SBB, NDFF)    Tabel 26 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H6230    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  19A1 Associatie van Liggend walstro en Schapegras 0,21 Goed  16-i RG G.struisg-G.biggek-[K.dr.gras.zand/K.vo.gras] 0,31  16A2c Veldrus-associatie, soortenarme subassociatie 0  35A-a RG Gewone braam (R. plicatus)-[Brummel-verbond] 0,02    VOORLOPIG ONBEKEND 0,01         Trend  Recent ontwikkeld op bos en landbouwgebied    Systeemanalyse H6230 Heischrale graslanden    In het Nederlandse zandlandschap blijken hydrologie, zuurgraad of buffercapaciteit en het  voedingsstoffenaanbod de bepalende sturende factoren te zijn voor de vegetatiesamenstelling van  heischrale graslanden. Kenmerkend voor de heischrale graslanden is dat de pH van de bodem  waarop zij voorkomen zich bevindt tussen pH 4,5-6 en er een zuurbuffering plaatsvindt door  kationuitwisseling.    Op de plagplek komen heischrale aspecten voor; of deze een tijdelijk gevolg zijn van het plaggen,  wat heeft geleid tot een tijdelijke verhoging van de buffercapaciteit, of dat ze zich permanent  hebben gevestigd weten we nu nog niet, daarvoor is de ontwikkeling nog in een te vroeg stadium.  Wel is de ontwikkeling van heischrale aspecten in het belendende graslandperceel hoopgevend.  Hier aan de voet van de lage rug hebben zich heischrale soorten op een voormalig landbouwperceel  gevestigd.    Het heischrale grasland aan de weg wordt waarschijnlijk nog negatief beïnvloed door de  aanwezigheid van een bermsloot langs de weg. Het verondiepen of verwijderen van deze bermsloot  zal de toevoer van lokaal grondwater in het heischrale grasland verbeteren.    Knelpunten en oorzakenanalyse H6230 Heischrale graslanden    Het verondiepen of verwijderen van deze bermsloot zal de toevoer van lokaal grondwater in het  daarnaast gelegen heischraal grasland verbeteren. Overschrijding van de KDW voor  stikstofdepositie is in de huidige situatie aan de orde en zal er in 2030 ook nog zijn. De hoge  depositiewaarde kan mede een oorzaak zijn voor het ontbreken van typische soorten. Dit is echter  uit de huidige gegevens niet goed vast te stellen en wordt onderzocht in de eerste  beheerplanperiode.    104</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>    Leemten in kennis H6230 Heischrale graslanden    Het is vooralsnog niet bekend of het lokale hydrologische systeem voor voldoende bufferend  vermogen kan zorgen. Ook zijn de mogelijkheden om toevoer van lokaal grondwater te verbeteren  onbekend. Hieromtrent dient onderzoek plaats te vinden. Als uit dit onderzoek blijkt dat de  bovengenoemde opties onvoldoende kansen bieden kan behoud worden geborgd door bekalking.  Ondanks de bestaande kennisleemten kan behoud worden gegarandeerd.    5.8.4 Deelgebied 4: De westelijke middenloop    Kwaliteitsanalyse H6230 Heischrale graslanden    Actuele verspreiding vegetatie    Heischrale graslanden in deelgebied 4 vindt men in het Bosbroek en in Smalbroeken. Het gaat om  in totaal 0.04 ha.    Actuele kwaliteit   In het Bosbroek komt heischrale vegetatie in drie opnamevlakken voor met een lage bedekking  (twee vlakken van 3% en één van 14%) het betreft hier de Associatie van Liggend walstro en  Schapengras. De rest van de vegetatievlakken word merendeel bedekt door rompgemeenschappen  van de Klasse van matig voedselrijke graslanden 16-r RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden),  16-g RG S.weegbr.-Kruip.boterb.-R.zwenk.[Kl.v.grasl. Jen 16-f RG Kamgr.-R.zwenk.-  Moerasrolkl.[Kl.vocht.grasl.].    Tabel 27 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H6230    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  Associatie van Liggend walstro en Schapegras 0,04 Goed    RG S.weegbr.-Kruip. boterb.-R.zwenk.[Kl.v.grasl.] 0  RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,72         Trend    Halverwege de jaren negentig bestonden deze gebieden alleen uit deze rompgemeenschappen en  waren er nog geen heischrale aspecten gevonden. Er zit dus enige vooruitgang in de gebieden  maar de ontwikkeling gaat slechts langzaam. In hoeverre stikstof hierbij een rol speelt is  onduidelijk. Voor het perceel waar 3% heischraal grasland voorkomt in Smalbroeken geldt  hetzelfde. Hier betreft het een uit gebruik genomen landbouwperceel. Hier kan het voorkomen van  heischrale vegetatie ook een tijdelijke successie stadium zijn in de verschraling n verzuring van het  landbouwperceel. Of de hydrologische omstandigheden geschikt zijn voor duurzaam herstel van  Heischrale graslanden in niet bekend.    105</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>    Systeemanalyse H6230 Heischrale graslanden    De heischrale graslandvegetaties in het Bosbroek en Smalbroeken liggen op de overgang van het  beekdal naar de Ballooërveld juist op de grens van veen en zand volgens de bodemkaart.  Landschapsecologisch is dit de plaats waar je de heischrale graslanden mag verwachten. Toch lijkt  het dat de vegetaties eigenlijk te nat liggen, mogelijk dat ze er kunnen voorkomen omdat ze net  naast de weg liggen die met bermsloten het gebied licht ontwatert (deze weg zou met bermsloten  ook de lokale kwel kunnen wegvangen). In een natuurlijke gradiënt zouden de heischrale  vegetaties dan iets meer hogerop richting het Ballooërveld moeten voorkomen.    Knelpunten en oorzakenanalyse H6230 Heischrale graslanden    e De reden dat na de uitgevoerde inrichtingsmaatregelen het herstel zo langzaam gaat, is niet  duidelijk. Mogelijk dat er geen lokaal grondwater uittreedt of zorgt de te hoge stikstofdepositie  ervoor dat de trofiegraad te hoog blijft. De bermsloot vangt mogelijk lokale kwel weg.   e Overschrijding van de KDW voor stikstofdepositie is aan de orde en zal er in 2030 ook nog zijn.  De hoge depositiewaarde kan mede een oorzaak zijn voor het ontbreken van typische soorten.  Dit is echter uit de huidige gegevens niet goed vast te stellen en moet worden onderzocht.    Leemten in kennis H6230 Heischrale graslanden    De lokale hydrologie van de percelen met heischraal grasland moet in beeld worden gebracht.  Hierbij moet onder andere onderzocht worden in hoeverre de bermsloot lokale kwel wegvangt.    5.8.5 Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de  Hondsrug    Kwaliteitsanalyse H6230 Heischrale graslanden    Actuele verspreiding vegetatie    De Heischrale graslanden in deelgebied 10c bevindt zich op het Eexterveld. Het gaat hier om 6,54  ha, dit is verreweg het grootste areaal heischrale graslanden in het Drentsche Aa gebied    Actuele kwaliteit    De heischrale graslanden bestaan voor het grootste deel uit relatief soortenarme vegetaties van de  associatie van Liggend walstro en Schapengras. Deze vegetaties komen voor in mozaïek met meer  voedselrijke grazige vegetatietypen. In het habitattype zijn sinds 2000 Bostelgras, heidekartelblad,  liggende vleugeltjesbloem, liggend walstro en welriekende nachtorchis als typische soorten  waargenomen (mondelinge mededeling Henk Everts en Nico de Vries) daarnaast zijn typische  soorten voor heischrale graslanden meer waargenomen (NDFF, SBB)    Tabel 28 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H6230    SBB_CODE SBB_NAAM OPP act Kwaliteit  19A1 Associatie van Liggend walstro en Schapengras 6,16 Goed  19A-b RG Welr.nachtorchis-Reukgras-[Vb.heischr.grasl. ] 0,12 Matig  09A3a Ass. Moerasstruisgras en Zompzegge, typ. subass. 0,02  11-i RG Pijpestrootje-[K.veenbult.nat.hei/K.hei.gras] 0,2  11Ala Ass. Moeraswolfsklauw en Snavelbies, typ. subass 0,02  11A2c Associatie v Gewone dophei, typische subassoc. 0,01  14A1b Ass. v Buntgras en Heidespurrie, verarmde subass 0,02  16-b RG Veldrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,66  16-f RG Kamgr.-R.zwenk.-Moerasrolkl.[Kl.vocht.grasl.] 0,86  16-g RG S.weegbr.-Kruip. boterb.-R.zwenk.[Kl.v.grasl.] 4,55  16-i RG G.struisg-G. biggek-[K.dr.gras.zand/K.vo.gras] 0,94  16-r RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,34  16A-a RG Blau. knoop-Blau.zegge-[Vb. Biezenkn. -Pijpest. ] 0  16Ala Blauwgrasland, typische subassociatie 0,16  16A2c Veldrus-associatie, soortenarme subassociatie 0,06    106</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  18-b RG Adelaarsvaren-[KI. Gladde witbol, Havikskr.] 0,04  20Aie Ass. v struikhei en stekelbrem, srt.-arme sub. 0,01    300 nvt 0,33  35A-a RG Gewone braam (R. plicatus)-[Brummel-verbond] 0,35  36A1 Associatie van Geoorde wilg 0,02  400 VOORLOPIG ONBEKEND 1,64         Trend    In de periode 1995-2009 is de situatie in het westelijke deel gelijk gebleven en in het oostelijke  deel juist sterk veranderd doordat diverse habitattypen een grotere oppervlakte zijn gaan innemen  en meer verspreid in het gebied voorkomen. Voormalige landbouwpercelen zijn in die periode  opnieuw ingericht. De meeste percelen zijn hiervoor geplagd, wat leidt tot een goede  uitgangssituatie voor heischraal grasland. Het habitattype H6230 Heischrale graslanden bestaat  vooral uit het vegetatietype Associatie van Liggend walstro en Schapengras.    Systeemanalyse H6230 Heischrale graslanden    De heischrale graslanden komen vooral voor op plagplekken die recentelijk zijn ingericht. De  oudere heischrale graslanden laten geen verbetering zien; de trend lijkt eerder negatief. Dit is een  zorgelijke situatie omdat heischrale vegetatietypen in voormalige landbouwpercelen vaak een  tijdelijk karakter hebben. Als de abiotiek niet op orde is verdwijnen ze weer na verloop van tijd  door de voort schrijdende verzuring.    Recent is het beekdal van het Scheebroekerloopje sterk vernat. De effecten daarvan kunnen nog  niet in de vegatatie tot uiting zijn gekomen.    Knelpunten en oorzakenanalyse H6230 Heischrale graslanden    e De heischrale graslanden in de Drentsche Aa hebben een actuele overschrijding van de KDW.  Ook in 2030 wordt de KDW overschreden. De hoge depositiewaarde kan mede een oorzaak zijn  voor het ontbreken van typische soorten. Dit is echter uit de huidige gegevens niet goed vast te  stellen en moet worden onderzocht.   e het is onduidelijk waarom de oudere heischrale graslanden een negatieve trend laten zien.  Wordt dit veroorzaak door verdroging en of verzuring?    Leemten in kennis H6230 Heischrale graslanden    e Hoe kunnen we de heischrale graslanden duurzaam beheren in het Eexterveld? Nu lijken ze  vooral gebonden aan jonge vegetatiestadia die zich direct na het plaggen ontwikkelen. Of ze  zich hier duurzaam hebben gevestigd is niet duidelijk; ze kunnen ook profiteren van een  tijdelijke toename in het bufferende vermogen van de bodem door het plaggen.   e Het Eexterveld lijkt ondanks de genomen inrichtingsmaatregelen nog steeds verdroogd. Er lijkt  te weinig toestroom van gebufferd grondwater te zijn voor een duurzaam behoud van  heischrale graslanden. Mogelijke oorzaken die worden genoemd zijn de waterwinning bij  Breevenen (Everts en de Vries 2008) en verminderde toestroom lokaal grondwater door de  omliggende landbouw ontwatering.    5.8.6 Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden    Kwaliteitsanalyse H6230 Heischrale graslanden    Actuele verspreiding vegetatie    Het habitattype Heischrale graslanden komt voor in Vredeveld-Bremheuvel (11c); 0,71 ha en  Dijkveld (11e); 0.36 ha.    Actuele kwaliteit  De actuele kwaliteit van de Heischrale graslanden is matig. Typische soorten zijn sinds 2000 niet    107</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>    waargenomen (NDFF, SBB).    Tabel 29 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H6230    SBB CODE SBB NAAM Opp llc Opplle Kwaliteit  Associatie van Liggend walstro en Schapengras 0,58 0,37 Goed  DG Grijs kronkelsteeltje-[Kl. dr. grasl. zandg. ] 0,05    RG G.struisg-G. biggek-[K.dr.gras.zand/K.vo.gras] 0,64  Ass. Struikhei en Stekelbrem, subass. Tandjesgr. 0,01  Ass. v Struikhei en Stekelbrem, srt.-arme sub. 0,39  RG Gewone braam (R. plicatus)-[Brummel-verbond] 0,08         Trend    De heischrale graslanden in Vredeveld-Bremheuvel laten een positieve ontwikkeling zien. Ze zijn  ontwikkeld op een plaats waar bos is verwijderd en op een daarnaast gelegen grasland. Waar de  ontwikkeling op de plagplek, die op een lage rug ligt, toe leidt is nu nog niet zeker. Maar omdat er  ook veel droge heidesoorten staan, is de verwachting dat dit zich ontwikkelt tot een droge heide.  Op het lager gelegen grasland zijn de potenties voor behoud van heischraal grasland beter. Op het  Dijkveld is volgens de herhaalde karteringen van 1996 en 2009 is het heischrale grasland strek  toegenomen. Als je echter in het veld kijkt lijkt dit te optimistisch ingeschat. Het huidige opperviak  is kleiner omdat er nog altijd niet kwalificerende vegetatietypen in complex voorkomen. Het detail  van de kartering in 2009 was duidelijk lager dan in 1996. Er is wel een positieve trend  waarneembaar, maar minder sterk dan de karteringen doen vermoeden.    Systeemanalyse H6230 Heischrale graslanden    In 11c, op de plagplek, komen heischrale aspecten voor. Of deze een tijdelijk gevolg zijn van het  plaggen of zich permanent hebben gevestigd weten we nu nog niet; daarvoor is de ontwikkeling  nog in een te vroeg stadium. Wel is de ontwikkeling van heischrale aspecten in het belendende  graslandperceel hoopgevend. Aan de voet van de lage rug hebben zich heischrale soorten op een  voormalig landbouwperceel gevestigd.    Lokale grondwaterstromingen over de potklei maken van het Dijkveld een deelgebied waar  potenties zijn voor heischrale graslanden van het drogere type. Allen gedurende natte periodes  komt het grondwater op plekken hoog genoeg om te zorgen voor een lichte verhoging van het  bufferende vermogen, noodzakelijk voor het habitattype. Wel moet in dit deelgebied nog veel  verschraald worden voordat de nutriëntenbelasting ver genoeg is teruggebracht om binnen de  ecologische vereisten van heischraal grasland te vallen.    Knelpunten en oorzakenanalyse H6230 Heischrale graslanden    Agrarisch gebruik in deelgebied 11e: infiltratiegebied (Dijkveld)   Voedselrijke toplaag in deelgebied 11e: infiltratiegebied (Dijkveld)   De kritische depositiewaarde voor dit habitattype wordt ruim overschreden. De effecten van deze  overschrijding zijn niet uit de vegetatieontwikkeling af te leiden, omdat deze door recente  inrichtingsmaatregelen een positieve trend laat zien. De ontwikkeling van het habitattype zal  worden gemonitord om zo een vinger aan de pols te houden.    Leemten in kennis H6230 Heischrale graslanden    Een gedetailleerde omschrijving van de lokale hydrologie bij de aanwezig Heischrale graslanden,  om gericht de hydrologie te kunnen optimaliseren,    5.9 Gebiedsanalyse H6410 Blauwgraslanden  5.9.1 Inleiding    Voor het habitattype Blauwgraslanden in de Drentsche Aa is verbetering van de huidige kwaliteit en    108</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>    uitbreiding van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat van  instandhouding is zeer ongunstig. De relatieve bijdrage voor instandhouding van H6410 van de  Drentsche Aa is groot.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het beekdallandschap  (Grootjans et al. 2012). De blauwgraslanden in het Drentsche Aa-gebied bevinden zich op locaties  met kwel in de midden en bovenlopen. Het habitattype is afhankelijk van toevoer van gebufferd  grondwater om de buffercapaciteit aan te vullen. In de zomer mag het grondwater tijdelijk  wegzakken maar niet te diep. Deze plekken vindt je in Het Drentsche Aa-gebied lokaal op de  flanken van het beekdal.    Effecten van stikstofdepositie  De kritische depositiewaarde voor blauwgraslanden is vastgesteld op 1100 mol/ha/jaar (=15  kg/ha/jaar).    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.215 mol N ha! jr‘ berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.037 mol N ha? jr  1    Verzuring   De basenverzadiging en daarmee de weerstand tegen verzuring in de bodem van blauwgraslanden  wordt bepaald door de voorraden kationen en bicarbonaat, die vooral via het kwelwater worden  aangevoerd. Omdat deze voorraden beperkt zijn, is blauwgrasland gevoelig voor verzuring.    Vermesting   Vermesting leidt tot een toename van de biomassaproductie en uitbreiding van algemene soorten  zoals Grote wederik en Hennegras. Onder te droge omstandigheden kan stikstof zich ook ophopen  in het systeem. Dit zorgt ervoor dat bij een aangetaste hydrologie de blauwgraslanden meer  gevoelig zijn voor een verhoogde N-depositie.    overzicht van kwaliteit en oppervlakte H6410 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 1,95  Matig 0.64  Eindtotaal 2,59    De overall trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is iets negatief omdat het grootste oppervlak  in het Eexterveld dit is.    5.9.2 Deelgebied 3: De middenloop; Schipborgsche diep    Kwaliteitsanalyse H6410 Blauwgraslanden    Actuele verspreiding   Vegetatie die kwalificeren voor blauwgraslanden vinden we op twee locaties in deelgebied 3:   Op een plagplek bij het Schipborgsche diepen op de flank van het Schipborgsche diep bij de  Schipborgsche Esch. Het betreft een oppervlak van 0.07ha    Actuele kwaliteit   Blauwgrasland komt in deelgebied 3 alleen fragmentarisch voor. Het bevindt zich in grasland met  heischrale aspecten. Er zijn sinds 2000 geen typische soorten van dit habitattype waargenomen in  deelgebied 3. (SBB, NDFF)    Tabel 30 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H6410         SBB_CODE SBB_NAAM OPP act Kwaliteit  16Ala Blauwgrasland, typische subassociatie 0,02 Goed  16A-a RG Blau.knoop-Blau.zegge-[Vb. Biezenkn. -Pijpest. ] 0 Matig    109</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>    SBB_ NAAM OPP _act Kwaliteit  Ass. Moeraswolfsklauw en Snavelbies, typ. subass 0  RG G.struisg-G. biggek-[K.dr.gras.zand/K.vo.gras] 0,05    RG Borstelgras-[Klasse d heischrale graslanden] 0,07  Associatie van Liggend walstro en Schapegras 0,14  VOORLOPIG ONBEKEND 0,14         Trend   De kwaliteit en oppervlak van het blauwgrasland in dit deelgebied is tussen 1994 en 2008 niet veel  veranderd. Hoewel er een grotere oppervlakte aanwezig is van de typische subassociatie is zijn er  ook twee rompgemeenschappen verschenen. Een deel van deze matig kwalificerende vegetatie  komt uit de goede vegetatie van 1994 en een deel is nieuw. De nieuw verschenen rompen zitten  met name in de plagplekken.    Systeemanalyse H6410 Blauwgraslanden    De blauwgraslanden liggen allebei op de flank van het beekdal op plekken waar grondwater  uittreedt en verder afstroomt naar de lagere delen van het beekdal.    Knelpunten en oorzakenanalyse H6410 Blauwgraslanden    e Knelpunt is het wegzakken van het grondwaterpeil in droge jaren. Dit kan mogelijk (zie  leemten in kennis) worden voorkomen door het verhogen van de beekpeilen. Hierdoor kan het  kwelwater langer tot aan de wortelzone reiken, waardoor de buffercapaciteit voldoende word  aangevuld,   e De bermsloot bij het zuidelijke blauwgrasland areaal verstoort de lokale grondwaterstroming.    Leemten in kennis H6410 Blauwgraslanden    De huidige hydrologische situatie van de locaties waar men nu H6410 Blauwgraslanden vindt is  onvoldoende in detail bekend. Dat is wel nodig voor finetuning van de maatregelen. Onderzoek  naar de huidige hydrologische situatie is gepland in de eerste beheerplanperiode.    5.9.3 Deelgebied 5: De oostelijke middenloop    Kwaliteitsanalyse H6410 Blauwgraslanden    Actuele verspreiding    In de Westersche lage Landen op een plagplek aan de oostzijde van het beekdal wordt net ten  noorden van het Scheebroekerloopje 296 m2 16Aia Blauwgrasland, typische subassociatie aan  getroffen. Het totale vegetatievlak was 2250 m2 groot; de overige oppervlakte betrof plagplekken  met heidesoorten.    Actuele kwaliteit    Het betreft hier slechts een fragmentarische ontwikkeling van blauwgrasland op een plagplek. De  vraag is of deze soorten zich kunnen handhaven of uitbreiden in de verdere ontwikkeling van de    plagplek.    Tabel 31 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H6410    SBB_CODE — SBB_NAAM _OPP_act Kwaliteit  16Aía Blauwgrasland, typische subassociatie 0,03 Goed  400 VOORLOPIG ONBEKEND 0,2         Systeemanalyse H6410 Blauwgraslanden    Het blauwgrasland ligt op de flank van het beekdal. Het lokale grondwater komt uit de hoogte bij  de Markesteen. In hoeverre bijmenging met regionaal grondwater plaatsvindt, is niet bekend.    110</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>    Knelpunten en oorzakenanalyse H6410 Blauwgraslanden    De N-depositie.    Leemten in kennis H6410 Blauwgraslanden    Hydrologie van het perceel met H6410 is niet volledig bekend. Dit moet worden onderzocht in de  eerste beheerplanperiode.    5.9.4 Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop    Kwaliteitsanalyse H6410 Blauwgraslanden    Actuele verspreiding    Het gaat in deelgebied 7a om een perceel ten noorden van de aftakking van het verdeelwerk Loon  bij Dijkveld. Het habitattype is 0.36 ha groot    Actuele kwaliteit    De actuele kwaliteit is matig zowel door de aanwezige vegetatietypen als door het ontbreken van  waarnemingen van typische soorten.    Tabel 32 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H6410    SBB_CODE | SBB_NAAM _OPP_act Kwaliteit  16A-a RG Blau.knoop-Blau.zegge-[Vb. Biezenkn. -Pijpest.] 0,31 Matig  16A-f RG Veldrus-Veenmos-[Vb. Biezenknop., Pijpestro.] 0,05 Matig    11A-a RG Dophei-[Dophei-verbond] 0,02         Trend    Door al getroffen beheermaatregelen is de sterk negatieve trend afgeremd. De op buffering  wijzende meer basische soorten ontbreken echter nog.    Systeemanalyse H6410 Blauwgraslanden    De bereikte vernatting heeft nog niet geleid tot voldoende buffering door kwelwater in het  maaiveld. Herstel van de kwel kan bereikt worden door hydrologische maatregelen op de  aanliggende flanken (westelijk is dat het Dijksveld, Oostelijk onder andere Kampsheide) en door  beekpeilverhoging van het Loonerdiep, waardoor minder kwel wordt afgevangen en dus meer kwel  richting maaiveld op de daarboven gelegen blauwgraslanden wordt gestuwd.    Knelpunten en oorzakenanalyse H6410 Blauwgraslanden    e te laag beekpeil draineerd het beekdal. Knelpunten die beekpeilverhoging van het Loonerdiep  lastig maken zijn vooral gelegen in de aanwezigheid van agrerische percelen langs de beek bij  Loon. Ook waterontrekking door de waterwinning bij Assen heeft hoogstwaarschijnlijk effect, al  is lastig te zeggen of dit naast kwalitatief (verschuiven aanvoer lijdt tot minder basenrijke  types) ook kwantitatief van (groot) belang is.   e Overschrijding van de KDW voor stikstofdepositie is aan de orde. De te hoge depositiewaarden  voor stikstof zorgen er voor dat het gebied versneld verzuurt.    Leemten in kennis H6410 Blauwgraslanden    Geen.    11]</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>    5.9.5 Deelgebied 9: oostelijke boven-middenloop; het Andersche diep    Kwaliteitsanalyse H6410 Blauwgraslanden    Actuele verspreiding  Blauwgrasland komt op één locatie voor in het Andersche diep. Het oppervlak is 0,04 ha.    Actuele kwaliteit    Het Blauwgrasland is van een matige kwaliteit omdat de vegetatie gedomineerd wordt door  Pijpenstrootje. De vegetatie heeft veel kenmerken van Heischrale vegetaties wat wijst op  verzuring.    Tabel 33 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H6410  SBB _CODE SBB_NAAM OPP act Kwaliteit    16A-a RG Blau.knoop-Blau.zegge-[Vb. Biezenkn. -Pijpest. ] 0,04 Matig  20A-a RG B.smele-Pilzeg. -L.walst. -[V.hei.gras-V.-brem] 0,1         Trend    Het lijkt er op dat de vegetatie van de blauwgraslanden aan het verzuren is. Met zekerheid is hier  geen uitspraak over te doen door het ontbreken van eenduidige karteringsinformatie.    Systeemanalyse H6410 Blauwgraslanden    Het nu aanwezige heischrale grasland binnen het Natura 2000-gebied ligt in het zuiden van  Rebroek, waar het wat hoger op de helling gelegen is.    Knelpunten en oorzakenanalyse H6410 Blauwgraslanden    e Vergrassing, door met name pijpenstrootje, is een knelpunt. Dit wordt mogelijk veroorzaakt  door de te hoge stikstofdepositie, De overschrijding van de KDW voor stikstofdepositie kan  mede een oorzaak zijn voor de veronderstelde verzuring.    Leemten in kennis H6410 Blauwgraslanden    Door de niet eenduidige verschillen tussen de twee karteringen van 2003 en 2009 is in de eerste  beheerplanperiode onderzoek nodig om de trend duidelijk in beeld te krijgen.    5.9.6 Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de  Hondsrug    Kwaliteitsanalyse H6410 Blauwgraslanden    Actuele verspreiding    De Blauwgraslanden in deelgebied 10c bevindt zich op het Eexterveld. De Blauwgraslanden in  deelgebied 10b bevinden zich in het zuiden van het Gasterse Holt. In totaal gaat het om 2,09 ha  waarvan 2,06 ha op het Eexterveld.    In de Gasterse Holt is op een kleine, recent afgegraven plek de typische subassociatie van  blauwgrasland aangetroffen in 2008. Hier komt ook de basenminnende plantensoort Parnassia  voor.    Op het Eexterveld bestaat het blauwgrasland uit verschillende vegetatietypen behorende tot het  blauwgrasland. Deze komen in mozaïek voor met andere vegetatietypen, waarin typen behorende  tot kleine zeggen-gemeenschappen en natte heide en dotterbloemhooilanden het meest opvallen.  Van de typische plantensoorten is bij de laatste kartering blauwe knoop, blauwe zegge, blonde  zegge en spaanse ruiter waargenomen. Vroeger kwamen ook klein glidkruid, knotszegge en  vlozegge voor. Deze zijn bij de laatste kartering niet meer waargenomen. (mondelinge mededeling  Henk Everts en Nico de Vries)    112</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>    ip  mm  (eid  D  }  UI  01  >  oO  m  U  (D  TJ  oO  Rr  J    Drentsche Za — PAS-Gebiedsane vs    Tabel 34 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H6410    SBB _CODE SBB_NAAM Opp 10c Kwaliteit  16Ala Blauwgrasland, typische subassociatie 1,36 Goed  16A1b Blauwgrasland, subassociatie van Borstelgras 0,17 Goed  16A2c Veldrus-associatie, soortenarme subassociatie 0,07 Goed  16A-a RG Blau. knoop-Blau.zegge-[ Vb. Biezenkn. -Pijpest.] 0,32 Matig   Riet-associatie, typische subassociatie 0,01  RG Snavelzegge-Wateraardbei-[KI. kleine Zeggen] 0,01  Ass. Moerasstruisgras en Zompzegge, typ. subass. 0,01  Ass. Moerasstruisgras-Zompzegge, subass. Veldrus 0,03  RG Pijpestrootje-Veenmos-[K.hveensl/K.hveen.hei] 0,01  RG Beenbreek-[Kl. hoogveenbult. en natte heiden] 0   Ass. Moeraswolfsklauw en Snavelbies, typ. subass 0   Associatie v Gewone dophei, typische subassoc. 0,03  RG Gewone waterbies-[Riet-kl./Zilverschoon-vrb. ] 0,01  Assoc. v Geknikte vossestaart, verarmde subass. 0,11  RG Veldrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,53  RG Kamgr.-R.zwenk.-Moerasrolkl.[Kl. vocht.grasl.] 0,29  RG S.weegbr.-Kruip.boterb. -R.zwenk.[ Kl.v.grasl. ] 0,31  RG G.struisg-G.biggek-[K.dr.gras.zand/K.vo.gras] 0   RG Pitrus-[ Klasse der vochtige graslanden] 0,16  RG Moerasrolklaver-Echte koekoeksbl.-[Dotter-v. ] 0,11  RG Borstelgras-[Klasse d heischrale graslanden] 0,02  Associatie van Liggend walstro en Schapegras 0,2  Associatie van Waterpeper en Tandzaad 0,06  nvt 0,06  Associatie van Geoorde wilg 0,02  VOORLOPIG ONBEKEND 2,61  Berken-eikenbos, subassociatie van Stekelvaren 0,05         Trend    De vegetatieontwikkeling van het Eexterveld laat voor blauwgrasland een positieve trend zien. Hier  geldt echter hetzelfde als voor de heischrale graslanden: uitbreiding vindt voornamelijk plaats op  de nieuw ingerichte percelen, terwijl de blauwgraslanden in het bestaande reservaat achteruitgaan.  Als je naar de vegetatieopnames in het bestaande reservaat kijkt komt naar voren dat het gebied  sinds 1995 is verzuurd. Naast een duidelijke trend naar voedselarmere vegetatietypen is er ook  een verschuiving naar meer zuurminnende vegetatie waarneembaar. De Associatie van Noordse  zegge en de RG van Moerasrolklaver en Echte koekoeksbloem zijn nagenoeg verdwenen, terwijl  vegetatietypes van zuurdere natte milieus zoals RG Zwarte zegge-Moerasstruisgras-[Vb. Zw.  zegge] en RG Veldrus-[Klasse der vochtige graslanden] zin toegenomen. Van het laatste  vegetatietype is bekend dat deze verschijnt in verzurende dotterbloemhooilanden. Er zijn  aanwijzingen dat de waterwinning Annen, die steeds meer water onttrekt (in 1997 106 m3 water  en in 2009 4.106 m3 water), ervoor zorgt dat het gebufferde water het maaiveld niet meer bereikt.  Dit moet echter nog nader worden uitgezocht.    Systeemanalyse H6410 Blauwgraslanden    Uitbreiding van blauwgraslanden heeft alleen plaatsgevonden op de plagplekken die recentelijk zijn  ingericht. De oudere blauwgraslanden laten geen verbetering zien. Als je naar het oude reservaat  als geheel kijkt zie je dat dit gebied aan het verzuren is, Dit is een duidelijke aanwijzing dat er  minder grondwater aan het maaiveld komt.    Knelpunten en oorzakenanalyse H6410 Blauwgraslanden    e De te hoge depositiewaarden voor stikstof zorgen er voor dat het gebied versneld verzuurt.    113</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>    Leemten in kennis H6410 Blauwgraslanden    Onderzoek naar oorzaken die de hydrologie aantasten is nodig. Twee mogelijke oorzaken die de  hydrologie aantasten zijn verdroging door de waterwinning bij Breevenen en onvoldoende  toestroom van lokaal grondwater door de ontwatering van de landbouwgebieden in de omgeving  van het Eexterveld.    5,10 Gebiedsanalyse H7110B Actieve hoogvenen    5,10.1Inleiding    Voor het habitattype Actieve hoogvenen (heideveentjes) in de Drentsche Aa is verbetering van de  huidige kwaliteit en behoud van de huidige oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De  landelijke staat van instandhouding is zeer ongunstig.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het natte zandlandschap  (Everts et al. 2012). Heideveentjes vormen het late successie stadium in de laagten met een  schijngrondwaterspiegel. In Drenthe worden deze laagtes veentjes genoemd. In  schijnspiegellaagten kunnen verschillende successiestadia worden aangetroffen, beginnend met de  in 8 5.3 reeds genoemde Zure vennen (H3160}) en eindigend in een vegetatie van het  subhabitattype Actieve hoogvenen ( Heideveentjes, H7110B). In de Drentsche Aa worden in veel  schijnspiegellaagten mozaïeken aangetroffen van verschillende plantengemeenschappen die  kenmerkend zijn voor de verschillende verlandingsfasen (successiestadia) van open water naar  Heideveentjes .    Effecten stikstofdepositie   De kritische depositiewaarde voor heideveentjes is berekend op 714 mol/ha/jr. De te hoge  depositie zorgt in de heide veentjes van het Drentsche Aa-gebied met name voor vermesting.  Doordat de systemen al zuur zijn speelt verzuring een minder grote rol.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.328 mol N ha! jr! berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.136 mol N ha? jr  1    Vermesting   Depositieniveaus boven de kritische stikstofdepositiewaarde 714 mol/ha/jaar kunnen vooral leiden  tot vermesting van heideveentjes. Onder natuurlijke omstandigheden d.w.z. bij een  stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarde blijft de stikstofbeschikbaarheid in het systeem  laag door de efficiénte opname van stikstof door de veenmosvegetatie. Bij een toename van de  stikstofdepositie boven de kritische depositiewaarde kan de veenmosvegetatie uiteindelijk niet al  het stikstof meer vastleggen, het ,,veenmosfilter” is dan verzadigd geraakt met stikstof (Lamers  etal. 2000 waardoor vaatplanten zoals pijpenstrootje sterk toe kunnen nemen. In verdroogde  veentjes speelt dit nog veel sterker omdat dan het veenmos niet meer optimaal groeit en het  „veenmosfilter” niet meer werkt.    overzicht van kwaliteit en oppervlakte H7110B in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 0,66  Matig 0,10  Eindtotaal 0,76    De overall Trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is onbekend. Hierbij moet worden  opgemerkt dat de locale hydrologie de belangrijkste sturende factor is voor de trend.    114</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>    5.10.2Deelgebied 5: De oostelijke middenloop    Kwaliteitsanalyse H7110B Actieve hoogvenen    Actuele verspreiding    Dit habitattype komt voor in een veentje aan de noordzijde van de weg Oude molen-Gasteren aan  de oostzijde van de Drentsche Aa. Het betreft een oppervlak van 0.03 ha.    Actuele kwaliteit    Er is slechts een verouderde (1994) vegetatiekartering beschikbaar er kan daarom geen  trendanalyse worden uitgevoerd. De huidige status van het veentje is onbekend.    Tabel 35 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7110B    SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  RG Kleine veenbes-[K.hoogveenslenken/Veenmos-vb] 0,03 Goed    DG Pitrus - Veenmos-[Klasse van hoogveensienken] 0,17         Trend  Niet bekend    Knelpunten en oorzakenanalyse H7110 Actieve hoogvenen    De depositie is te hoog voor dit type. De te hoge stikstofdepositie is er waarschijnlijk een van de  oorzaken van dat er typische soorten ontbreken. Dit geldt vooral voor de bultvormende  veenmossen.   Bosopslag is nog weinig aanwezig (luchtfoto), maar moet wel in de gaten gehouden worden.    Leemten in kennis H7110B Actieve hoogvenen    Kennis over het functioneren en de landschapsecologische positie van het veentje ontbreekt. Dit zal  in kaart moeten worden gebracht in het kader van het beheerplan Natura 2000.    5.10.3Deelgebied 6: infiltratiegebied het Ballooérveld    Kwaliteitsanalyse H7110B Actieve hoogvenen    Actuele verspreiding    Dit type komt in het Ballooërveld voor in de vorm van een vijftal heideveentjes. Deze zijn ontstaan  uit vennen, die relatief recent met veenmossen zijn dichtgegroeid. Het betreft totaal een oppervlak  van 0.63 ha    Actuele kwaliteit    De acrotelm is niet overal goed ontwikkeld. De kwaliteit op basis van het vegetatietype is  weliswaar goed, maar typische soorten zijn sinds 2000 niet waargenomen (NDFF, SBB).    Tabel 36 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7110B    SBB_CODE | SBB_NAAM OPP _act Kwaliteit  10-b RG Veenpluis-Veenrnos-[Kl.kl. Zegge/Kl.hoogveensl] 0,46 Goed  Ass. Gewone dophei en Veenmos, subass struikhei 0,17 Goed         Trend    Op de structuurkaart van Defensie uit 1994 is nog open water waarneembaar, nu is vooral sprake  van veenmospakketten, onder andere de associatie van Gewone dophei en veenmos. Een deel van  de veentjes lijkt te verdrogen.    115</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
116 
 Systeemanalyse H7110B Actieve hoogvenen  
Heideveentjes komen op het Ballooërveld voor als hoogveen kernen in verlandende vennen. De 
eerste verlandingsstadia in vennen, bestaande uit drijvende of ondergedoken veenmospakketten 
(behorende tot de Associaties van Waterveenmos en de Associatie van veenmos en Witte 
snavelbies) worden nog tot de Zure vennen (H3 160) gerekend, wat bij één locatie op het 
Ballooërveld abusievelijk gebeurd is. Bij voortgaande successie kunnen hoogveenvegetaties 
ontstaan die behoren tot de Associatie van Gewone dophei en veenmos. De vennen zijn vaak 
gelegen in pingoruïnes. Inzijging v anuit de zeer nabije hogere omgeving kan een belangrijke rol 
spelen bij de voeding van de veentjes.  
 
Knelpunten en oorzakenanalyse H7110B Actieve hoogvenen  
 Verdroging is een belangrijk knelpunt die niet goed in beeld is. De verdroging kan zowel 
worden vero orzaakt door lokale ontwatering van het veentje of door een te lage drainage basis 
(de grondwaterstand in de omgeving). Deze laatse is met name van belang voor een duurzaam 
behoud van het veentje. Te lage waterstanden in de omgeving van een veentje kunnen 
negatieve invloed hebben op de slechtdoorlatende laag in deze 
schijngrondwaterspiegelsystemen..  
 De depositie (huidig en voorspeld) is te hoog voor dit type. De te hoge stikstof depositie is 
waarschijnlijk een van de oorzaken dat er typische soorten ontbrek en. Dit geldt vooral voor de 
bultvormende veenmossen.  
 Verbossing is nu nauwelijks aan de orde maar ligt bij verdroogde veentjes op de loer.  
 
Leemten in kennis H7110B Actieve hoogvenen  
Voor een goed beheer op de lange termijn is het noodzakelijk dat de kwaliteit en het functioneren 
van de veentjes in de eerste beheerplanperiode beter in beeld wordt gebracht.  
 
5.10.4  Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  
Kwaliteitsanalyse H7110B Actieve hoogvenen  
Actuele  verspreiding  
Een veentje behorende tot het habitattype Actieve hoogvenen bevindt zich in De Strubben (11d). 
Het veentje is 0,10 ha groot  
 
Actuele  kwaliteit   
In 2010 is met een veldbezoek vastgesteld dat hier een kwalificerend hoogveentje ligt. Verder zijn 
er geen gegevens bekend. Van de typische so orten is alleen de levendbarende hagedis 
waargenomen sinds 2000 (NDFF, SBB)  
 
Trend   
Geen informatie.  
 
Trend  
Niet bekend  
 
Systeemanalyse H7110B Actieve hoogvenen  
Het veentje lag altijd in het bos maar is nu door de herinrichting in een meer open situatie ko men 
te liggen.  
 
Knelpunten en oorzakenanalyse H7110B Actieve hoogvenen  
De depositie is te hoog voor dit type. De te hoge stikstofdepositie is er waarschijnlijk een van de 
oorzaken van dat er typische soorten ontbreken. Dit geldt vooral voor de bultvormende  
veenmossen. Eventuele andere knelpunten zijn door een gebrek aan informatie niet in beeld.  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
117 
 Leemten in kennis H7110B Actieve hoogvenen  
Er is geen informatie over de actuele kwaliteit en ontwikkeling beschikbaar.  
 
 
5.11  Gebiedsanalyse H7140A Overgangs - en tril venen  
5.11.1  Inleiding  
Voor het habitattype Overgangs - en trilvenen in de Drentsche Aa is verbetering van de huidige 
kwaliteit en uitbreiding van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat 
van instandhouding is matig ongunstig. Het areaal van het type is de afgelopen eeuw stabiel 
gebleven, maar de kwaliteit is wel afgenomen. De relatieve bijdrage voor Nederland voor 
instandhouding van H7140A van de Drentsche Aa is groot.  
 
Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocumen t voor het beekdallandschap 
(Grootjans et al. 2012). Dit habitattype betreft soortenrijke veenvormende systemen van 
betrekkelijk voedselarme tot matig voedselrijke omstandigheden. Van nature komen ze voor in de 
boven - midden - of benedenloop van het beekdal . Trilvenen bestaan uit mosrijke vegetaties. Van de 
vaatplanten voeren schijngrassen de boventoon en in de moslaag domineren slaapmossen. De 
plantengroei van de overgangs - en trilvenen staat onder invloed van basenrijk grondwater of 
oppervlaktewater. Grote  fluctuaties van de waterstand, ook al zijn die van tijdelijke aard, leiden al 
gauw tot verdroging. Daarbij kunnen dan bepaalde planten gaan woekeren, terwijl de biodiversiteit 
sterk achteruitgaat. Bij aanwezigheid van sterke kwel moeten de plantengemeensc happen van de 
overgangs - en trilvenen ontwikkelingsstadia in de successie naar alkalisch moeras (kalkmoeras).  
 
Effecten stikstofdepositie  
De kritische depositie is vastgesteld op 1214 mol/ha/jaar Maar niet alleen de huidige depositie 
maar ook verhoogde dep ositie in het verleden kan nu nog effect hebben op de overgangs - en 
trilvenen. In de Nederlandse beekdalen is de voorraad aan anorganisch stikstof veel hoger dan in 
ongestoorde referenties in Polen (Aggenbach et al. 2010). Naast afbraak van organisch mater iaal 
kan een hoge atmosferische depositie hieraan hebben bijgedragen. Ook is de aard van de depositie 
van belang voor een effectenanalyse. Karakteristieke mossoorten uit basenrijke milieus zijn zeer 
gevoelig voor hoge ammoniumdepositie (Paulissen et al. 20 04, 2005, Kooijman & Paulissen 2006).  
 
De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied ( AERIUS  Monitor 16 L). Voor de 
referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van 
gemiddeld 1.254  mol N ha-1 jr-1 berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.073  mol N ha-1 jr-
1.  
 
Verzuring  
Verzuring van overgangs - en trilvenen in beekdalen speelt geen grote rol omdat de overgangs - en 
trilvenen in beekdalen afhankelijk zijn van de aanvoer van gebufferd grondwater, die deze effecten 
opheffen.  
 
Vermesting  
De voor trilveen kenmerkende slaapmos sen (Scorpidium scorpioides en andere 'brown mosses') 
zijn zeer gevoelig voor ammonium (Paulissen et al. 2004, 2005, Kooijman & Paulissen 2006) en 
zullen snel verdwijnen bij toenemende depositie.  
 
In trilvenen van Nederlandse beekdalen is zijn de voorraden  aan anorganisch fosfaat en stikstof 
hoger dan in ongestoorde trilvenen met lagere N -depositie en grondwatervoeding. Het fosfaat is 
vooral gebonden aan ijzer. Stikstof komt vooral voor als ammonium dat is gebonden is aan het 
kationenadsorptiecomplex. Er zi jn aanwijzingen dat de actuele afbraak van organische stof in de 
Nederlandse beekdaltrilvenen hoog is, en daardoor ook de stikstof - en fosformineralisatie. In de 
Drentsche Aa bestaat de vegetatie voor een groot deel uit matig productieve 
rompgemeenschappen  van Holpijp en Snavelzegge. Deze gemeenschappen vertegenwoordigen een 
matige kwaliteit van het habitattype. De relatief hoge productie van de kruidlaag in deze 
gemeenschappen belemmert via lichtbeperking het voorkomen van kenmerkende mossoorten 
(Aggenbach  et al. 2010). Trilvenen met een goede kwaliteit die bestaan uit laagproductieve </pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>    plantengemeenschappen komen momenteel nauwelijks voor in Nederlandse beekdal overgangs- en  trilvenen. Een lagere nutriëntenbeschikbaarheid in deze habitattypen zal daarom leiden tot een  verbetering van de kwaliteit van het habitattype.    Overzicht van kwaliteit en oppervlakte H7140A in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 31,19  Matig 1,08  Eindtotaal 32,27    De overall Trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is positief. Dit is veroorzaakt door de al  uitgevoerde syteemherstel maatregelen (interne vernatting)    5.11.2 Deelgebied 1: De benedenloop; De Punt tot Westlaren    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Actuele verspreiding  De overgangs- en trilvenen komen in dit deelgebied in de Westerlanden in kleine oppervlaktes  voor.    Actuele kwaliteit   In het noordwesten van het deelgebied, waar zich onder andere de Kappersbult bevindt, kwamen  in 1994 over vrij grote oppervlakten de rompgemeenschappen van Snavelzegge en de Associatie  van Moerasstruisgras en Zompzegge voor. Echter zijn, met name, de kwelafhankelijke  vegetatietypen van matige kwaliteit, wat duidt op het ontbreken van voldoende kwel. In 2008  bestond een groot deel van het deelgebied uit soortenarme, voedselrijke vegetaties waaronder veel  grasland. Volgens de definitie uit het profieldocument zijn deze vegetaties niet meer als H7140A  trilvenen te classificeren. Volgens het profieldocument zijn deze vegetaties alleen H7140A in  kwelsituaties. In de Kappersbult is geen kwel en er komt daarom geen H7140A voor. Het  oostelijke deel van de zuidelijke helft, de Westerlanden, bestaat uit grasland en voor een kleiner  deel uit akkers. Er zijn sinds 2000 geen waarnemingen van typische soorten van dit H7140 bekend  ( SBB, NDFF).    Tabel 37 Overzicht vegetatietypen met habitattype H7140A    |SBB_CODE SBB_NAAM Kwaliteit  |   |09A3a Ass. Moerasstruisgras en Zompzegge, typ. subass. Goed  |09B-b RG Waterdrieblad-[Verbond van Draadzegge] Goed  |O9A-a RG Zwarte zegge-Moerasstruisgras-[Vb. Zw. zegge] Matig  |osc1 Krabbescheer associatie   |08-a RG Liesqras-[Riet-klasse]   |08-b RG Rietqras-[Riet-klasse]   |o8B3c Riet-associatie, subassociatie van Moerasvaren   |ogc-c RG Pluimzeqge-[Verbond der grote Zeggen]   |o8c2b Assoc. v Scherpe zegge, subass. v Wateraardbei   |ogc2c Associatie v Scherpe zegge, soortenarme subass.   |osc4a Associatie v Noordse zegge, typische subassoc.   |O8C6b Associatie v Stijve zeqge, soortenarme subassoc.   |12B1d Assoc. v Geknikte vossestaart, verarmde subass.    118</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>                                  |SBB_CODE SBB_NAAM Kwaliteit  |16-r RG Pitrus-[Klasse der vochtige qraslanden]    water    Trend    Sinds begin jaren zeventig is er onderzoek verricht door de Rijksuniversiteit Groningen. Als deze  karteringen in een chronologische reeks worden geanalyseerd is een duidelijke achteruitgang  zichtbaar van grondwatergebonden vegetatietypen.    Systeemanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Van oorsprong lag hier een grote opperviakte met een constante waterstand. Nu is het type  verdroogd.    Knelpunten en oorzakenanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Verdroging    Afname van kwel en een toename van de ontwatering vormen een groot knelpunt. Uit het Gorecht-  onderzoek (Rus en Meuleman 2002 Rus et al. 2002) komt naar voren dat de Ydermade polder een  groot verdrogend effect heeft op het naastliggende Drentsche Aa systeem.    Waterwinning    Sinds de reductie van grondwaterwinning De Punt in 2009 is de invloed van waterwinning op het  waterstandsregime en kwel/infiltratie voor het hele deelgebied gering in verhouding tot de effecten  van ontwatering door de Ydermade polder (zie boven). De winning heeft echter vooral effect op de  Kappersbult de plek waar de Overgangs- en trilvenen voorkomen.    Overstromingsregime    Verandering van het overstromingsregime door verdeelwerk Loon en het aanleggen van bekading  kunnen het habitattype negatief hebben beïnvloed. Echter, is daarnaast het effect van de huidige  nutriënten- en organische stofbelasting in de overstroomde terreindelen vanuit de beek onduidelijk.    Leemten in kennis H7140A Overgangs- en trilvenen    Leemten in kennis zijn:  e Veranderingen in het overstromingsregime door verdeelwerk Loon    5.11.3 Deelgebied 2; De overgang beneden-middenloop bij Westlaren    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Actuele verspreiding   De grootste conglomeratie van overgangs- en trilvenen is in dit deelgebied westelijk van het  Westerdiep bij de Zwijnenmaden. Daarnaast vinden we ze ook op het westelijke beekdal bij de  Osbroeken en op een paar percelen langs het Schipborgsche diep. Het betreft in totaal 1,40 ha.    Actuele kwaliteit    De vegetatieopnames onder dit habitattype zijn deels gedateerd en laten geen niet-algemene  soorten zien, waaruit geconcludeerd mag worden dat deze Overgangsvenen van matige kwaliteit  zijn. Verder komt het habitattype in een groot deel voor in mozaïek met andere vegetatietypen. Bij  de Zwijnenmaden is wel een herhaalde kartering uitgevoerd. Een overzicht van de gevonden  vegetatietypen binnen het huidige areaal H7140A vind je in tabel 3.2.6.2 Er zijn sinds 2000 geen  waarnemingen van typische soorten van dit H7140 bekend (SBB, NDFF).    Tabel 38 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7140A en trend Zwijnmaden  | SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit    119</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa — PAS-Gebkiedsana , se „ersie 15 december 2017         | SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  |o8-k RG Holpijp-[Riet-klasse/Klasse d. kleine Zeggen] 0,08 Goed  |09-f RG Snavelzeqqe-Wateraardbei-[KI. kleine Zeqqen] 0,92 Goed  |o9A3a Ass. Moerasstruisgras en Zompzeqge, typ. subass. 0,26 Goed  |09A3c Ass. Moerasstruisgras-Zompzeqge, subass. Veldrus 0,01 Goed  |09B-b RG Waterdrieblad-[Verbond van Draadzeqge] 0,02 Goed  |09A-a RG Zwarte zeqqge-Moerasstruisqras-[Vb. Zw. zeqge] 0,05 Matig  |o7A1d Bronkruid-associatie, subassoc. v Waterpostelein 0,01   |o8-a RG Liesgras-[Riet-klasse] 0,03   |08-b RG Rietgras-[Riet-klasse] 0,11   |o8B3d Riet-associatie, soortenarme subassociatie <0,005   |osc-f RG Hennegras-[Verbond der grote Zeggen] 0,02   |osc4a Associatie v Noordse zegge, typische subassoc. 0,52   |ogc4b Assoc. v Noordse zegge, subass. v Wateraardbei 0,24   |09/e DG Pitrus-[Klasse der kleine Zeggen] 0,03   |10-I RG Pitrus - Veenmos-[Klasse van hoogveensienken] 0,03   |12B-h RG Gewone waterbies-[Riet-kl./Zilverschoon-vrb. ] 0,01   |12B-j RG Fioringras-[Zilverschoon-vb/KI.vochtig.grasl] 0,21   |12B-k RG Mannagqras-[Riet-klasse/Zilverschoon-verbond] 0,21   |12B1a Assoc. v Geknikte vossestaart, typische subass. 0,09   |12B1d Assoc. v Geknikte vossestaart, verarmde subass. 0,1   |16-a RG Gestr.witbol- E.Koekoeksbl.-[KI. vocht.gqrasl. ] 1,11   |16-q RG S.weegbr.-Kruip. boterb.-R.zwenk.[Kl.v.qrasl. ] 1,71   |16-i RG G.struisq-G. biqgek-[K.dr.qras.zand/K.vo.qras] 0,35   [16-1 RG Gestr.witbol-B.langbl.-Eng.raai.[Kl.v.qrasl. ] 0,35   |16-r RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,37   |16B-b RG Moerasrolklaver-Echte koekoeksbl.-[Dotter-v. ] 0,45   |16B/a DG Riet - Rietqras-[Dotterbloem-verbond] 0,1   |16B/c DG Liesqras-[Dotterbloem-verbond] 0,03   |16B1a Ass. Boterbloem en Waterkruiskruid, typ. subass. 0,03   |16B1d Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub. Wateraardbei 0,55   |16B1e Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub. Blauwe zegge 0,04   18-a RG Gladde witbol-[KI. Gladde witbol en Havikskr] 0,02         Trend    Wat opvalt, is dat er zowel een toename is van vegetatietypen behorende bij H7410A als een  afname van natte vegetatie typen uit de rietklasse. Uit een ruimtelijke analyse komt naar voren dat  de graslanden bij de beek natter zijn geworden en de graslanden hogerop het beekdal dicht bij de  zandwinning droger. Invloed van de uitbreiding van de zandwinning kan niet worden uitgesloten.    Systeemanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Overgangs en trilveenvegetaties zijn van oorsprong veenvormend. De huidige overgangs- en  trilveenvegetaties in de Drentsche Aa zijn initiële stadia waarin de veenvorming nog niet (goed) op  gang is gekomen. De inrichtingsmaatregelen die de laatste decennia zijn getroffen hebben er  echter wel voor gezorgd dat de a-biotische omstandigheden voor deze vegetaties voor grote delen  van de Drentsche Aa zijn verbeterd. Op plekken waar het grondwater weer hoog genoeg in het  maaiveld komt zien we ontwikkeling van de Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge. Op  plaatsen waar veel kwel optreedt, vinden we vegetatie gedomineerd door Holpijp, vaak in  combinatie met Snavelzegge. Belangrijk voor dergelijke vegetaties in een constante aanvoer van  voldoende water zodat ook in de zomer de waterpeilen hoog blijven. In de initiële fase missen de  trilvenen nog de mogelijkheid om met de waterstand mee op en neer te bewegen. De  aanwezigheid van een zandwinput op de bovenrand van het beekdal is een belemmering voor het  ontwikkelen van een goede systeemgradiënt. De mate van beïnvloeding van het hydrologische  systeem door de zandwinput is echter nog niet onderzocht.    120</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>    O  om  J  Tt  uy  a  TD  am  I  au  I  UO  I  wy  1  G)  ip  D  am  oa  uy  Cu  5  u  DR)  m  iD  a  m  '  uw  $1  a)  a  (D  5  ne  TJ  oO  Be  J    Knelpunten en oorzakenanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    e De beken Westerdiep en Zeegserloopje hebben een lage waterstand waardoor het beekdal  verdroogt. Aan de zuidzijde loopt in zuid-noord richting een sterk ontwaterende sloot.  Daarnaast belemmert versnelde waterafvoer door landbouwsloten continuering van de  grondwatertoestroom. Vasthouden van het water in de infiltratiegebieden is de motor van het  systeem.   e De aanwezige zandwinputten bij Zwijnmaden hebben een negatief effect op de hydrologie.    Leemten in kennis H7140A Overgangs- en trilvenen    Er is onduidelijkheid over de grootte van het effect op hydrologie van de aanwezige zandwinputten  in deelgebied 2. Deze leemte moet door onderzoek in de eerste beheerplanperiode ingevuld  worden.    5.11.4 Deelgebied 3: De middenloop; Schipborgsche diep    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Overgangs- en trilvenen vind je overal in deelgebied 3 op de lagere plekken in het beekdal. Het  betreft in totaal 6,09 ha    Actuele kwaliteit    Het habitattype Overgangs- en trilvenen komt in deelgebied 3 vaak voor met vegetatietypen die  behoren tot de dotterbloemhooilanden maar ook vegetatietypen van natte schraallanden komen in  mozaïek voor. Er zijn sinds 2000 geen waarnemingen van typische soorten van dit H7140 bekend  (SBB, NDFF).    Tabel 39 overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7140A    | SBB_CODE SBB_NAAM OPP _act Kwaliteit  |08-k RG Holpijp-[Riet-klasse/Klasse d. kleine Zeqgen] 0,58 Goed  |09-f RG Snavelzegge-Wateraardbei-[Kl. kleine Zeggen] 2,23 Goed  |o9A3a Ass. Moerasstruisgras en Zompzegge, typ. subass. 1,65 Goed  |09A3b Ass. Moerasstruisqras-Zompzeqge, subass Draadrus 0 Goed  |09A3c Ass. Moerasstruisgras-Zompzegge, subass. Veldrus 0,7 Goed  |09B-b RG Waterdrieblad-[Verbond van Draadzegge] 0,45 Goed  |09A-a RG Zwarte zegge-Moerasstruisgras-[Vb. Zw. zegge] 0,45 Matig  |10-a RG Sn.zegge-V.mos-[K.kl.Zegg/K.hveensi/K. hv. hei] 0,02 Matig  |o8-a RG Liesgras-[Riet-klasse] 0,2   |08-b RG Rietgras-[Riet-klasse] 0,06   |o8-d RG Grote Lisdodde-[Riet-klasse] 0,02   |08A1 Lidsteng-associatie 0   |O8C-b RG Moeraszegge-[Verbond der grote Zeggen] 0,01   |o8C-c RG Pluimzegge-[Verbond der grote Zeggen] 0,01   |o8c4a Associatie v Noordse zegge, typische subassoc. 0,6   |o8c4b Assoc. v Noordse zegge, subass. v Wateraardbei 0,65   |10-1 RG Pitrus - Veenmos-[Klasse van hooqveenslenken] 0,12   |12B-h RG Gewone waterbies-[Riet-kl./Zilverschoon-vrb. ] 0,03   |12B-k RG Mannagras-[Riet-klasse/Zilverschoon-verbond] 0,04   |12B1a Assoc. v Geknikte vossestaart, typische subass. 0,02   |12B1d Assoc. v Geknikte vossestaart, verarmde subass. 0,19   |16-a RG Gestr.witbol- E.Koekoeksbl.-[Kl. vocht.grasl.] 0,24   |16-b RG Veldrus-[Klasse der vochtige graslanden] 2,67   |16-f RG Kamagr. -R.zwenk.-Moerasrolkl.f Kl. vocht. grasl. ] 0,83   |16-g RG S.weegbr.-Kruip. boterb.-R.zwenk.[Kl.v.grasl.] 2,61    121</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>    | SBB_CODE SBB_NAAM   |16-i RG G.struisq-G.biqqek-[K.dr.qras.zand/K.vo.qras]  [16-1 RG Gestr. witbol-B.langbl.-Eng.raai.[Kl.v.qrasl. ]  |16-r RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden]   |16A-a RG Blau.knoop-Blau.zeqqe-[ Vb. Biezenkn. -Pijpest. ]  |16A-d RG Gr.wederik-Hennegr. -P.ruit-[V Biez.-Pijpest. ]  |16A2a Veldrus-associatie, typische subassociatie   |16A2c Veldrus-associatie, soortenarme subassociatie   | 16B-b RG Moerasrolklaver-Echte koekoeksbl.-[Dotter-v.]  |16B-d RG Moeraszeqqe-Scherpe zeqqe-[Dotterbloem-v. ]  |16B/c DG Liesqras-[Dotterbloem-verbond]   |16B1a Ass. Boterbloem en Waterkruiskruid, typ. subass.  |16B1d Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub. Wateraardbei  |16B1e Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub. Blauwe zegge  |16B2 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge  |16B4 Bosbies-associatie   | 16C-k RG Bereklauw-Fluitekr.-Gr.vossest.[Glansh.-vb. ]  |18-a RG Gladde witbol-[Kl. Gladde witbol en Havikskr]  |300 nvt   |32-f RG Brandnetel-[Klasse d natte strooiselruigten]  |400 VOORLOPIG ONBEKEND   50A water   Trend    Door de getroffen inrichtingsmaatregelen de laatste decennia is het areaal H7140_A toegenomen.  In 1994 was er 1,4 hectare aan kwalificerende vegetatietypen, waarvan 0,47 hectare van matige  kwaliteit. In 2008 was dit areaal meer dan verdubbeld tot 3,9 hectare waarvan 0,23 hectare van  matige kwaliteit. Vooral de toename van holpijp en veldrus in de vegetatie duidt erop dat de    invloed van grondwater is toegenomen.    Systeemanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Op plekken waar inrichtingsmaatregelen zijn getroffen, voor het herstel van de hydrologie  waardoor het grondwater tot aan het maaiveld komt, zie je in een relatief korte periode herstel van  vegetatietypen die kenmerkend zijn voor overgangsveen verschijnen. Het betreft hier duidelijk  geen trilvenen maar overgangsvegetatietypen in de successie naar alkalisch moeras (Grootjans  mondelinge mededeling). De kwaliteit die uiteindelijk bereikt kan worden hangt af van de kwaliteit    en intensiteit van de toestromende kwel.    OPP act Kwaliteit  1,06  0,67  1,24  0,05  0,03  0,46  0,54  2,63  0,01  0,04  2,11  3,89  0,02  0,03   0  0,02  0,01  0,04  0,05  0,12   0    Knelpunten en oorzakenanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen         e Knelpunt is het wegzakken van het grondwaterpeil in droge jaren; dit kan worden voorkomen  door het verhogen van de beekpeilen. Daarnaast is het een knelpunt dat het kwelwater lokaal    het maaiveld niet bereikt.    e Sloten op de grens met het landgoed Schipborg vangen veel grondwater af.    Leemten in kennis H7140A Overgangs- en trilvenen    De verdere ontwikkeling van de overgangsvenen die moet leiden tot verbetering van kwaliteit is nu  nog niet goed in beeld. Wel mag worden aangenomen dat er uitbreiding en kwaliteitsverbetering    zal plaatsvinden.    Door de relatief korte periode na de vernattingsmaatregelen is de vegetatie nog niet in evenwicht.  Wel ontbreken de typische soorten in de ontwikkeling tot nu toe.    122</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa — PAS-Gebkiedsana , se „ersie 15 december 2017    5.11.5 Deelgebied 4: De westelijke middenloop    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Actuele verspreiding    Overgangs- en trilvenen liggen in de lagere delen van het beekdal verspreid in deelgebied 4, Het  betreft een oppervlak van 4,01 ha    Actuele kwaliteit    Dit habitattype bestaat in deelgebied 4 uit de Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge, de  Rompgemeenschap van Holpijp [Klasse van de kleine zeggen] en de rompgemeenschap van  Snavelzegge/ Wateraardbei [Klasse van de kleine zeggen). In de lage delen van het Beekdal zijn  ook op diverse plekken kleine oppervlakten Grote zegge-begroeiingen met scherpe zegge,  moeraszegge en tweerijige zegge aangetroffen. In de holpijp-moerassen komt ook regelmatig veel  noordse zegge voor. Deze soort heeft zich sinds de jaren negentig sterk uitgebreid.  Dotterbloemhooilanden hebben zich tevens in de hogere delen van het beekdal ontwikkeld waar  voorheen vochtige soortenarme graslanden voorkwamen. De tabel hieronder geeft het overzicht  van vegetatietypen van het areaal met habitattype H7140A. Er is sinds 2000 alleen nog de ronde  zegge als typische soort van H7140 aangetroffen (SBB, NDFF).    Tabel 40 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitatype H7140A         | SBB_CODE SBB_NAAM OPP act Kwaliteit  |o8-k RG Holpijp-[Riet-klasse/Klasse d. kleine Zeggen] 0,71 Goed  |09-f RG Snavelzeqqe-Wateraardbei-[KI. kleine Zeqqen] 1,79 Goed  |09A3a Ass. Moerasstruisqras en Zompzeqgqe, typ. subass. 0,6 Goed  |09A3c Ass. Moerasstruisgras-Zompzeqge, subass. Veldrus 0,68 Goed  |09B-b RG Waterdrieblad-[Verbond van Draadzegge] 0,07 Goed  |o9A-a RG Zwarte zeqqe-Moerasstruisqras-[Vb. Zw. zeqge] 0,09 Matig  |o8-a RG Liesqras-[Riet-klasse] 0,07   |o8-d RG Grote Lisdodde-[Riet-klasse] 0,06   |08-h RG Grote egelskop-[Riet-klasse] 0,02   |o8A1 Lidsteng-associatie 0,01   |08B3a Riet-associatie, typische subassociatie 0,02   |O8C-b RG Moeraszegge-[Verbond der grote Zeggen] 0,07   |o8C-c RG Pluimzegge-[Verbond der grote Zeggen] 0,01   |ogc2b Assoc. v Scherpe zegge, subass. v Wateraardbei 0,1   |o8c2c Associatie v Scherpe zegge, soortenarme subass. 0,01   |o8C4b Assoc. v Noordse zegge, subass. v Wateraardbei 0,15   [10-1 RG Pitrus - Veenmos-[Klasse van hoogveenslenken] 0,05   |12B-h RG Gewone waterbies-[Riet-kl./Zilverschoon-vrb. ] 0   |12B-j RG Fioringras-[Zilverschoon-vb/KI.vochtiq.qrasl] 0,05   |12B-k RG Mannagqras-[Riet-klasse/Zilverschoon-verbond] 0,01   |12B1a Assoc. v Geknikte vossestaart, typische subass. 0,05   |12B1d Assoc. v Geknikte vossestaart, verarmde subass. 0,01   |16-b RG Veldrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,59   |16-f RG Kamgr. -R.zwenk.-Moerasrolkl.f Kl. vocht. grasl. ] 0,08   |16-q RG S.weegbr.-Kruip. boterb.-R.zwenk.[Kl.v.qrasl. ] 2   |16-i RG G.struisq-G. biqgek-[K.dr.qras.zand/K.vo.qras] 0,12   [16-1 RG Gestr. witbol-B.langbl.-Enq.raai.[Kl.v.grasl. ] 0,58   |16-r RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,52   |16A2a Veldrus-associatie, typische subassociatie 0,03   |16B-b RG Moerasrolklaver-Echte koekoeksbl.-[Dotter-v.] 1,89   |16B-d RG Moeraszegge-Scherpe zegge-[Dotterbloem-v. ] 0,45   |16B1a Ass. Boterbloem en Waterkruiskruid, typ. subass. 0,8   |16B1d Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub. Wateraardbei 0,92   |16B1f Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub Scherpe zegge 0,01    123</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>    | SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit         |16B2 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszeqge 0,03  [1684 Bosbies-associatie 0,14  |16C-k RG Bereklauw-Fluitekr.-Gr.vossest.[Glansh.-vb. ] 0,05  |18-a RG Gladde witbol-[KI. Gladde witbol en Havikskr] 0  |19A1 Associatie van Liggend walstro en Schapegras 0,01  |32A1 Associatie van Moerasspirea en Valeriaan 0,06  400 VOORLOPIG ONBEKEND 0,12  Trend    In 1995/1996 bestond in de lage delen van het Beekdal de vegetatie voor een groot deel uit  soortenarme graslanden. In de lage delen van het Beekdal van het noordelijke deel kwamen  daarnaast ook veel Dotterbloemhooilanden voor en in kleine vlakken O9-f de RG Snavelzegge/  Wateraardbei [Klasse van de kleine zeggen) (habitattype H7140A Overgangs- en Trilvenen) en  32A-1 Moerasspirea-ruigten (H6430A Ruigten en zomen). In het zuidelijk deel (Lage Maden en  Hoge Maden) namen deze vegetatietypen een veel geringer oppervlakte in.   In de periode 2003-2009 is in de lage delen van het beekdal de oppervlakte van habitattype  H7140A Overgangs- en trilvenen sterk toegenomen.    Systeemanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Overgangs en trilveenvegetaties zijn van oorsprong veenvormend. De huidige overgangs- en  trilveenvegetaties in de Drentsche Aa zijn initiële stadia waarin de veenvorming nog niet (goed) op  gang is gekomen. De inrichtingsmaatregelen die de laatste decennia zijn getroffen hebben er  echter wel voor gezorgd dat de abiotische omstandigheden voor deze vegetaties voor grote delen  van de Drentsche Aa zijn verbeterd. Op plekken waar het grondwater weer hoog genoeg in het  maaiveld komt zien we ontwikkeling van de Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge. Op  plaatsen waar veel kwel optreedt, vinden we vegetatie gedomineerd door holpijp, vaak in  combinatie met snavelzegge. Belangrijk voor dergelijke vegetaties is een constante aanvoer van  voldoende water zodat ook in de zomer de waterpeilen hoog blijven. In de initiële fase missen de  trilvenen nog de mogelijkheid om met de waterstand mee op en neer te bewegen.    Knelpunten en oorzakenanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    De waterwinning Assen heeft in het lage deel van het dal geringe invloed op de freatische standen,  maar wel een significantie invloed op de kwelflux. Op de dalflanken van het deelgebied heeft de  winning een kleine invloed op GLG.    De invloed van de beekpeilen en interne ontwatering is zowel in de lage delen van het dal als op de  dalflanken sterk. Bij interne vernatting wordt een hoge kwelflux in het dal behouden wanneer dat  gecombineerd wordt met beekpeilverhoging.    Leemten in kennis H7140A Overgangs- en trilvenen    Door de recent uitgevoerde inrichtingsmaatregelen is het systeem nog op weg naar een nieuw  evenwicht. De uiteindelijke staat van het habitattype is nu nog moeilijk te voorspellen. Vooral de  ontwikkeling van de typische diersoorten is onzeker en dient de komende periode gemonitord te  worden. Wel is duidelijk dat er een aanzienlijke uitbreiding en kwaliteitsverbetering zal  plaatsvinden.    5.11.6Deelgebied 5: De oostelijke middenloop    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Actuele verspreiding    Het habitattype Overgangs- en trilvenen komt verspreid door het hele deelgebied op de lager  gelegen delen van het beekdal voor. Met het zwaartepunt bij de Westersche Lage Landen en de  Ossenbroeken. De omvang is 9,72 ha.    124</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa — PAS-Gebiedsanalyse versie 15 december 2017    Actuele kwaliteit    Overgangsvenen komen voor op een oppervlak van ca. 9 hectare. Ze komen voor in mozaïek met  matig voedselrijke graslanden, overstromingsgraslanden en moerasgemeenschappen (zie Tabel  41). Er zijn sinds 2000 geen waarnemingen van typische soorten van dit H7140 bekend (SBB,  NDFF).    Tabel 41 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7140A  | SBB_CODE                             SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit    |o8-k RG Holpijp-[Riet-klasse/Klasse d. kleine Zeggen] 5,03 Goed  |09-f RG Snavelzeqqe-Wateraardbei-[KI. kleine Zeqgen] 3,68 Goed  |09A3a Ass. Moerasstruisgras en Zompzeqge, typ. subass. 0,41 Goed  |09A3c Ass. Moerasstruisgras-Zompzegge, subass. Veldrus 0,01 Goed  |09B-b RG Waterdrieblad-[Verbond van Draadzegge] 0,02 Goed  |o9A-a RG Zwarte zeqge-Moerasstruisqras-[Vb. Zw. zegge] 0,3 Matig  |10-a RG Sn.zeqqe-V.mos-[K.kl.Zeqq/K.hveensi/K. hv. hei] 0,01 Matig  |10-b RG Veenpluis-Veenmos-[Kl.kl. Zegge/Kl.hoogveensl] 0,09 Matig  |o1-a RG Klein kroos-[Eendekroos-klasse] 0,01   |E1 Associatie van Waterviolier en Sterrekroos 0,02   |o6-b RG Duizendknoopfonteinkruid-[Oeverkruid-klasse] 0,01   |O7A1d Bronkruid-associatie, subassoc. v Waterpostelein 0,21   |08-a RG Liesgras-[Riet-klasse] 0,01   |08-b RG Rietgras-[Riet-klasse] 0,16   |og-d RG Grote Lisdodde-[Riet-klasse] 0,12   |o8-h RG Grote egelskop-[Riet-klasse] 0,08   |08B3a Riet-associatie, typische subassociatie 0,06   |08B3b Riet-associatie, subassociatie van Dotterbloem 0,05   |o8C-b RG Moeraszegge-[Verbond der grote Zeggen] 0,24   |ogc2c Associatie v Scherpe zegge, soortenarme subass. 0,04   |osc4a Associatie v Noordse zegge, typische subassoc. 0,07   |o8c4b Assoc. v Noordse zegge, subass. v Wateraardbei 0,28   |09-k RG Pitrus-[Klasse der kleine Zeggen] 0,11   [10-1 RG Pitrus - Veenmos-[Klasse van hoogveenslenken] 0   |11-d RG Eena.wolleqr.-Veenmos-[K.hveensi/K.hveen. hei] 0,39   [11-9 RG Pijpestrootje-Veenmos-[K.hveensl/K.hveen.hei] 0,11   |11B-c RG Kleine veenbes-[K.hooqveenslenken/Veenmos-vb] 0,19   |12A1b Ass. Engels raai.-Gr. weegbree, sub Tengere rus 0   |12B-h RG Gewone waterbies-[Riet-kl./Zilverschoon-vrb.] 0,01   | 12B-k RG Mannagras-[Riet-klasse/Zilverschoon-verbond] 0,05   |12B1a Assoc. v Geknikte vossestaart, typische subass. 0,9   |12B1d Assoc. v Geknikte vossestaart, verarmde subass. 0,35   |16-a RG Gestr. witbol- E.Koekoeksbl.-[KI. vocht.grasl.] 0,09   |16-b RG Veldrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,03   |16-f RG Kamgr.-R.zwenk.-Moerasrolkli.[Kl. vocht.grasl.] 0,86   |16-g RG S.weegpbr.-Kruip. boterb.-R.zwenk.[Kl.v.grasl.] 0,45   |16-i RG G.struisg-G. biggek-[K.dr.gras.zand/K.vo.gras] 0   |16-1 RG Gestr. witbol-B.lanqbl.-Eng.raai.fKl.v.grasl. ] 2,39   |16-r RG Pitrus-[Klasse der vochtiqe graslanden] 0,74   |16/d DG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,13   |16A2a Veldrus-associatie, typische subassociatie 0,01   |16A2c Veldrus-associatie, soortenarme subassociatie 0   |16B-b RG Moerasrolklaver-Echte koekoeksbl.-[Dotter-v. ] 3,18   |16B-d RG Moeraszeqqe-Scherpe zeqqe-[Dotterbloem-v. ] 0,27   |16B1a Ass. Boterbloem en Waterkruiskruid, typ. subass. 2,87   |16B1d Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub. Wateraardbei 2,58   |16B1e Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub. Blauwe zegge 0    125</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>                                        | SBB_CODE SBB_NAAM OPP _act Kwaliteit    |16B1f Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub Scherpe zeqqe 0,04  |18-a RG Gladde witbol-[KI. Gladde witbol en Havikskr] 0   |300 nvt 0,1  |400 VOORLOPIG ONBEKEND 1,73    water 0,2           Trend    H7140A is in de laatste jaren sterk ontwikkeld als resultaat van de uitgevoerde  inrichtingsmaatregelen. Als we de opeenvolgende karteringen vergelijken zien we dat deze  toename ten koste is gegaan van het oppervlak aan 16-l RG Gestr.witbol-B.langb|.-  Eng.raai.[Kl.v.grasl.] en 16B-b RG Moerasrolklaver-Echte koekoeksbl.-[Dotter-v.]. Verder zien we  dat in dit gebied de oppervlakte moerasvegetaties is toegenomen.    Systeemanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Overgangs en trilveenvegetaties zijn van oorsprong veenvormend. De huidige overgangs- en  trilveenvegetaties in de Drentsche Aa zijn initiële stadia waarin de veenvorming nog niet (goed) op  gang is gekomen. De inrichtingsmaatregelen die de laatste decennia zijn getroffen hebben er  echter wel voor gezorgd dat de abiotische omstandigheden voor deze vegetaties voor grote delen  van de Drentsche Aa zijn verbeterd. Op plekken waar het grondwater weer hoog genoeg in het  maaiveld komt zien we ontwikkeling van de Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge. Op  plaatsen waar veel kwel optreedt, vinden we vegetatie gedomineerd door Holpijp, vaak in  combinatie met Snavelzegge. Belangrijk voor dergelijke vegetaties in een constante aanvoer van  voldoende water zodat ook in de zomer de waterpeilen hoog blijven. In de initiële fase missen de  trilvenen nog de mogelijkheid om met de waterstand mee op en neer te bewegen.    Knelpunten en oorzakenanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Ondanks de positieve trend van dit habitattype is er nog wel een duidelijk knelpunt aanwijsbaar.  De parallelleiding die vanuit het Rolderdiep het water door de Ossenbroeken transporteert. Zorgt  nog steeds voor verdroging in de ossenbroeken. Door de parallelleiding worden de ossenbroeken  nog steeds verdroogd. Ook zijn aanpassingen aan de beekdimensies (verhogen beekboden en  waterstand noodzakelijk om het ver uitzaken van de grondwaterstanden in de zomer te  voorkomen.    Leemten in kennis H7140A Overgangs- en trilvenen    De ontwikkeling van de overgangs- en trilvenen is relatief jong. In de huidige situatie zijn ze  merendeels van matige kwaliteit. Hoe de kwaliteit van het habitattype zich verder zal ontwikkelen  zal moeten worden gemonitord.    5.11.7Deelgebied 6: Infiltratiegebied het Ballooërveld    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    H7140A Overgangs- en trilvenen vindt men in deelgebied 6 in de Galgriet en bij het Tichelhuis in  Smalbroeken. Het betreft een oppervlak van 2,02 ha.    Actuele kwaliteit    Overgangsvenen komen voor op een oppervlak van ca. 2 hectare. Ze komen voor in mozaïek met  matig voedselrijke graslanden. Er zijn sinds 2000 geen waarnemingen van typische soorten van dit  H7140 bekend (SBB, NDFF).    126</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>    Tabel 42 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7140A         | SBB_CODE SBB_NAAM OPP act Kwaliteit  |o8-k RG Holpijp-[Riet-klasse/Klasse d. kleine Zeggen] 0,59 Goed  |09-f RG Snavelzegge-Wateraardbei-[KI. kleine Zeggen] 0,43 Goed  |09A3a Ass. Moerasstruisgras en Zompzegge, typ. subass. 0,27 Goed  |09A3c Ass. Moerasstruisqgras-Zompzegge, subass. Veldrus 0,56 Goed  |09B3b Ass. Schorpioenmos en Ronde zeqge, sub. Veenmos 0,08 Goed  |o9A-a RG Zwarte zeqge-Moerasstruisqras-[Vb. Zw. zegge] 0,18 Matig  |10-a RG Sn.zeqqe-V.mos-[K.kl.Zeqq/K.hveensi/K. hv. hei] 0,04 Matig  [10-1 RG Pitrus - Veenmos-[Klasse van hooqveenslenken] 0,13   |12B1d Assoc. v Geknikte vossestaart, verarmde subass. 0,01   |16-g RG S.weegbr.-Kruip. boterb.-R.zwenk.[KI.v.grasl.] 0,04   |16-i RG G.struisq-G. biqgek-[K.dr.qras.zand/K.vo.qras] 0,15   |16-I RG Gestr. witbol-B.langb.-Eng.raai.fKl.v.grasl. ] 0,33   |16A2c Veldrus-associatie, soortenarme subassociatie 0,04   |16B-b RG Moerasrolklaver-Echte koekoeksbl.-[Dotter-v.] 0   |16B1a Ass. Boterbloem en Waterkruiskruid, typ. subass. 0,43   16B1d Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub. Wateraardbei 0,03   Trend    Het habitattype heeft zich uitgebreid door eerder genomen vernattingsmaatregelen.    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen op standplaatsniveau    Door interne vernatting van de Galgriet is het habitattype H7410A Overgangs- en trilvenen recent  uitgebreid.    Systeemanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    In het deelgebied 6 Ballooërveld vindt je de overgangs- en trilvenen in de stroeten (Galgriet,  Smalbroeken) of in de Heest, de lagere delen naar het beekdal in het noorden van het deelgebied.  Door het ontbreken van gegevens is de situatie in de Heest niet goed in beeld. Wel mag hier  worden aangenomen dat door recent genomen inrichtingsmaatregelen de abiotische  omstandigheden voor overgangs- en trilvenen zijn verbeterd. In de stroeten zijn ook  inrichtingsmaatregelen uitgevoerd. Op deze plekken kan het grondwater weer hoog genoeg in het  maaiveld komen zien we ontwikkeling van de Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge. Op  plaatsen waar veel kwel optreedt, vinden we vegetatie gedomineerd door Holpijp, vaak in  combinatie met snavelzegge. Belangrijk voor dergelijke vegetaties in een constante aanvoer van  voldoende water zodat ook in de zomer de waterpeilen hoog blijven. In de initiële fase missen de  trilvenen nog de mogelijkheid om met de waterstand mee op en neer te bewegen.    Knelpunten en oorzakenanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Door gebrek aan recente vegetatiegegevens van de Heest, waar men dit habitattype ook zou  verwachten, zijn de ontwikkelingen als gevolg van de herinrichting hier moeilijk te evalueren. Wel  is duidelijk dat na de herinrichting van dit gebied nog steeds een sterke interne drainage heeft door  te diepe slenken en sloten. De eerste beheerpan periode moet gebruikt worden om de ontwikkeling  van overgangs- en trilvenen goed in beeld te brengen.    Er moet nog een perceel verworven worden in Galgriet om het systeem herstel compleet te kunnen  uitvoeren.    Leemten in kennis H7140A Overgangs- en trilvenen    Gebrek aan recente vegetatiegegevens van de Heest en Ballooérveld.    127</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>    Drentsche Za — PAS-Gebiedsane vs 15 cecember 2017    (D  mp  u  Dp    5.11.8Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    In het deelgebied liggen aanzienlijke oppervlakten H7140A, vooral in het zuidelijke gedeelte langs  het Deurzerdiep. Het gaat om in totaal 3,61 ha    Actuele kwaliteit    De kwaliteit is deels goed, deels matig, de meer kritische vegetatietypen missen of zijn zeer  beperkt aanwezig als rompgemeenschap. Daarnaast komen de kwalificerende vegetatietypen voor  in mozaïek met andere vegetatietypen. Onder andere behorende tot de Dotterbloemhooilanden. Er  zijn sinds 2000 geen waarnemingen van typische soorten van dit H7140 bekend (SBB, NDFF).    Tabel 43 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7140A         | SBB_CODE SBB_NAAM OPP act Kwaliteit  |o8-k RG Holpijp-[Riet-klasse/Klasse d. kleine Zeggen] 0,21 Goed  |09-e RG Holpijp-[Riet-klasse/Klasse d. kleine Zeqgen] 0,02 Goed  |09-f RG Snavelzegge-Wateraardbei-[Kl. kleine Zeggen] 1,21 Goed  |o9A3a Ass. Moerasstruisgras en Zompzeqge, typ. subass. 0,11 Goed  |o9A3b Ass. Moerasstruisgras-Zompzegge, subass Draadrus 0,01 Goed  |09A3c Ass. Moerasstruisgras-Zompzeqge, subass. Veldrus 1,63 Goed  |09B-b RG Waterdrieblad-[Verbond van Draadzeqge] 0,02 Goed  |09A-a RG Zwarte zeqge-Moerasstruisqras-[Vb. Zw. zegge] 0,39 Matig  |o8-a RG Liesqras-[Riet-klasse] 0,03   |08-b RG Rietgras-[Riet-klasse] 0,03   |osc-f RG Hennegras-[Verbond der grote Zeggen] 0,01   |o8c2b Assoc. v Scherpe zegge, subass. v Wateraardbei 0,02   |oscáa Associatie v Noordse zegge, typische subassoc. 0,47   |o8c4b Assoc. v Noordse zegge, subass. v Wateraardbei 0,92   |09-g RG Hennegras-[Klasse der kleine Zeggen] 0,11   |12B-j RG Fioringras-[Zilverschoon-vb/kl.vochtig.grasl] 0,1   |16-b RG Veldrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,05   |16-f RG Kamgr.-R.zwenk.-Moerasrolkl.[Kl. vocht.grasl.] 0,17   |16-r RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,2   |16A-f RG Veldrus-Veenmos-[Vb. Biezenknop., Pijpestro. } 0,71   |16A2a Veldrus-associatie, typische subassociatie 0,07   |16A2c Veldrus-associatie, soortenarme subassociatie 3,91   | 16B/b DG Mannagras-[Dotterbloem-verbond] 0,15   |16B1a Ass. Boterbloem en Waterkruiskruid, typ. subass. 0,51   |16B1d Ass. Boterbloem-Waterkruiskr., sub. Wateraardbei 0,68   16B4 Bosbies-associatie 0,02   Trend    Door vernattingsmaatregelen is er een aanzienlijke uitbreiding van overgangs- en  trilveenvegetaties geweest. Of deze Trend ook doorzet en leid tot een verdere toename van  gebufferde vegetatietypen is nog onduidelijk. Nu wordt nog een groot aandeel ingenomen door de  Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge, een type dat wijst op de langdurige aanwezigheid  van een laag regenwater in de bovengrond.    Systeemanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Langs het Deurzerdiep heeft de uitvoering van projecten binnen ‘Tien kansen voor het  Deurzerdiep’, waarbij de interne ontwatering is aangepakt, geleid tot een flinke toename van  Dotterbloemhooilanden en overgangs- en trilveenvegetaties. De aanvoer van kwelwater is echter  met deze maatregelen niet hersteld. De perspectieven om dit te doen zijn gelegen in  beekpeilverhogingen, maatregelen op de flanken zijn lastig. In het meest zuidelijk deel langs het    128</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>    Deurzerdiep gaat een sterk verdrogende werking uit van de Polder Horstmaat.    Knelpunten en oorzakenanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Ook zijn aanpassingen aan de beekdimensies (verhogen beekboden en waterstand noodzakelijk om  het ver uitzakken van de grondwaterstanden in de zomer te voorkomen (van Houten et al 2001).    Leemten in kennis H7140A Overgangs- en trilvenen    Geen    5.11.9Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Het gaat in deelgebied 8a om slecht een klein oppervlak, 0.02 ha, trilveen vegetatie dat in mozaïek  voorkomt ander vegetatietypen.    Actuele kwaliteit   Van het kleine perceel overgangsveen in deelgebied 8a is onduidelijk wat de kwaliteit precies is. In  1996 betrof het hier slechts een fragmentaire ontwikkeling van overgangs- en trilveenvegetaties in  een aangelegde oeverzone. In de actuele situatie is deze vegetatie verdrongen door bosopslag  waarbij ook de typische soorten ontbreken. Het is in beheer bij het waterschap dat daar  voornamelijk beheer voert om de elzenopslag te beperken. Er zijn sinds 2000 geen waarnemingen  van typische soorten van dit H7140 bekend (SBB, NDFF).    Tabel 44 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7140A    | SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  |09-f RG Snavelzegge-Wateraardbei-[KI. kleine Zeggen] 0,01 Goed                         |09B-b RG Waterdrieblad-[Verbond van Draadzegge] 0,01 Goed  |o8-a RG Liesgras-[Riet-klasse] 0,01  |o8C-c RG Pluimzegge-[Verbond der grote Zeggen] 0,01  |16-a RG Gestr.witbol- E.Koekoeksbl.-[Kl. vocht.grasl.] 0,08    zand 0,08           Trend    Het areaal is aangelegd als natuurvriendelijke oever. Hierop had zich de trilveenvegetatie  ontwikkeld maar inmiddels is de successie voortgeschreden en nemen elzen het over. De luchtfoto  laat zien dat het in de huidige situatie een elzenbos is geworden.    Systeemanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Op de plekken waar dit type van nature voor zou moeten komen is door verregaande verdroging  geen sprake meer van kwalificerend habitat (zie algemene gebiedsanalyse). De locatie van het  huidige toegekende stukje, wat inmiddels is verbost, is geen standplaats voor trilvenen maar een  kunstmatige oever..Systeemherstel zou er uit bestaan de hydrologie op de dalflanken te herstellen  en beekpeilen te verhogen, vooral van het Amerdiep.    Knelpunten en oorzakenanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen  Het is geen standplaats voor trilveenvegetaties. De vegetaties zijn tijdelijk aanwezig geweest na    aanleg van een natuurvriendelijke oever.    Leemten in kennis H7140A Overgangs- en trilvenen    Geen.    129</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>    5.11.10 Deelgebied 9: Oostelijkeboven-middenloop; het Andersche diep    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    Het areaal van dit type ligt in Broek, in het noorden van het Andersche diep. In de Eekhorst wordt  het habitattype gevonden in een sloot, wat erop duidt dat hier de kwel grotendeels wordt  afgevangen door de sloten. Het gaat om 0.04 ha    Actuele kwaliteit    Er zijn sinds 2000 geen waarnemingen van typische soorten van dit H7140 bekend (SBB, NDFF).  Daardoor is de kwaliteit matig.    Tabel 45 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7140A                                               | SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  |09-f RG Snavelzegge-Wateraardbei-[KI. kleine Zeggen] 0,03 Goed  09A3a Ass. Moerasstruisqras en Zompzegge, typ. subass. 0,01 Goed         Trend    Het is ontstaan gedurende de afgelopen vijftien jaar als gevolg van de inrichtingsmaatregelen die  zijn genomen om in dit deel van het Andersche diep schraalgraslanden te realiseren.    Systeemanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    Het trilveen bestaat uit RG Snavelzegge/ Wateraardbei [Klasse der Kleine zeggen], en is ontstaan  op de flank van een kleine verhoging in het beekdal op een plek waar kwel optreed.    Knelpunten en oorzakenanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    De waterstanden in het Andersche diep zakken in de zomer nog te ver uit. Ook de beek valt  regelmatig droog in de zomer.    Leemten in kennis H7140A Overgangs- en trilvenen    Geen    5.11.11 Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de  Hondsrug    Kwaliteitsanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding    In deelgebied 10a liggen overgangs- en trilvenen langs het Anloërdiepje dicht bij de Burgvallen. In  deelgebied 10c liggen de overgangs- en trilvennen op het Eexterveld bij het Kienveen en bij  Scheebroek. Het gaat in dit deelgebied om totaal 1,63 ha    Actuele kwaliteit    Overgangsvenen komen voor in de lager delen van het beekdal. In deelgebied 10c komen ze voor  in mozaïek met veel ander vegetatietypen waaronder Blauwgraslanden en heischrale graslanden.  Er zijn sinds 2000 geen waarnemingen van typische soorten van dit H7140 bekend (SBB, NDFF).    Tabel 46 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7140A    | SBB_CODE SBB_NAAM Opp 10a Opp10c Kwaliteit  |09-f RG Snavelzegge-Wateraardbei-[Kl. kleine Zeggen] <0,005 0,1 Goed  |o9A3a Ass. Moerasstruisqras en Zompzeqgqe, typ. subass. 0,3 Goed  |09A3c Ass. Moerasstruisgras-Zompzegge, subass. Veldrus 0,01 0,66 Goed    130</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>    A    Drentsche Aa — PAS-Gebiedsanal, se versie 15 december 2017    1         | SBB_CODE SBB_NAAM Opp 10c Kwaliteit  |o9A-a RG Zwarte zeqqe-Moerasstruisqras-[Vb. Zw. zeqge] 0,39 Matig  |10-b RG Veenpluis-Veenmos-{Kl.kl. Zeage/Kl.hoogveensl] 0,07 Matig  |o1-a RG Klein kroos-[Eendekroos-klasse] 0,01  |o6-b RG Duizendknoopfonteinkruid-[Oeverkruid-klasse] <0,005  |08-b RG Rietqras-[Riet-klasse] 0,01  |og-f RG Riet-[Riet-klasse] 0,03  |08B3d Riet-associatie, soortenarme subassociatie 0,03   |10-I RG Pitrus - Veenmos-[Klasse van hoogveenslenken] 0,59  |11-q RG Pijpestrootje-Veenmos-[K.hveensl/K.hveen.hei] 0,01  |11A2a Associatie v Gewone dophei, subass. v veenmos 0,01  |1 1A2c Associatie v Gewone dophei, typische subassoc. 0,01  |12B-h RG Gewone waterbies-[Riet-kl./Zilverschoon-vrb. ] 0,04  |12B1a Assoc. v Geknikte vossestaart, typische subass. 0,03  |12B1d Assoc. v Geknikte vossestaart, verarmde subass. 0,02  |16-b RG Veldrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,05 <0,005  |16-f RG Kamgr. -R.zwenk. -Moerasrolkl.[Kl. vocht.grasl. ] 0,37  |16-g RG S.weegbr. -Kruip. boterb. -R.zwenk.[Kl.v.grasl.] 3,1  |16-r RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden] 0,01 0,13  |16A-a RG Blau.knoop-Blau.zegge-[Vb.Biezenkn. -Pijpest. ] <0,005  |16A1a Blauwgrasland, typische subassociatie 0,04  |16A1b Blauwgrasland, subassociatie van Borstelqras 0,01  |16A2a Veldrus-associatie, typische subassociatie 0,01  |16A2c Veldrus-associatie, soortenarme subassociatie 0,03  |16B-b RG Moerasrolklaver-Echte koekoeksbl. -[Dotter-v. ] 0,05  |19A1 Associatie van Liggend walstro en Schapegras <0,005  |29A1 Associatie van Waterpeper en Tandzaad 0,02  |32A1 Associatie van Moerasspirea en Valeriaan 0,05  |35A-a RG Gewone braam (R. plicatus)-[Brummel-verbond] 0,02  |400 VOORLOPIG ONBEKEND <0,005  |40A2 Zompzegge-berkenbroek 0,03  |42-c RG Gl.witbol-Stekelvaren-[KI. Eiken-beuk.,v.arm] 0,03  50A water 0,02         Trend    In 2008 zijn in 10a op twee plekken vegetatietypen behorende tot H7140A gekarteerd, hetzij slecht  met een geringe bedekking. In 1994, toen de voorlaatste karteringen zijn uitgevoerd, waren deze  er nog niet.   Ook in deelgebied 10c is het areaal overgangs- en trilvenen toegenomen sinds de jaren 90 van de  vorige eeuw.    Systeemanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen    De plantengemeenschappen vormen hier geen echte trilvenen maar een initiéle fase van alkalisch  moeras: systemen gevoed door gebufferd grondwater. De uitbreiding van dit habitattype heeft  vooral plaatsgevonden in de gebieden die recent zijn ingericht. Vooral bij het veentje in de noord-  oosthoek van deelgebied 10c is dit het geval.    Knelpunten en oorzakenanalyse H7140A Overgangs- en trilvenen  De waterstanden in Aloérdiepje zakken in de zomer nog te ver uit waardoor de grondwaterstanden    te ver wegzakken.    Leemten in kennis voor H7140A Overgangs- en trilvenen  Geen.    131</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>    5,12 Gebiedsanalyse H7150 Pioniersvegetaties met snavelbiezen    5.12.1Inleiding    Voor het habitattype Pioniersvegetaties met snavelbiezen in de Drentsche Aa is behoud van de  huidige kwaliteit en oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat van  instandhouding is matig ongunstig.    Volgens de habitattypenkaart komt dit type voor in de deelgebied 6, het Balloérveld, deelgebied 9,  Andersche diep en deelgebied 10c: Scheebroek en Eexterveld. Zie hiertoe de habitattypenkaarten  van het betreffende deelgebieden hierboven. Allen in deelgebied 9 is een overschrijding van de  KDW geconstateerd. Dit deelgebeid zal dan ook worden behaldeld in deze gebiedsanalyse. Voor de  andere deelgebieden verwijzzen we naar het beheerplan.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiéntendocument voor het natte zandlandschap  (Everts et al. 2012). In Drenthe komen Pioniersvegetaties met snavelbiezen voor in natte slenken  in de heidevelden. Met name na plagwerkzaamhedden kan deze vegetatie zich massaal vestigen op  net mineraal zand, vaak boven keileemlagen.    Effecten stikstofdepositie   De kritische depositiewaarde voor Pioniersvegetaties met snavelbiezen is berekend op 1429  mol/ha/jr. Door deze depositie wordt de concurrentie positie van de kenmerkende vegetatietypen  verslechterd en krijgen meer voedselrijker vegetatietypes de overhand.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.268 mol N ha’! jr‘ berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.087 mol N ha! jr  1    Verzuring   De omstandigheden voor zeer kenmerkende vegetatietype (de associatie van moeraswolfsklauw en  snavelbies) voor Pioniersvegetaties met snavelbiezen worden sub optimaal als de pH te ver daal als  gevolg van Atmosferische depositie. De associatie van draadgentiaan is hiervoor het meest  gevoelig. Verzuring leidt dus tot een achteruitgan van de typische soorten.    Vermesting   Zowel de zeer kenmerkende als kenmerkende vegetatietypen binnen het habitattype komen alléén  onder zeer voedselarme condities voor. Dit betekent dat vermesting in principe al heel gauw een  bedreiging is voor het habitattype. Met name Pijpenstrootje kan gaan domineren onder  voedselrijkere omstandigheden Hierbij speelt een rol dat de stikstof onder natte omstandigheden  vooral beschikbaar is in de vorm van ammonium. Pijpenstrootje profiteert daarvan, in tegenstelling  tot andere soorten die juist een toxische invloed ondervinden van ammonium.    Overzicht van kwaliteit en oppervlakte H2310 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 1.22  Eindtotaal 1.22    5.12.2 Deelgebied 9: oostelijke boven-middenloop; het Andersche diep    Kwaliteitsanalyse H7150 Pioniersvegetaties met snavelbiezen op standplaatsniveau    Actuele verspreiding  Pioniersvegetaties met snavelbiezen liggen op de Hoornse bulten    Actuele kwaliteit  Er is maar een kleine oppervlakte (0.13 ha) met een goede kwaliteit. Er zijn geen typische soorten    132</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>    waargenomen maar een gerichte inventarisatie ontbreekt.    Tabel 47 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H7150    SBB_CODE SBB_NAAM Opp Kwaliteit    O9A3c Ass. Moerasstruisgras-Zompzegge, subass. Veldrus 0,01 goed  11Ala Ass. Moeraswolfsklauw en Snavelbies, typ. subass 0,12 goed  11- RG Gg. .zegge-Dw.zegge-[K.hveen hei/V_Biez Pipes] 0,09  Trend    de pioniersvegetaties zijn uitgebreid door het gevoerde beheer    Systeemanalyse H7150 Pioniersvegetaties met snavelbiezen    Pioniersvegetaties met snavelbiezen komen in Drenthe vaak massaal op nadat er geplagd is in  natte heide terreinen. Dit is hier deels ook het geval. De duurzaamheid van deze vegetaties hangt  naast de atmosferische depositie ook sterk af van de hydrologie. Met name te lage zomerpeilen  hebben een negatieve invloed. Door herstel werkzaamheden aan de hydrologie is in de Hoornse  bulte de situatie verbeterd voor H7150.    Knelpunten en oorzakenanalyse H7150 Pioniersvegetaties met snavelbiezen  geen  Leemten in kennis H7150 Pioniersvegetaties met snavelbiezen    geen  5,13 Gebiedsanalyse H9120 Beuken-eikenbossen met hulst    5.13.1Inleiding    Voor het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst in de Drentsche Aa is behoud van de huidige  kwaliteit en behoud van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat van  instandhouding is matig ongunstig. Het Beuken-eikenbossen met hulst is verspreid over het  Drentsche Aa gebied aanwezig met hun zwaartepunt in de Strubben en Vijftigbunder.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het droge zandlandschap  (Bijlsma et al. 2012). Beuken-eikenbossen met hulst in het Drentsche Aa-gebied zijn vaak  zogenoemde Strubben om leemhoudende zandgronden en daardoor te rijk voor Oude eikenbossen  (H9190). Strubben zijn een typische verschijningsvorm van eiken en eikenbosjes in ontstaan uit  eikenhakhout Ze liggen meestal op de vroegere grens van akkers (de essen) en achterliggende  heidevelden. Dit hakhout moest de schapen van de akkers weren, maar werd wel door de schapen  begraasd.    Effecten stikstofdepositie    De kritische depositiewaarde voor Beuken eikenbossen met hulst is berekend op 1429 mol/ha/jr.  De te hoge depositie zorgt in de bossen van het Drentsche Aa-gebied voor verzuring en  vermesting.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de    referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.774 mol N ha! jr‘ berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.519 mol N ha’! jr  1    133</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>    Verzuring    In Beuken eikenbossen met hulst zorgt verzuring voor een verdere vertraging van de  strooiselafbraak. Er treedt in dit systeem van nature accumulatie van strooisel op, doordat de eik  maar ook de beuk slecht verteerbaar blad heeft als gevolg van een hoge C/N verhouding.  Daarnaast draagt een voedselarme bodem bij aan een langzame vertering. Strooiselophoping in  Beuken-eikenbossen heeft tot gevolg dat de mycorrhiza vormende paddenstoelen in aandeel terug  lopen en in soortensamenstelling veranderd.    Vermesting    Vermesting heeft een direct effect op korstmossen en levert vooral voor de korstmosrijke variant  van dit bostype een probleem op. Ook veel kenmerkende mycorrhizapaddenstoelen zijn zeer  gevoelig voor vermesting. Bij een verhoogde beschikbaarheid van stikstof in de bodem nemen  mycorrhizapaddenstoelen daardoor sterk in aandeel af en veel kenmerkende soorten verdwijnen.    overzicht van kwaliteit en oppervlakte H9120 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 33,58  Deels goed; heringericht- actuele informatie ontbreekt 37,97  Eindtotaal 71,55    De overall Trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is vanuit de huidige gegevens onbekend.  Maar gezien de uitgevoerde inrichtingsmaatregelen is in de eerste beheerplanperiode een positieve  ontwikkeling te verwachten.    5.13.2Deelgebied 2: De overgang beneden- middenloop bij Westlaren    Kwaliteitsanalyse H9120 Beuken-eikenbossen met hulst    Actuele verspreiding   Beuken-eikenbossen met hulst vindt je in deelgebied 2 op een zandrug die het beekdal bij  Zwijnmaden insteekt. Het betreft hier een kleine locatie van 0.18 ha die als een bosstrook de  scheiding vormt tussen graslandpercelen.    Actuele kwaliteit    Het betreft hier een beuken-eikenbos, waarbij vergrassing en strooiselophoping een kleine rol  spelen. Het bos is te klein om goed te kunnen functioneren. Er zijn geen typische soorten  waargenomen sinds 2000 (NDFF, SBB).    Tabel 48 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H9120    Code Naam 1994 (ha) Kwaliteit  42A2b Beuken-eikenbos, sub van Adelaarsvaren 0,18 Goed  18-a RG Gladde witbol-[Klasse van gladde witbol en 0,03    havikskruiden]         Trend   Geen informatie   Systeemanalyse H9120 Beuken_eikenbossen met hulst   Het betreft hier een klein bosperceel op een hoger gelegen zandrug in het beekdal bij Zwijnmaden.    De zandrug bestaat uit lemig fijn zand.    Knelpunten en oorzakenanalyse H9120 Beuken_eikenbossen met hulst  Het bos is te klein om goed te kunnen functioneren.  Leemten in kennis H9120 Beuken_eikenbossen met hulst    De trend is niet bekend    134</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>    5.13.3 Deelgebied 4: De westelijke middenloop    Kwaliteitsanalyse H9120 Beuken-eikenbossen met hulst    Actuele verspreiding  Het bos bevind zich op de stijle oeverwal van het Oudemolensche diep nabij Oude molen.    Actuele kwaliteit    Het betreft hier een beuken-eikenbos met elementen van berken-Eikenbos op leemhoudende  bodem. Er zijn geen typische soorten waargenomen sinds 2000 (NDFF, SBB).    Tabel 49 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H9120                                                      Code Naam 1994 (ha) Kwaliteit  42A1b Berken-eikenbos, sub. van Bochtige smele 0,009 Goed  42Ale Berken-eikenbos, subvan Stekelvaren 0,31 Goed  42A2b Beuken-eikenbos, sub van Adelaarsvaren 0,33 Goed  42A2c Beuken-eikenbos, sub van Lelietje-van-dalen 0,03 Goed    Overige    typen 0,14    Trend  niet bekend    Systeemanalyse H9120 Beuken_eikenbossen met hulst    Het betreft hier een voedselarme variant van H9120 Beuken eikenbossen met hulst die qua  vegetatie neigen tot H9190 Oude eikenbossen maar vanwege de leemhoudende bodem hier niet in  aanmerking voor komen. Ze liggen op een steilrand aan de rand van het beekdal.    Knelpunten en oorzakenanalyse H9120 Beuken_eikenbossen met hulst  te kleine functionele omvang  Leemten in kennis H9120 Beuken_eikenbossen met hulst    geen trend bekend    5.13.4Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop    Kwaliteitsanalyse H9120 Beuken_eikenbossen met hulst    Actuele verspreiding  Het type Beuken_eikenbossen met hulst is aanwezig op een kleine locatie bij het Poepenhemeltje    Actuele Kwaliteit    Het betreft hier een Beuken_eikenbossen met hulst dat te klein is om goed te kunnen functioneren.  Er zijn geen typische soorten waargenomen sinds 2000 (NDFF, SBB).    Tabel 50 overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H9120    SBB_CODE SBB_NAAM OPP _act Kwaliteit  42A1ib Berken-eikenbos, sub. van Bochtige smele 0,05 Goed  42A1ic Berken-eikenbos, sub van Bosbes 0,442 Goed  42Ale Berken-eikenbos, sub van Stekelvaren 0,58 Goed  42A2c Beuken-eikenbos, sub. v Lelietje-v-dalen 0,39 Goed  Overige typen 0,16    135</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>    Trend  Geen informatie.    Systeemanalyse H9120 Beuken eikenbossen met hulst    Het gaat om een klein bosperceel op de rand van het beekdal. Een houtwal is onderdeel van dit  bosje.    Knelpunten en oorzakenanalyse H9120 Beuken _ eikenbossen met hulst    Het bos is te klein in omvang om een goede functionaliteit te hebben, De positie in het landschap  geeft ook geen perspectief voor het realiseren van een groter bos van voldoende omvang.    Leemten in kennis H9120 Beuken _ eikenbossen met hulst    Geen.  5.13.5Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen    Kwaliteitsanalyse H9120 Beuken-eikenbossen met hulst    Actuele verspreiding    Het type Beuken-eikenbos met hulst is aanwezig in deelgebied 8a op twee kleine locaties bij  Holtveld en Eldersloo. De grootste locatie bij Holtveld betreft het een oude bosgroeiplaats op de  rand van de es van Anreep. Het bosje bij Eldersloo is een klein hoekje op de bovenrand van het  beekdal. In deelgebied 8b (Amerdiep) vinden we H9120 op bij de Houtesch bij Amen.    Actuele kwaliteit    Het betreft hier in deelgebied 8a een Beuken eikenbossen met hulst dat te klein is om goed te  kunnen functioneren. In deelgebied 8b is de actuele omvang van het bos ook aan de kleine kant  maar het bos vormt een geheel met het aanliggende bossen waarmee de omvang bos toeneemt. Er  zijn geen typische soorten waargenomen sinds 2000 (NDFF, SBB).    Tabel 51 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H2310    Code Naam 8a 8b Kwaliteit    42A2b Beuken-eikenbos, sub. van Adelaarsvaren. 0,38 2,22 Goed  42A2c Beuken-eikenbos, sub.. v Lelietje-v-dalen 0,51 0,41 Goed  42Ale Berken-eikenbos, sub van Stekelvaren 0,40 Goed    RG Gew. braam-[Kl. Eiken, beukenbos.    voedselarm ] 0,24    RG Gladde witbol-[Kl. Gladde witbol en    Havikskr]    RG Grote brandnetel-[Klasse d nitrofiele  zomen]         Systeemanalyse H9120 Beuken eikenbossen met hulst    Ook in dit deelgebieden betreft het kleine bossen. De bossen liggen in deelgebied 8a op de rand  van het beekdal waarbij het bos bij Holtveld op de rand van de es ligt. In deelgebied 8b is de 3 ha  Beuken-Eikenbos met hulst onderdeel van een groter bos van totaal iets meer dan 10 ha groot    Knelpunten en oorzakenanalyse H9120 Beuken _ eikenbossen met hulst    De bossen zijn in deelgebied 8a te klein in omvang om een goede functionaliteit te hebben. De  positie in het landschap geeft ook geen perspectief voor het realiseren van een groter bos van  voldoende omvang.    136</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
137 
 Leemten in kennis H9120 Beuken_eikenbossen met hulst  
Geen 
 
5.13.6   Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden  
Kwaliteitsanalyse H9120 Beuken_eikenbossen met hulst  
Actuele  verspreiding   
Het habitattype Beuken_eikenbossen met hulst kom t voor in de Vijftigbunder en De Strubben . 
 
Actuele kwaliteit  
Van 11a zijn er geen recente gegevens beschikbaar; een analyse over de kwaliteit en ontwikkeling 
is daarom niet te maken. In de Str ubben (11d) zit een groot Beuken_eikenbossen met hulst. Het 
betreft op beide locaties bossen die qua vegetatietypering dicht tegen oude eikenbossen aanliggen 
maar door de lemige zandbodem net iets rijker zijn. In het bos in de Strubben vindt je een 
overgan g van dicht bos naar meer open bos op de rand van de heide. In het bos zijn aanzienlijke 
locaties met de typische ondergroei van oud eikenbos, maar ook delen waar de ondergroei onlangs 
nog bepaald werd door exoten zoals Vogelkers. Die zijn nu verwijderd.  
 
Trend  
Voor De Strubben is samen met het Kniphorstbosch de afgelopen periode met andere betrokkenen 
aan een breed gedragen beheer - en inrichtingsplan gewerkt en uitgevoerd. Exoten zijn verwijderd 
maar ook grotere bomen. Nu wordt het gebied integraal begraa sd met schapen om zo nieuwe 
opslag van exoten te voorkomen. Het effect moet zich nog tonen.  
 
Systeemanalyse H9120 Beuken_eikenbossen met hulst  
Deelgebied 11a: infiltratiegebied (De Vijftigbunder)  
Het betreft hier Beuken_eikenbossen met hulst die samen voor  komen met Oude eikenbossen het 
onderscheid is gemaakt op basis van bodemtype.  
 
Deelgebied 11d: infiltratiegebied (De Strubben)  
Het Beuken_eikenbossen met hulst van de Strubben liggen op de rand van de esch en is in het 
verleden ook als strubben (hakhoutbo s) gebruikt. In het gebied ligt de “oude snelweg” naar het 
noorden en bevat daarom veel karrensporen en andere cultuurhistorisch waardevolle elementen 
die beschermd moeten worden.  
 
Knelpunten en oorzakenanalyse H9120 Beuken_eikenbossen met hulst  
Zowel in 2014 als in 203 0 wordt de KDW voor stikstofdepositie gemiddeld overschreden. In 
hoeverre dit invloed heeft (gehad) op de actuele kwaliteit is niet bekend.  
In de Strubben is sprake van locaties met veel strooisel hetgeen een goede ontwikkeling 
tegenwerkt.  
 
Leemten in kennis H9120 Beuken_eikenbossen met hulst  
Gegevens over de kwaliteit van de Beuken_eikenbossen met hulst ontbreekt. Deze leemte in 
kennis moet de eerste beheerplanperiode verholpen worden.  
 
 
 
 
 
 
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>    5.14 Gebiedsanalyse H9160A Eiken-haagbeukenbossen    5.14.1Inleiding    Voor het habitattype Eiken-haagbeukenbossen in de Drentsche Aa is verbetering van de huidige  kwaliteit en uitbreiding van de huidige oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De  landelijke staat van instandhouding is zeer ongunstig.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het beekdallandschap  (Grootjans et al. 2012). In het Drentsche Aa-gebied bevinden zich op enkele plaatsen Eiken-  haagbeukenbossen van de hogere zandgronden (H9160A). Deze bossen zijn vaak klein van  omvang doordat de omgeving is ontgonnen. De bossen zijn afhankelijk van basenrijker leem aan of  dicht onder maaiveld.    Effecten stikstofdepositie    De kritische depositiewaarde voor Eiken-haagbeukenbossen is berekend op 1429 mol/ha/jr. De te  hoge depositie zorgt in de bossen van het Drentsche Aa-gebied met name voor verzuring.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.608 mol N ha’! jr‘ berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1,376 mol N ha’! jr  1    Verzuring   Door het bufferend vermogen van de leemlaag is het effect van verzuring beperkt. Echter kan een  Opperviakkig verzuurde bovengrond de typisch voor dit bostype rijk ontwikkelde kruidlaag  aantasten.    Vermesting  Te hoge stikstofgehalten leidt tot een verminderde opname van fosfor door bomen.    overzicht van kwaliteit en oppervlakte H9160A in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 3,42  Eindtotaal 3,42    De overall Trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is onbekend.    5.14.2Deelgebied 5: De oostelijke middenloop    Kwaliteitsanalyse H9160A Eiken-haagbeukenbossen    Actuele verspreiding  Het betreft hier een houtsingel bij de Noord Esch van Anderen.    Actuele kwaliteit    De omvang van de Eiken-haagbeukenbossen is te klein voor een goede functionaliteit. De typische  soorten Schedegeelster en Zwarte rapunzel zijn sinds 2000 waargenomen in deelgebied 5S.    Tabel 52 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H9160A  | SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit    138</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>         SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit    43C1j Eiken-haagbeukenbos, subassoc. v Stekelvarens 1,19 Goed         Trend  Geen informatie    Systeemanalyse H9160A Eiken-haagbeukenbossen    Het betreft hier feitelijk geen bos maar een houtwal in het beekdal waar het Scheebroekerloopje in  het Rolderdiep uitkomt.    Knelpunten en oorzakenanalyse H9160A Eiken-haagbeukenbossen    De bossen zijn te klein in omvang voor een goede functionaliteit.    Leemten in kennis H9160A Eiken-haagbeukenbossen    Geen.    5.14.3Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen    Kwaliteitsanalyse H9160A Eiken-haagbeukenbossen    Actuele verspreiding    Het gaat om een perceel in het bos bij de Houtesch in deelgebied 8b. het oppervlak van het  habitattype is 1,97 ha    Actuele kwaliteit    Voor een bos is de actuele omvang aan de kleine kant maar het bos vormt een geheel met het  aanliggende beuken-eikenbos waarmee de omvang bos toeneemt. Van de typische soorten is  alleen de eikenpage sinds 2000 waargenomen.    Tabel 53 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H9160A  SBB_CODE SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit         43C1j Eiken-haagbeukenbos, subassoc. v Stekelvarens 1,97 Goed    Trend  Geen informatie.    Systeemanalyse H9160A Eiken-haagbeukenbossen    Het bos ligt op de overgang van de Houtesch bij Ekehaar naar het beekdal van het Amerdiep. Het  ligt daar aangrenzend aan een stuk Beuken-eikenbos met Hulst dat iets hoger in het systeem ligt.    Knelpunten en oorzakenanalyse H9160A Eiken-haagbeukenbossen    Te klein in omvang voor een goede functionaliteit van Eiken-haagbeukenbos maar in samenhang  met het aanliggende beukenbos en de niet kwalificerende bossen wordt de 10 hectare net gehaald.  Het functioneren van dit bos is onvoldoende bekend. Onduidelijk is of hier sprake is van verdroging  door bijv. rabatten of verdroging van de omgeving en daardoor mogelijk ook verzuring en ander  type strooisel.    Leemten in kennis H9160A Eiken-haagbeukenbossen    Het functioneren van dit bos is onvoldoende bekend.    139</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>    5.14.4 Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de  Hondsrug    Kwaliteitsanalyse H9160A Eiken-haagbeukenbossen    Actuele verspreiding    Het habitattype H9160A Eiken-haagbeukenbossen bevindt zich in het Gasterse Holt in een aantal  houtwallen.    Actuele kwaliteit    Voor een bos is de actuele omvang te klein voor een goede functionaliteit. Het betreft hier met  name houtwallen waarvan er een aansluit bij de belendende bossen. Van de typische soorten zijn  sinds 2000 geen waarnemingen bekend (NDFF, SBB).    Tabel 54 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H9160A    SBB_CODE | SBB_NAAM OPP_act Kwaliteit  43C1j Eiken-haagbeukenbos, subassoc. v Stekelvarens 0,26 Goed         Trend  Geen informatie.    Systeemanalyse H9160A Eiken-haagbeukenbossen    In het Gasterse holt wordt hier gekenmerkt door kleine graslandpercelen die worden omsloten door  brede houtwallen. Waar het Gasterse holt aansluit op het beekdal van het Gastersche diep is een  wat groter aaneengesloten bos. De Eiken-haagbeukenbossen bevinden zich in de houtwallen om  een graslandperceel.    Knelpunten en oorzakenanalyse H9160A Eiken-haagbeukenbossen  Zie hieronder.  Leemten in kennis voor H9160A Eiken-haagbeukenbossen    Hoewel de kwaliteit goed is is onduidelijk of hier sprake is van een hydrologisch probleem, met  verslechtering op de lange termijn.    5.15 Gebiedsanalyse H9190 Oude eikenbossen    5.15.1Inleiding    Voor het habitattype Oude eikenbossen in de Drentsche Aa is behoud van de huidige kwaliteit en  behoud van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat van  instandhouding is matig ongunstig. Het habitattype oude eikenbossen is over een relatief grote  oppervlakte aanwezig in de vorm van strubbenbossen. Het gebied levert een zeer grote bijdrage  voor dit habitattype.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het droge zandlandschap  (Bijlsma et al. 2012). Oude eikenbossen in het Drentsche Aa-gebied zijn zogenoemde Strubben. Dit  is een typische verschijningsvorm van eiken en eikenbosjes in ontstaan uit eikenhakhout Ze liggen  meestal op de vroegere grens van akkers (de essen) en achterliggende heidevelden. Dit hakhout  moest de schapen van de akkers weren, maar werd wel door de schapen begraasd.    Effecten stikstofdepositie    De kritische depositiewaarde voor Oude Eikenbossen is berekend op 1071 mol/ha/jr. De te hoge  depositie zorgt in de bossen van het Drentsche Aa-gebied verzuring en vermesting.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de    140</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>    referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.807 mol N ha! jr‘ berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.556 mol N ha! jr  1    Verzuring    In Oude Eikenbossen zorgt verzuring voor een verdere vertraging van de strooiselafbraak. Er  treedt in dit systeem van nature accumulatie van strooisel op, doordat de eik slecht verteerbaar  blad heeft als gevolg van een hoge C/N verhouding. Daarnaast draagt een voedselarme bodem bij  aan een langzame vertering. Strooiselophoping in Berken-eikenbossen heeft tot gevolg dat de  mycorrhiza vormende paddenstoelen in aandeel terug lopen en in soortensamenstelling veranderd.    Vermesting    Vermesting heeft een direct effect op korstmossen en levert vooral voor de korstmosrijke variant  van dit bostype een probleem op. Ook veel kenmerkende mycorrhizapaddenstoelen zijn zeer  gevoelig voor vermesting. Bij een verhoogde beschikbaarheid van stikstof in de bodem nemen  mycorrhizapaddenstoelen daardoor sterk in aandeel af en veel kenmerkende soorten verdwijnen.    overzicht van kwaliteit en oppervlakte H9190 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed 0,26  Deels goed; heringericht- actuele informatie ontbreekt 21,36  Eindtotaal 21,62    De overall Trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is vanuit de huidige gegevens onbekend.  Maar gezien de uitgevoerde inrichtingsmaatregelen is in de eerste beheerplanperiode een positieve  ontwikkeling zeer waarschijnlijk.    5.15.2Deelgebied 7: Overgang westelijke middenloop - bovenloop    Kwaliteitsanalyse H9190 Oude eikenbossen    Actuele verspreiding    Het type Oude eikenbossen is aanwezig op een kleine locatie (0,26 ha) langs het beekdal bij  Amelte.    Actuele Kwaliteit    Het betreft hier een berken-eikenbos, waarbij vergrassing en strooiselophoping een kleine rol  spelen. Het bos is te klein om goed te kunnen functioneren. Alleen de Eikenpage is waargenomen  als typische soort sinds 2000 (NDFF, SBB).    Tabel 55 overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H9190  SBB _CODE SBB_NAAM OPP act Kwaliteit    Berken-eikenbos, subassociatie van Stekelvaren 0,26 Goed  Beuken-eikenbos, subassoc. v Lelietje-v-dalen 0,01         Trend  Geen informatie.    Systeemanalyse H9190 Oude eikenbossen  Het gaat om een klein bosperceel op de rand van het beekdal. Een houtwal is onderdeel van dit    bosje.    Knelpunten en oorzakenanalyse H9190 Oude eikenbossen    Het bos is te klein in omvang om een goede functionaliteit te hebben. De positie in het landschap    141</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
142 
 geeft ook geen perspectief voor het realiseren van een groter bos van voldoende omvang.  
 
Leemten in kennis H9190 Oude eikenbossen  
Geen.  
 
5.15.3  Deelgebied 11: De ov erige infiltratiegebieden  
Kwaliteitsanalyse H9190 Oude eikenbossen  
Actuele  verspreiding   
Het habitattype Oude eikenbossen komt voor in de Vijftigbunder (3,02 ha in deelgebied 11a); en 
De Strubben (18,34 ha in deelgebied 11d);.  
 
Actuele kwaliteit  
Van 11a zijn er geen recente gegevens beschikbaar; een analyse over de kwaliteit en ontwikkeling 
is daarom niet te maken. In de Strubben (11d) zit een groot oppervlak oud eikenbos. In het bos 
vindt je een overgang van dicht eikenbos naar meer open eikenbos  op de rand van de heide. In het 
bos zijn aanzienlijke locaties met de typische ondergroei van oud eikenbos, maar ook delen waar 
de ondergroei onlnags nog bepaald werd door exoten zoals Vogelkers. Die zijn nu verwijderd.  
 
Trend  
Voor De Strubben is samen m et het Kniphorstbosch de afgelopen periode met andere betrokkenen 
aan een breed gedragen beheer - en inrichtingsplan gewerkt en uitgevoerd. Exoten zijn verwijderd 
maar ook grotere bomen. Nu wordt het gebied integraal begraasd met schapen om zo nieuwe 
opslag  van exoten te voorkomen. Het effect moet zich nog tonen.  
 
Systeemanalyse H9190 Oude eikenbossen  
Deelgebied 11a: infiltratiegebied (De Vijftigbunder)  
Het betreft hier oude eikenbossen die samen voor komen met Beuken -eikenbossen met hulst het 
onderscheid is  gemaakt op basis van bodemtype.  
 
Deelgebied 11d: infiltratiegebied (De Strubben)  
Het oude eikenbos van de Strubben liggen op de rand van de Esch en is in het verleden ook als 
strubben (hakhoutbos) gebruikt. In het gebied ligt de “oude snelweg” naar het no orden en bevat 
daarom veel karrensporen en andere cultuurhistorisch waardevolle elementen die beschermd 
moeten worden.  
 
Knelpunten en oorzakenanalyse H9190 Oude eikenbossen  
Zowel in 2014 als in 2031 wordt de KDW voor stikstofdepositie gemiddeld overschred en. In 
hoeverre deze invloed heeft (gehad) op de actuele kwaliteit is niet bekend.  
In de Strubben is sprake van locaties met veel strooisel hetgeen een goede ontwikkeling 
tegenwerkt.  
 
Leemten in kennis H9190 Oude eikenbossen  
Gegevens over de kwaliteit van de oude eikenbossen ontbreekt. Deze leemte in kennis moet de 
eerste beheerplanperiode verholpen worden.  
 
5.16  Gebiedsanalyse H91D0 Hoogveenbossen  
5.16.1  Inleiding  
Voor het habitattype Hoogveenbossen  in het Drentsche Aa -gebied is verbetering van de huidige 
kwaliteit en  uitbreiding van oppervlakte geformuleerd als instandhoudingdoel. De landelijke staat </pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>    van instandhouding is matig ongunstig. Het Hoogveenbos is verspreid over het Drentsche Aa  gebied aanwezig.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het natte zandlandschap  (Everts et al. 2012). Hoogveenbossen in het Drentsche Aa-gebied zijn vaak berkenbroekbossen in  dichtgegroeide vennen.    Effecten stikstofdepositie    De kritische depositiewaarde voor Hoogveenbossen is berekend op 1786 mol/ha/jr. De te hoge  depositie zorgt in een klein deel van de bossen in het Drentsche Aa-gebied voor vermesting.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1,606 mol N ha! jr‘ berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.380 mol N ha! jr  1    Vermesting   Doordat hoogveenbossen van nature zuur zijn zorgt verhoogde stikstofdepositie met name voor  vermesting. In bestaande hoogveenbossen zorgen zeer voedselarme omstandigheden in de  bovengrond ervoor dat de groeisnelheid van de berken gering is. habitattype leidt dit tot een type  bos waarin de bomen van nature laag blijven en ver uit elkaar staan, wat gunstig is voor de  ontwikkeling van de ondergroei. Waarschijnlijk zijn hoogveenbossen. Bij hogere depositieniveaus is  deze met name beschikbaar voor hogere planten. Vooral bomen profiteren hiervan zoals berken  evenals Pijpenstrootje (Tomassen et al. 2003). De sterke beschaduwing die hiervan het gevolg is,  is waarschijnlijk nadelig voor veel soorten in de ondergroei, waardoor de kwaliteit van het  habitattype afneemt (Limpens 2009).    overzicht van kwaliteit en oppervlakte H91D0 in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed en matig (geen onderscheid gemaakt 22,4  Eindtotaal 22,4    De overall Trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is vanuit de huidige gegevens onbekend.    De Hoogveenbossen zijn met name dichtgegroeide en/of verdroogde veentjes die onder de juiste  omstandigheden ook hadden kunnen kwalificeren voor H7110B (heideveentjes) of H3160 (Zure  vennen). Door een relatief hoge KDW van 1786 mol/ha/jaar is er slechts in vier deelgebieden een  overschrijding van de KDW geconstateerd. Alleen deze deelgebieden worden behandeld in deze  gebiedsanalyse. Voor een beschrijving en beheer van H91D0 in de overige deelgebieden verwijzen  we naar het beheerplan.    5.16.2Deelgebied 2: De overgang beneden-middenloop bij Westlaren    Kwaliteitsanalyse H91D0 Hoogveenbossen    Actuele verspreiding  Hoogveenbossen vindt je in deelgebied 2 vind je in diepenveen.    Actuele kwaliteit  De actuele kwaliteit is matig het bos bevat veel pijpenstrootje    Tabel 56 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H91D0    Code Naam 2008 (ha) Kwaliteit    40A2 Zompzegge berkenbroek 0,03 goed    143</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>    Naam Kwaliteit    Zompzegge berkenbroek 0,03 goed    RD pijpenstrootje (Berkenbroekbossen) 0,83 matig    Eiken-berkenbos 1,39    onbekend 0,08         Trend  stabiel  Systeemanalyse H91D0 Hoogveenbossen    Het betreft hier een klein berkenbos in twee veentjes. Door de waterwinning is het veentje in het  verleden verdroogd geraakt waardoor mede het bos is ontstaan. Op de drogere delen op de  venranden gaat het bos over in Eiken-Berkenbos. Door het stopzetten van de waterwinning van  Zuidlaren is het gebied weer veel natter geworden, wat kansen bied voor het bos maar ook voor  herstel van de veentjes met goede kans voor de ontwikkeling van H7110B.    Knelpunten en oorzakenanalyse H91D0 Hoogveenbossen  Het bos is te klein om goed te kunnen functioneren    Leemten in kennis H91D0 Hoogveenbossen  5.16.3 Deelgebied 5: De oostelijke middenloop    Kwaliteitsanalyse H91D0 Hoogveenbossen  Actuele verspreiding  In deelgebied 5 komt het hoogveenbos niet meer voor waar een overschreiding van de depositie is    berekend door AERIUS. Dit bos kwam ook hier voor in twee veentjes en is door  herstelwerkzaamheden aan deze vennen verdwenen.    Knelpunten en oorzakenanalyse H91D0 Hoogveenbossen    Het bos komt niet meer voor en de habitattypenkaart moet hierop worden aangepast.    5.16.4 Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de  Hondsrug  Kwaliteitsanalyse H91D0 Hoogveenbossen    Actuele verspreiding    n deelgebied 10c ligt het Hoogveenbos met overschrijding van de KDW op Eexterveld in het  Westerholt. Het gaat om 5% van het oppervlak van de Hoogveenbossen, in dit deelgebied is er  totaal 1,49 ha.    Actuele kwaliteit    De actuele kwaliteit is matig het bos is deels te droog waardoor op sommige plaatsen grote  brandnetel kan domineren.    Tabel 57 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H91D0    Code Naam 2008 (ha) Kwaliteit    39A-f RG Zachte berk-[Elzen-verbond] 0,11 goed    144</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>    ©  (  rt  oO  iD  I  u  |  UD  I  to  1  G)  u  C  iD  1  lo  1  u  vo  iD  iD  vo  wb  +  ui  oy  u  fay  iD  q  iD    RG Zachte berk-[Elzen-verbond]  Zompzegge-berkenbroek   Associatie van Grauwe wilg   RG Pijpestrootje-[ Verbond der berkenbroekbossen]  RG Kalmoes-[Riet-klasse]   Ass. Moerasstruisgras en Zompzegge, typ. subass.  RG Veenpluis-Veenmos-[Kl.kl Zegge/Kl. hoogveensl]  RG Pitrus - Veenmos-[Klasse van hoogveenslenken]    DG Wilde gagel-[K]. hoogveenbult. en natte hei.]    RG Pitrus-[Klasse der vochtige graslanden]    RG Gl.witbol-Stekelvaren-[K1. Eiken-beuk.,v.arm]  RG Grote brandnetel-[Verbond van Els en Es]    water         Trend  stabiel    Systeemanalyse H91D0 Hoogveenbossen    De Hoogveenbossen op het Exterveld liggen op twee locaties een bos ligt bij het Kienveen, een  ven, en kent geen overschreiding van de KDW de ander bospercelen liggen in het Westerholt in een  slenk die doorloopt vanuit Scheebroek richting 't Rotteveen buiten het Natura2000 gebied. Door  recent genomen inrichtingsmaatregelen is de waterhuishouding in het het Eexterveld verbeterd,  primair voor de Blauwgraslanden en Heischrale graslanden, maar ook de hoogveenbossen  profiteren van deze inrichting. De vegetatie typen in het deel van het hoogveenbos met  overschrijding duiden op verdroging (40A-b RG pijpenstrootje en 43B-c RG Grote brandnetel).  Deze vrdroging zal verminderen door de herstelmaatregelen.    Knelpunten en oorzakenanalyse H91D0 Hoogveenbossen  te kleine functionele omvang van het bos.  Leemten in kennis H91D0 Hoogveenbossen    geen trend bekend    5.16.5 Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden    1 Kwaliteitsanalyse H91D0 Hoogveenbossen    Actuele verspreiding    Hoogveenbossen vindt je in deelgebied Vredeveld-Bremheuvel (11c) met een actueel oppervlak  van 1,29 ha.    Actuele kwaliteit    Het betreft hier een Berkenbroekbossen met elementen die wijzen op verdroging. Er zijn geen  typische soorten waargenomen sinds 2000 (NDFF, SBB).    145</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>    Tabel 58 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H91D0    Cade Naam 2008 (ha) Kwaliteit    40A2 Zompzegge-berkenbroek 0,57 goed  40A-b RG Pijpestrootje-[Verbond der berkenbroekbossen] 0,53 matig  42Alb Berken-eikenbos, subassociatie v Bochtige smele 0,17   42+ RG G1. witbol-Stekelvaren-[K1. Eiken-beuk.,v.arm] 0,00   11/a DG Wilde gagel-[K]. hoogveenbult. en natte het] 0,02  Trend   onbekend    Systeemanalyse H91DO0 Hoogveenbossen    De Hoogveenbossen in deelgebied Vredeveld-Bremheuvel (11c) liggen in en rond de  Zeegserduinen. Het zijn deels bossen op oude verlandingen van vennen rond het Siepelveen. Hier  bestaat het bos deels uit berkenopslag die het veen dreigt te verdrogen.    Knelpunten en oorzakenanalyse H91D0 Hoogveenbossen    Te kleine functionele omvang van het bos.  Een goede systeem analyse ontbreekt.    Leemten in kennis H91DO0 Hoogveenbossen    Geen trend bekend.    5,17 Gebiedsanalyse H91E0C Vochtige alluviale bossen  (beekbegeleidende bossen)    5.17.1Inleiding    Voor het habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in het Drentsche Aa-  gebied is verbetering van de huidige kwaliteit en uitbreiding van oppervlakte geformuleerd als  instandhoudingdoel. De landelijke staat van instandhouding is matig ongunstig. Het Vochtige  alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) is verspreid over het Drentsche Aa gebied aanwezig.    Onderstaande tekst is deels gebaseerd op het gradiëntendocument voor het natte zandlandschap  (Everts et al. 2012). Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in het Drentsche Aa-  gebied zijn vaak elzenbroek-bossen in de nabijheid van de beek.    Effecten stikstofdepositie    De kritische depositiewaarde voor Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) is  berekend op 1857 mol/ha/jr. De te hoge depositie zorgt in een klein deel van de bossen in het  Drentsche Aa-gebied voor verzuring en vermesting.    De overschrijding van de KDW verschilt per deelgebied (AERIUS Monitor 16L). Voor de  referentiesituatie in 2014 wordt op de groeiplaatsen van het habitattype een depositie van  gemiddeld 1.405 mol N ha! jr! berekend. Tot 2030 neemt dit af tot gemiddeld 1.208 mol N ha? jr  1    Verzuring    In Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) heeft een verhoogde stikstofdepositie  slecht een gering efffect op de verzuring. De basenvoorzieningwordt aangestuurd door hoge  grondwaterstanden in de winter, basenrijke kwel en eventueel door aanvoer van basenrijk    146</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>    beekwater via inundaties.    Vermesting   Bij vermesting speelt de verhoogde stikstofdepotie een rol. Deze kan leiden tot verschuivingen in  de soortsamenstelling. Zeker in compinatie met een suboptimale hydrologie kan dit resulteren in  een door grote brandnetel of bramen gedomineerde ondergroei.    Overzicht van kwaliteit en oppervlakte H91EOC in het gehele Drentsche Aa-gebied:    kwaliteit oppervlak (ha)  Goed en matig (geen onderscheid gemaakt 22,4  Eindtotaal 22,4    De overall Trend voor het gehele Drentsche Aa gebied is vanuit de huidige gegevens onbekend.  Maar gezien de uitgevoerde inrichtingsmaatregelen zal in de eerste beheerplanperiode een  positieve ontwikkeling plaatsvinden.    Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) vind je door het gehele Drentsche Aa-gebied.  Door een relatief hoge KDW van 1857 mol/ha/jaar is er slecht in drie deelgebieden een  overschrijding van de KDW geconstateerd. Alleen deze deelgebieden worden behandeld in deze  gebiedsanalyse. Voor een beschrijving en beheer van H91E0C in de overige deelgebieden  verwijzen we naar het beheerplan.    5.17.2 Deelgebied 3: De middenloop; Schipborgsche diep    Kwaliteitsanalyse H91EOC Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)    Actuele verspreiding  Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) vindt je in deelgebied 3 in de Burgvallen.    Actuele kwaliteit    De actuele kwaliteit is matig het bos is deels te droog waardoor op sommige plaatsen grote  brandnetel kan domineren.    Tabel 59 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H91EOC    Code Naam 2008 (ha) Kwaliteit    39A2a Elzenzegge-elzenbroek, typische subassociatie 0,09 goed  39A2b Elzenzegge-elzenbroek, subass. Bittere veldkers 0,25 goed  39A2c Elzenzegge-elzenbroek, subassoc. v Zwarte bes 0,05 goed  43B2 Vogelkers-essenbos 0,96 goed  39A-a RG Hennegras-[Elzen-verbond] 0,14 matg  39A-b RG Gewone braam-{Elzen-verbond] 0,16 matig  39A-d RG Grote brandnetel-[Elzen-verbond] 0,50 matig  43B-c RG Grote brandnetel-[Verbond van Els en Es] 0,19 matig  12B-; RG Fioningras-[Zilverschoon-vb/K1.vochtig.grasl] 0,02   36A2 Associatie van Grauwe wilg 0,39   37-b RG Eenst.meidoom-Sleed.-Hondsroos[{K1. Doomstr.] 0,34   42Ale Berken-cikenbos, subassociatie van Stekelvaren 0,03   42A2b Beuken-eikenbos, subassociatie van Adelaarsvaren 0,02    147</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>    2008 (ha) Kwaliteit    Elzenzegge-elzenbroek, typische subassociatie 0,09 goed         Beuken-eikenbos, subassoc. v Lelietje-v-dalen 0,05    Trend  stabiel    Systeemanalyse H91EOC Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)    Het betreft hier een klein bosperceel op in het beekdal bij de burgvallen ten zuiden van het  landgoed schipborg.    Knelpunten en oorzakenanalyse H91EOC Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende  bossen)    Het bos is te klein om goed te kunnen functioneren.  Leemten in kennis H91EOC Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)    Geen    5.17.3Deelgebied 4: De westelijke middenloop    Kwaliteitsanalyse H91EOC Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)    Actuele verspreiding    Vochtige alluviale bossen vindt je verspreid langs de beek in deelgebeid 4. Het bos met  overschreiding van de KDW bevind zich op langs de beek onder ten zuiden van een stijle oeverwal  bij het Oudemolensche diep nabij Oude molen.    Actuele kwaliteit    Het betreft hier een Elzenzegge-elzenbroekbos met elementen die wijzen op verdroging. Er zijn  geen typische soorten waargenomen sinds 2000 (NDFF, SBB).    Tabel 60 Overzicht vegetatietypen in areaal met habitattype H91EOC    Code Naam 1994 (ha) Kwaliteit  39A2a Elzenzegge-elzenbroek, typische subassociatie 0,57 goed  39A2b Elzenzegge-elzenbroek, subass. Bittere veldkers 0,58 goed  39A2c Elzenzegge-elzenbroek, subassoc. v Zwarte bes 0,25 goed  39A2d Elzenzegge-elzenbroek, subassociatie v Framboos 0,21 goed  39A2e Elzenzegge-elzenbroek, subassociatie v Zompzegge 0,41 goed  39A-a RG Hennegras-[Elzen-verbond] 0,44 matig  39A-b RG Gewone braam-[Elzen-verbond] 0,16 matig  39A-c RG Moeraszegge-[Elzen-verbond] 0,16 matig  39A-d RG Grote brandnetel-[Elzen-verbond] 0,18 matig  Ol-a RG Klein kroos-[Eendekroos-klasse] 0,04   32A1 Associatie van Moerasspirea en Valeriaan 0,01   33-a RG Grote brandnetel-[Klasse d nitrofiele zomen) 0,02   36A2 Associatie van Grauwe wilg 0,10    148</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>    Naam 1994 (ha) Kwaliteit    Elzenzegge-elzenbroek, typische subassociatie 0,57 goed    Moerasvaren-elzenbroek, typische subassociatie 0,05         Trend  niet bekend    Systeemanalyse H91EOC Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)    De vochtige alluviale bossen in deelgebied 4 liggen allen op[ de lagere delen langs de beek waar ze  oorspronkelijk regelmatig door beekwater werden geinundeerd. Door aanpassingen aan de beek en  het waterregime zijn deze inundaties verminderd.    Knelpunten en oorzakenanalyse H91EOC Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende  bossen)    te kleine functionele omvang  Leemten in kennis H91EOC Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)    Geen trend bekend.    5.17.4 Deelgebied 8: De westelijke bovenlopen   Actuele verspreiding   Vochtige alluviale bossen vindt je verspreid langs de beek in deelgebied 8. in totaal komt er 9,36  ha voor. Gezien het geringe aandeel in oppervlak <0,1 % en de ontwikkeling in de    stikstofdepositie is de locatie in deelgebied 8 niet opgenomen in de PAS maar wordt behandelt in  het beheerplan.    149</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>    5,18 Habitatrichtlijnsoorten met stikstofgevoelig leefgebied  5.18.1 Kwaliteitsanalyse leefgebieden    Een groot deel van de herstelstrategieën voor habitattypen zijn tevens bedoeld als herstelstrategie  voor het leefgebied van soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Waar de stikstofgevoelige  leefgebieden van deze soorten (deels) niet samenvallen met habitattypen, zijn aanvullend 14  herstelstrategieën voor leefgebieden opgenomen.    Bij deze analyse is gebruik gemaakt van het Stappenplan Leefgebieden Analyse en ook van de   Bijlagen van Deel II, om vervolgens te kunnen bepalen of een soort gebruikmaakt van een   stikstofgevoelig leefgebied en welke strategieën dus van toepassing zijn. Om vast te stellen voor   welke soorten een herstelstrategie nodig is, zijn de volgende vragen doorlopen:   1. Zijn er soorten in het gebied aangewezen die theoretisch gebruik kunnen maken van een  stikstofgevoelig Leefgebied of Habitattype?   2. Zo ja, komen die Leefgebieden en Habitattypen ook binnen de begrenzing van het N2000  gebied voor?   3. Zo ja, worden A) deze Leefgebieden en Habitattypen door de soort gebruikt (of móeten ze  gebruikt kunnen worden in de toekomst)? En B) wordt de KDW van die locaties overschreden?    Als één van de vragen 2 of 3 A) en/of B) met <nee> is te beantwoorden is opname in de PAS niet  nodig. Bij vraag 3 kunnen A) en B) ook in omgekeerde volgorde beantwoord worden.    STAP 1 — Soorten met N-gevoelig leefgebied?    Analyse welke soorten voorkomen.    Tabel 61 Overzicht van soorten in de Essentietabel voor de Drentsche Aa    Draag- | Draag- | N-gevoelig   Instand- Vi. 5 ach leefgebied?  houdings  Oe 5E eC) 1    Broedvogels “>  modderkrui per  modderkruiper   H1163 Rivierdonderpad niet |    De laatste kolom is ingevuld m.b.v. de tabel op de PAS-website  http://pas.natura2000.nl/files/deel ii bijlagen.pdf. Die tabel geeft aan welke soorten een  stikstofgevoelig leefgebied hebben en welke Habitattypen en aanvullend geformuleerde  Leefgebieden daarmee geassocieerd zijn. Een uittreksel voor de relevante soorten in Drentsche Aa-  gebied is opgenomen in bijlage 5.         Conclusie STAP 1:    In potentie komen in het N2000-gebied Drentsche Aa de volgende soorten voor die afhankelijk zijn  van stikstofgevoelige leefgebieden:  H1166 - Kamsalamander    STAP 2 — Voorkomen Habitattypen en Leefgebieden?    Hieronder volgt een check welke habitattypen en leefgebieden voor de hierboven geconstateerde  soorten met N-gevoelig leefgebied ook daadwerkelijk in dit specifieke N2000 gebied een rol spelen.    150</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>    N-gevoelig Corresponderend | Overig N- | HT/LG komt  relevant voor N-gevoelig gevoelig voor in  leefgebied? habitattype leefgebied    3.17 (va) Ja, voor zo ver 1 143150 (KDW LGO2 (KDW    Geisoleerd zuurstoftekort 2143/ >2400) 2143) H3150: Nee  meander en kan optreden LGO2: Ja  netaat door eutrofiering  3.22 (va) Zwak Ja zo ver  Kamsalamander gebufferde zuurstoftekort H3130 (KDW 571)  vennen kan optreden    Kamsalamander         De kamsalamander kan voorkomen in de stikstofgevoelige biotopen:  e _Habitattype 3150 Meren met fonteinkruiden of krabbenscheer  e Leefgebiedtype LGO2 Geïsoleerd meander en petgat  e _Habitattype H3130 Zwak gebufferde vennen    Van de bovengenoemde stikstofgevoelige biotopen komt alleen Leefgebiedtype LGO2 mogelijk voor  in het Drentsche Aa-gebied in het uiterste noorden van in deelgebied 1 (De benedenloop; De Punt  tot Westlaren). Het leefgebied van de kamsalamander ligt in het zuiden en midden van het N2000-  gebied op het Ballooërveld, Eexterveld, de Heest, en Heeremaden (Ontwerpbeheerplan Drentsche  Aa, 2016).    De kamsalamander maakt geen gebruik van het stikstofgevoelige LGO2. Gelet op de afstand is het  ook onwaarschijnlijk dat deze locaties op termijn door de kamsalamander in gebruik zullen worden  genomen. De afstand die een kamsalamander aflegt is afhankelijk van de hoeveelheid en de  kwaliteit van het landbiotoop. In de meeste gevallen zal een volwassen kamsalamander maximaal  250 meter afleggen vanaf het voortplantingswater. Grotere afstanden tot 500 meter, 700 meter,  en 1000 meter worden ook afgelegd, maar door een kleiner aantal individuen (Ravon, 2007). Gelet  op de afstand tot deelgebied 1 met LGO2 (meerdere km's) is het dan ook onwaarschijnlijk dat deze  locaties, ook op termijn, door de kamsalamander in gebruik zullen worden genomen. Dit leefgebied  is dan ook niet noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstelling te behalen.    Daarnaast geldt dat de KDW van LGO2 (2.100 mol N/ha/jaar) met een gemiddelde N-depositie in  referentiejaar (2014) van 1.344 mol/ha/jr in het Natura 2000-gebied niet wordt overschreden.  Voor het betreffende leefgebied is er geen knelpunt ten aanzien van stiksofdepositie, Voor de  kamsalamander doen zich dan nook geen negatieve effecten voor ten aanziden van stikstof,    Conclusie Stap 2  Stikstofdepositie is geen knelpunt voor de kamsalamander en het leefgebied van de  Kamsalamander in het Drentsche Aa-gebied. Een verdere uitwerking is niet nodig.    5.18.2Eindconclusie    Van de diverse habitatrichtlijnsoorten is alleen de kamsalamander N-gevoelig. De KDW van het  stikstofgevoelige leefgebied wordt niet overschreden. Bovendien komt de kamsalamander in het  Natura 2000-gebied Drentsche Aa niet voor in het stikstofgevoelig leefgebied. In het kader van de  PAS zijn geen aanvullende PAS-maatreglen nodig.    151</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
152 
 6 Gebiedsgerichte  uitwerking  maatregelp akketten  
Dit hoofdstuk geeft in § 6.1 een eerste bepaling van de herstelmaatregele n per deelgebied. De 
kaarten met maatregelen staan ook in deze paragraaf. Voor het overzicht van het gehele gebied 
zie bijlage 3 (los bijgeleverd). § 6.2 bevat een nadere uit werking. Die paragraaf is geordend naar 
habitattype.  
 
Naast de te hoge stikstof belasting vormt verdroging een belangrijke bedreiging voor de 
habitattypen in het Drentsche Aa -gebied, omdat veel van de aangewezen habitattypen 
grondwatergebonden zijn. Gezien  het feit dat cumulatie van beide stress factoren de habitattypen 
extra kwetsbaar maakt, is in de uitwerking herstelstrategie en maatregelpakketten veel aandacht 
besteed aan de hydrologie. Hierbij moet worden gestreefd naar systeemherstel. Dit is per 
deelg ebied uitgewerkt in § 6.1. De maatregen hier zijn PAS maatregelen, bedoeld om het behoud 
van de habitattypen te kunnen garanderen onder de huidige en voorspelde stikstofdeposities.  
 
Ook zijn in de herstelstrategieën onderzoeken opgenomen. Deze zijn weliswa ar op zich zelf geen 
herstelmaatregel, maar moeten leiden tot maatregelen in beheerplan periode 2 en 3 om het 
realiseren van de doelen te borgen. In een enkel geval komen uit het onderzoek ook urgente 
maatregelen naar voren die direct worden uitgevoerd.  
6.1 Eerste bepaling maatregelpakketten op gradiëntniveau.  
Voor de maatregelenpakketten op gradiëntniveau is gebruik gemaakt van de volgende 
Herstelstrategieën: Deel III Landschapsecologische inbedding van de herstelstrategieën. Deze 
bestaan uit beschrijvingen van landschappen en de ecologische gradiënten daarin. Deze 
beschrijvingen ondersteunen de keuze van herstelmaatregelen op landschappelijke schaal. De 
volgende twee herstelstrategieën op landschapsschaal zijn van toepassing op het Natura 2000 -
gebied Drentsc he Aa:  
 
 Beekdallandschap; A.P. Grootjans, F.H. Everts, A.T.W. Eysink, A.J.M. Jansen, A.J.P. Smolders & 
E. Takman.  
 Nat zandlandschap; F.H. Everts, E. Brouwer, A.T.W. Eysink, R. van der Burg & H. van Kleef  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
153 
  
 
 
6.1.1  Deelgebied 1: De benedenloop; De Punt tot Westlaren  
Van oorsprong werd de benedenloop bij de Kappersbult sterk beïnvloed door overstroming met 
beekwater. Hierbij trad geen of nauwelijks wegzijging op. Plaatselijke kwel en overstroming 
zorgden voor buffering van de bodem. In dit systeem kwam een fr aaie gradiënt van 
Blauwgraslanden (habitattype H6410), mesotrofe moerassen (habitattype H7140A Overgangs - en 
trilvenen) en grote oppervlakten Grote -zeggenmoeras voor. Momenteel worden de percelen ten 
westen van de beek nog steeds regelmatig, meestal jaarli jks, overstroomd. Onduidelijk is hoe het 
overstromingsregime door diverse ingrepen is veranderd. De kwel is goeddeels verdwenen (zie 
hieronder), waardoor het systeem verzuurt.  
 
De natte natuur in de Kappersbult staat sinds de jaren '60 onder sterke druk va n verdroging en 
verzuring als gevolg van grote ingrepen in de waterhuishouding. Deze ingrepen betreft de diepe 
ontwatering aan de westkant (Ydermaderpolder), twee grondwaterwinningen en mogelijk een 
veranderd overstromingsregime. De effecten van de verzuri ng op de vegetatie zijn zichtbaar in de 
vegetatie.  
 
Het gebied De Westerlanden is in het verleden omgeven door een kade en ontwaterd door 
bemaling. Het herintroduceren van het vroegere overstromingsregime door verwijderen van de 
kade langs de beek en aanpa ssing van de interne ontwatering, kan zorgen voor extra buffering 
daar.  
 
De hoge nutriëntenlast van de beek in het verleden (jaren '20 -'70) hebben bijgedragen aan een 
sterke eutrofiëring van de overstroomde delen. De eutrofiëring is nu een stuk minder. To ch zorgt 
de actuele nutriëntenlast nu ook nog voor aanvoer van stikstof en fosfaat, die met hooilandbeheer 
kan worden afgevoerd. Zonder hooilandbeheer treedt sterke accumulatie op van nutriënten in de 
overstroomde delen.  
 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
154 
 Door het wegvallen van de kwel zijn de vegetaties in Kappersbult niet meer als H7140A trilvenen te 
classificeren (volgens de st rikte defintie uit het profieldocument) . De belangrijkste reden waarom 
geen trilvenen voorkomen, is het wegvallen van de invloed van diep, basenrijk grondwater van 
regionale herkomst.  
 
Figuur 14 geeft de PAS -maatregelenkaart. De strategie in dit deelgebied is om de verdroging tegen 
te gaan door:  
 
 aanpassing van de interne ontwatering van het gebied t en oosten van de beek.  
 
Deze maatregelen zijn vooral gericht op de uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de 
kwaliteit van de overgangs - en trilvenen.  
 
In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de effecten van deze maatregelen.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
155 
  
Figuur 14. PAS -maatregelen voor deelgebied 1.  
Erratum: op de kaart zijn te verwijderen kades aangegeven, die niet in de legenda staan. Zie ook bijlage 3 . Op 
de kaart staat habitattype H7140A weergegeven in Kappersbult. In Kappersbult is  geen habitattype aanwezig.  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
156 
 6.1.2  Deelgebied 2: De over gang beneden - middenloop bij Westlaren  
Van oorsprong werd het benedenstroomse deel sterk beïnvloed door overstroming met beekwater 
en trad er geen of nauwelijks wegzijging op. Hierdoor kwamen grote oppervlakten met grote 
zeggenmoerassen voor. Momenteel worden deze gebieden nog steeds regelmatig , meestal 
jaarlijks, overstroomd. Onduidelijk is hoe het overstromingregime gedurende de 20e eeuw is 
veranderd en wat de effecten daarvan zijn geweest op de vegetatie. In het bovenstroomse deel is 
de overstromingsinvloed minder groot. Naast overstroming, i s invloed van een geringe toestroming 
van basenhoudend grondwater aanwezig. Door toename van de ontwatering binnen en buiten het 
deelgebied en grondwateronttrekking is sterke verdroging opgetreden. Ook heeft de sterke 
ontwatering geleid tot verzuring. Hier door zijn grondwaterafhankelijke vegetaties sterk achteruit 
gegaan. Recent is in een deel van het gebied de vernatting en de kwel toegenomen. Deze 
verbetering is het gevolg van interne hydrologische maatregelen en het sluiten van de 
grondwaterwinning in Zu idlaren. In delen waar de interne ontwatering is afgenomen, is het areaal 
van het habitattype H7140A Overgangs - en trilvenen toegenomen.  
 
Lokaal zijn er nog aanvullende maatregelen nodig om de verdroging verder te bestrijden. 
Onderzoek moet uitwijzen waar  en welke maatregelen het meest effectief zijn. Een mogelijke 
maatregel is het verhogen van de waterstanden in de beek.  
 
Ook de zandwinplas in de omgeving heeft een drainerende werking (zie ook § 3.4.2). Onduidelijk is 
hoe sterk de negatieve invloed is en of deze kan worden tegengaan door het waterpeil in de plas te 
verhogen.  
 
Figuur 15 geeft de PAS -maatregelenkaart. De strategie in dit deelgebied is verdroging tegen te 
gaan door:  
 
 het uitvoeren van inrichtingsmaatregelen in de beek. Doel is het verhogen va n het beekpeil.  
 aanpassing van de interne ontwatering (arcering op de kaart + de aangegeven sloot)  
 hydrologisch onderzoek naar de mogelijkheid om het peil in de zandwinplas te verhogen en het 
onderzoeken van de effecten hiervan op de grondwaterstand en kwe l in het beekdal. 
Tegelijkertijd is het van belang om de effecten op de grondwaterstanden bij de nabijgelegen 
vakantiehuisjes en het landbouwgebied door te rekenen. Als uit onderzoek blijkt dat de 
maatregel mogelijk en effectief is, dan wordt ze in de twee de Pas -periode doorgevoerd.  
 In figuur 15 is het benedenstroomse deel van het Zeegserloopje meegenomen. Bij uitvoering 
van maatregelen in de beek of het beekdal, zal dit apart voor dit deel van het Zeegserloopje 
worden uitgevoerd. Dit wordt gedaan omdat het  hier ten opzichte van het veel grotere 
Oudemolense diep en Westerdiep om een kleine beekloop gaat waar mogelijk al snel tot het 
nemen van maatregelen kan worden over gegaan.  
 
 
Bovengenoemde maatregelen zijn gericht op verbetering van oppervlakte en kwaliteit van de 
overgangs - en trilvenen en op het aanwezige heischrale grasland.   
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
157 
  
 
Figuur 15. PAS -maatregelen in deelgebied 2.  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
158 
 6.1.3  Deelgebied 3: De  middenloop  Schipborgsche diep  
De beekdalen in dit deelgebied staan onder invloed van sterke kwel van zacht tot matig hard 
grondwater. De kwel is deels afkomstig uit subregionale grondwatersystemen en deels, via ondiepe 
stroombanen van de aangrenzende plateaus. Na een periode met sterke verdroging (jaren '60 tot 
en met '90) rest eerde er nog een gering oppervlak natte tot zeer natte vegetaties. Vanaf eind jaren 
'90 zijn er in het gebied verscheidene interne maatregelen genomen. Ook is de grondwaterwinning 
bij Zuidlaren gestopt. Met name deze laatste maatregel heeft in het noordeli jke deel geleid tot de 
ontwikkeling van natte tot zeer natte vegetaties. Omdat de vernattingsmaatregelen slechts 
kortgeleden zijn uitgevoerd, zijn de abiotiek en de vegetaties nog in ontwikkeling. Hierbij is er 
sprake van een langzame, geleidelijke stijgin g van de freatische grondwaterstand, wat 
vermoedelijk samenhangt met het dichtslibben en dichtgroeien van oude sloten en greppels. 
Ondanks de sterke kwelflux, is er in droge zomers nog steeds sprake van uitzakkende 
grondwaterstanden.  
 
Figuur 16 geeft de PA S-maatregelenkaart. De strategie in dit deelgebied is tegenaan van de 
verdroging door:  
 
 het uitvoeren van inrichtingsmaatregelen in de beek, in zowel de hoofdloop als een deel van 
het Anloërdiepje. Doel is het verhogen van het beekpeil.  
 opheffen van de int erne ontwatering (arcering op de kaart + de aangegeven sloten). Deze 
sloten liggen rond het landgoed Schipborg en op de grens met deelgebied 11C.  
 in figuur 16 is het benedenstroomse deel van het Anloërdiepje meegenomen. Bij uitvoering van 
maatregelen in d e beek of het beekdal, zal dit apart voor dit deel van het Anloërdiepje worden 
uitgevoerd. Dit wordt gedaan omdat het hier ten opzichte van het veel grotere Schipborgerdiep 
om een kleine beekloop gaat waar mogelijk al snel tot het nemen van maatregelen kan  worden 
overgegaan.  
 
 
Bovengenoemde maatregelen zijn gericht op vergroting van de oppervlakte en verbetering van de 
kwaliteit van de overgangs - en trilvenen en op het aanwezige blauwgrasland en heischrale 
grasland.  
 
Verder zal in het aanliggende inzijgingsgebied (deelgebied 11C) de interne ontwatering worden 
aangepast (zie aldaar figuur 24).  
 
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
159 
  
 
Figuur 16 PAS-maatregelen in deelgebied 3  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
160 
 6.1.4  Deelgebied  4: De westelijke middenloop  
Het beekdal staat onder invloed van sterke  kwel met matig kalkrijk tot kalkrijk grondwater 
afkomstig van subregionale grondwatersystemen. Daarnaast staat het beekdal ook onder invloed 
van minder kalkrijk grondwater vanuit het westelijke infiltratiegebied. Na een periode van 
verdroging (jaren 1960 tot en met 1990) resteerde er in het gebied nog een gering oppervlak natte 
tot zeer natte vegetaties. Vanaf eind jaren '90 zijn er in het gebied verscheidene interne 
maatregelen genomen. Hierdoor is het gebied natter geworden en komen er op vrij grote scha al 
vegetaties voor behorende tot vooral habitattype H7140A Overgangs - en trilvenen en 
Dotterbloemhooilanden. Afhankelijk van de basenrijkdom van het toestromende grondwater zijn de 
meeste hooilanden en moerassen sterk tot zeer sterk gebufferd. Omdat de ver nattingsmaatregelen 
slechts kortgeleden zijn uitgevoerd, zijn de abiotische omstandigheden en de vegetaties nog in 
ontwikkeling. Hierbij is er sprake van een langzame, geleidelijke stijging van de freatische 
grondwaterstand. Dit hangt vermoedelijk samen me t het dichtslibben en dichtgroeien van oude 
sloten en greppels. in de vernatte delen is gedurende droge zomers, ondanks de sterke kwelflux, 
nog wel sprake van uitzakkende grondwaterstanden. Dit kan worden veroorzaakt worden door 
plaatselijke ontwatering. O ok in de delen van het dal die niet vernat zijn, is er nog sprake van sterk 
flucuerende freatische grondwaterstanden. Ook de beek draineert hier sterk.  
 
Figuur 17 geeft de PAS -maatregelenkaart. De strategie in dit deelgebied is het tegengaan van 
verdroging  door:  
 
 het uitvoeren van inrichtingsmaatregelen in de beek, in zowel de hoofdloop als een deel van 
het Anloërdiepje. Doel is het verhogen van het beekpeil.  
 aankoop van percelen en vervolgens aanpassen van de detailontwatering in deze percelen.  
 
Deze maatregelen zijn gericht op verbetering van oppervlakte en kwaliteit van de overgangs - en 
trilvenen.  
 
Verhoging van de waterstanden in de beek zal in dit deelgebied tot meer inundaties en verhoging 
van de grondwaterstanden leiden. Dat leidt weer tot landbo uwschade. Om dit te voorkomen is 
functieverandering noodzakelijk.  
 
Het deelgebied Balooërveld ligt aan de oostzijde van dit deelgebied. De bedoeling is om hier 
onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor systeemherstel in de landbouwenclave ten noorden 
van Visvliet (weg Loon -Gasteren). Naar verwachting zal dit herstel leiden tot een verbetering van 
de hydrologische situatie van de westelijke middenloop.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
161 
  
Figuur 17. PAS -maatregelen in deelgebied 4.  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
162 
 6.1.5  Deelgebied  5: De oostelijke  middenloop   
 
Het beekdal staat onder invloed van sterke kwel met matig kalkrijk tot kalkrijk grondwater 
afkomstig van subregionale grondwatersystemen. Daarnaast staat het beekdal onder invloed van 
minder kalkrijk grondwater vanuit het westelijke infiltrat iegebied.  
 
Naast een gradiënt in waterkwaliteit dwars op het beekdal, waren er van oudsher ook gradiënten in 
waterkwaliteit bij de mondingen van de diverse stroeten; vanuit de stroeten stroomde in natte 
perioden relatief basenarm oppervlaktewater diffuus h et hoofddal in. Na een periode van 
verdroging (jaren 1960 tot en met 1990) resteerde er in het gebied nog een gering oppervlak natte 
tot zeer natte vegetaties. In deze periode kwamen de meeste moerasvegetaties en 
Dotterbloemhooilanden nog voor in De Postwe g. Vanaf eind jaren '90 zijn er in het gebied 
verscheidene interne maatregelen genomen. Hierdoor is het gebied natter geworden en komen er 
nu op vrij grote schaal natte tot zeer natte vegetatie voor. Een ontwikkeling naar schrale 
hooilanden, behorende tot de habitattypen H6410 Blauwgraslanden en H6230 Heischrale 
graslanden, heeft zich in het deelgebied slechts sporadisch voorgedaan.  
 
Een groot deel van de beekdalflanken waar schraallanden tot ontwikkeling kunnen komen, wordt 
nog intensief landbouwkundig geb ruikt of zijn nog te voedselrijk. Omdat de vernattingsmaatregelen 
kort geleden zijn uitgevoerd, zijn de abiotische condities en de vegetaties nog in ontwikkeling. Als 
gevolg van de vernattingsmaatregelen is er sprake van een langzame, geleidelijke stijging  van de 
freatische grondwaterstand. Dit hangt vermoedelijk samen met het dichtslibben en dichtgroeien 
van oude sloten en greppels.  
 
In de vernatte delen is er in droge zomers, ondanks de sterke kwelflux, nog steeds sprake van 
uitzakkende grondwaterstanden. Dit kan verband houden met het lage beekpeil, de diepe 
parallelleiding in het zuidelijke deel (laagste drainagebasis in dit deelgebied), de diepe ontwatering 
van het zuidelijke gelegen landbouwgebied (Koelanden) en/of de ontwaterende wer king van 
slenken in het dal. Mogelijk zijn er ook nog overige, nog niet bekende, oorzaken die leiden tot het 
uitzakken van stijghoogten in de watervoerende pakketten. In delen van het dal die niet vernat 
zijn, is er ook sprake van sterk fluctuerende freati sche grondwaterstanden.  
 
Het achterwege laten van beekonderhoud, de aanleg van voorden en de uitvoering van het 
proefproject “Beek op peil”, heeft geleid tot hogere beekpeilen. Deze ontwikkeling zet zich nog 
steeds door.  Het zoeken is naar het gewenst beek peil in relatie tot de diepte.  
 
Figuur 18 geeft de PAS -maatregelenkaart. De strategie in dit deelgebied is het tegengaan van 
verdroging door:  
 
 het uitvoeren van inrichtingsmaatregelen in de beek. Doel is het verhogen van het beekpeil.  
 dempen van de oude pa rallelle leiding in het zuidelijke deel van het gebied.  
 aanpassen van de interne ontwatering in twee delen van het gebied.  
 
Deze maatregelen zijn gericht op verbetering van oppervlakte en kwaliteit van de overgangs - en 
trilvenen.  
 
Het deelgebied 6 (Ballooë rveld) ligt aan de westzijde tegen dit deelgebied aan. Hier zal de 
detailontwatering in de omgeving van de Galgriet worden aangepast. Deze maatregel komt ten 
goede aan de overgangs - en trilvenen in deelgebied 5 (zie verder de maatregelen bij deelgebied 6 
en figuur 19).  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
163 
  
 
Figuur 18 PAS-maatregelen in deelgebied 5  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
164 
 6.1.6  Deelgebied  6: Het Ballooërveld  
Het Ballooërveld bestaat uit een laag plateau. Hier is sprake van infiltratie van regenwater. De 
bodem van het Balloerveld is daarom basenarm. Het gebied beslaat een groot oppervlak. 
Daarnaast is er geen landbouw. Om deze redenen is het plateau van groot b elang voor de voeding 
van aangrenzende beekdalen met schoon grondwater. De freatische grondwaterstand ligt in grote 
delen dicht bij het maaiveld. In het verleden zijn de grondwaterstanden uitgezakt door ontwatering 
van de omringende beekdalen, landbouwgebi eden, de stroeten en landbouwenclaves in het gebied. 
Ook de lage beekpeilen hebben een substantiële negatieve invloed gehad op het grondwater. 
Daarnaast heeft de grondwaterwinning in vooral het westelijke deel van het gebied gezorgd voor 
een verlaging van de grondwaterstanden.  
 
Door verdroging is het habitattype H4010A Vochtige heide niet goed ontwikkeld. Inmiddels is de 
ontwatering in de beekdalen verminderd en in de stroet Galgriet sterk verminderd. De spaarzame 
peilbuisgegevens duiden op een geringe sti jging van de diepe stijghoogten en freatische standen. 
Dit kan worden toegeschreven aan de verminderde grondonttrekking door de waterwinning bij 
Assen als aan een afname van de ontwatering in aangrenzende beekdalen. Verder herstel van de 
waterhuishouding z al vooral moeten plaatsvinden door het verminderen van de drainage in de 
aangrenzende beekdalen, landbouwgebieden en in het Smalbroekerloopje. Door het ontbreken van 
een recente vegetatiekartering van het Ballooërveld is de huidige staat van instandhouding  van de 
vegetaties hier niet goed bekend.  
 
Het Ballooërveld met aangrenzende beekdalen biedt binnen de Drentsche Aa de beste kans op een 
compleet herstel van het beekdalgradiënt.  
 
Figuur 19 geeft de PAS -maatregelenkaart.  
 
De strategie is om het systeem te  verbeteren door verdroging en vermesting aan te pakken en de 
overgang naar de smalle beekdalen/stroeten Galgriet, Smalbroekerloopje en Slokkert te 
optimaliseren.  
 
De maatregelen bestaan dan uit:  
 
 verminderen van de interne ontwatering nabij de Galgriet, i n het noordoostelijk, zuidoostelijk 
en zuidwestelijk deel van het gebied, het beekdal van het Smalbroekerloopje en in de Slokkert. 
Op deze locaties kan een gradiënt van heide naar beekdal met overgangs - en trilvenen 
ontstaan. Bij de Slokkert is het herstel  van een voedselarm ven mogelijk. De slenken en 
stroeten in het gebied zijn ook van belang voor de aanliggende beekdalen.  
 afdammen en/of dempen van de tankgracht.  
 kleinschalig plaggen van vergraste heide (droge, vochtige en stuifzandheide). Het grote 
opper vlak zoals aangegeven in figuur 19 is hierbij voorkeursgebied (zie verder § 5.2 
(beschrijving van de strategie voor de habitattypen)).  
 
Deelgebied 6 (Ballooërveld) ligt tussen twee grote beekdalen in. Het is de bedoeling om hier de 
overgang van de droge heide naar beekdalen en hun gradiënten te herstellen. Ten behoeve van de 
twee aanliggende grote beekdalen (deelgebieden 4 en 5) vindt in e n rond de landbouwenclave ten 
noorden van Visvliet (de weg Loon - Gasteren) hydrologisch onderzoek plaats naar mogelijkheden 
voor systeemherstel.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
165 
  
 
Figuur 19 PAS-maatregelen in deelgebied 6  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
166 
 6.1.7  Deelgebied 7 : De overgang naar middenloop  
Van belang voor vrijwel het gehele deelgebied 7a (Deurzerdiep) is de reductie van de 
drinkwaterwinning bij Assen (WMD). Ook het te lage beekpeil speelt overal een belangrijke rol. In 
de modelstudie (Van Houten et al.  2001) is het effect hiervan met een aangepast hydrologisch 
model onderzocht. Van belang is om te beseffen dat deze modelstudie beperkingen heeft. Het 
optimale scenario is niet onderzocht. De onderzochte scenario's geven wel inzicht in verschillen in 
hydrologisch effect tussen diverse  ingrepen. Hogere beekpeilen zijn van belang voor de 
stabilisering van de freatische grondwaterstanden in droge perioden; bij een hogere kwelflux 
kunnen freatische standen in perioden met veel verdamping minder diep uitzakken. Rond 
2003/2004 is de onttrekk ing van de drinkwaterwinning Assen gedaald van 3,6 naar 2,5 Mm3/jaar 
in 2003. Dit betekent dat op dit moment zowel de beekpeilen als de detailontwatering van cruciaal 
belang zijn.  
 
Het waterschap Hunze en Aa’s heeft in samenwerking met andere partijen het plan Deurzerdiep -
Anreeperdiep uitgewerkt. De uitvoering moet in 2014/2015 plaatsvinden. Hierbij worden zowel de 
detailontwatering in de percelen als het beekpeil aangepast. Ook wordt een gemaal (Horstmaat) 
verwijderd. Deze maatregelen zullen voor de overga ngs- en trilvenen leiden tot een aanzienlijk 
betere positie. Na uitvoering van de maatregelen wordt de ontwikkeling van het gebied 
gemonitord. Op basis van de monitoringsresultaten kan bijstelling van de gekozen maatregelen 
plaatsvinden en kunnen evt. beno digde aanvullende maatregelen worden genomen.  
 
 
Deelgebied 7b is onderdeel van het dal van het Zeegserloopje en ligt bovenstrooms van 
deelgebied  2. Hier liggen weliswaar geen habitattypen waar de KDW wordt overschreden, maar de 
aanpak van de beek is hier onderdeel van systeemherstel voor het benedenstroomse deel van het 
Zeegserloopje, behorend bij deelgebied 2.   
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
167 
  
Figuur 20 a. PAS -maatregelen in deelgebied 7a.  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
168 
  
Figuur 20b PAS -maatregelen in deelgebied 7b  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
169 
 6.1.8  Deelgebied 8: De bovenlopen  
Deelgebied 8a, lage delen Amerdiep  
Vanaf jaren ’60 van de 20e eeuw is het hele gebied (beekdal en dalflanken) sterk verdroogd door 
intensieve ontwatering en verlaging van het beekpeil. Dit heeft geleid tot een achteruitgang van de 
kwaliteit van de natte hooilanden en de moerasvegetaties. Sindsdien is de situatie niet verbeterd 
en is er nog steeds sprake van verdroging en verzuring.  
 
Volgens de habitattypenkaart ligt er in dit gebied een smalle strook overgangs - en trilveen, als 
onderdeel van een ooit aangelegde natuurvriendelijke oever. De vegetaties zijn inmiddels verbost.  
 
Om het hydrologisch systeem te herstellen is het van belang om de ontwatering tegen te gaan. 
Omdat de Kritische depositiewaarde (KDW) van het habitattype overgangs - en trilveen hier niet 
wordt overschreden, is het niet noodzakelijk om hier maatregelen uit te voeren in het kader van de 
PAS. Er is dus geen maatregelenkaart opgenomen.  
Deelgebied 8b, Ekehaar Amerdiep  
Vanaf jaren ’60 van de 20e eeuw is het hele gebied sterk v erdroogd door detailontwatering en 
verlaging van het peil van het Amerdiep en een grote watergang parallel daaraan. Ook de 
Ruimsloot in het oostelijke deel van dit deelgebied leidt tot ontwatering. De ontwatering heeft 
geleid tot een achteruitgang van de k waliteit van de natte hooilanden en moerasvegetaties. Vanaf 
de jaren 60 van de vorige eeuw is de waterhuishouding nauwelijks veranderd.  
 
Om het hydrologisch systeem te herstellen is het van belang om de ontwatering (detail - en 
hoofdafwatering) tegen te gaa n. Omdat de Kritische depositiewaarde (KDW) van het habitattype 
overgangs - en trilveen hier niet wordt overschreden, is het niet noodzakelijk om hier maatregelen 
uit te voeren in het kader van de PAS. Er is dus geen maatregelenkaart opgenomen.  
 
De staat va n instandhouding van het heidegebied ten noorden van De Holten is niet bekend. Door 
middel van een vegetatiekartering wordt hier onderzoek naar gedaan. In het heidegebied ligt een 
perceel met vochtige heide. De bedoeling is om de waterhuishoudkundige situa tie van het vochtige 
heideterrein te onderzoeken, waarbij de grootste aandacht zal uitgaan naar het 
afwateringssysteem. Indien op basis van het onderzoek blijkt dat dit nodig is, dan wordt de 
afwateringsloot gedempt. Dit zal leiden tot een verbetering van de hydrologische situatie van dit 
vochtige heideterrein.  
 
Deelgebied 8c, Geelbroek  
Vanaf jaren ’60 tot '80 van de 20e eeuw is het hele gebied sterk verdroogd geraakt door intensieve 
ontwatering. Dit heeft geleid tot een achteruitgang van de kwaliteit van d e natte hooilanden en 
moerasvegetaties. Door achterstallig slootonderhoud is de ontwatering minder geworden en is de 
situatie iets verbeterd. Recent is er voor het gebied een inrichtingsplan opgesteld om de 
hydrologische situatie in het gebied te verbetere n. Dit zal ten goede komen van de kwaliteit van de 
natte hooilanden en moerasvegetaties.  
 
In Geelbroek (8c) liggen geen aangewezen habitattypen, waarvan de KDW wordt overschreden. 
Voor dit gebied zijn daarom geen herstelmaatregelen opgesteld. Er is ook ge en maatregelenkaart 
opgenomen.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
170 
  
Figuur 21. PAS -maatregelen in deelgebied 8b.  
 
 
 
 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
171 
  
6.1.9  Deelgebied 9: het Anderense diep  
In het deelgebied Anderense diep zijn de oppervlakten van de aangewezen habitattypen zeer 
gering. Dit komt met name door het intensieve agrarische beheer dat nog tot voorkort plaatsvond, 
de intensieve ontwatering en het diepe beekpeil.  
 
Op dit moment komen hoofdzakelijk in en vlak bij het reservaat Hoornse bulten nog 
grondwaterafhankelijke habitattypen voor. Deze worden gevoed door basenarm grondwater. Vrij 
recent, tussen 1996 en 2003, zijn uit de overige delen van het deelgebied de 
grond waterafhankelijke aangewezen habitattypen verdwenen. De laatste jaren lijkt onder invloed 
van natuurbeheer herstel van aangewezen habitattypen op te treden, vooral in de noord -westhoek.  
 
Vroeger stond het deelgebied onder invloed van toestromend basenarm en matig kalkrijk 
grondwater. Ook werd vermoedelijk in natte perioden oppervlaktewater aangevoerd vanuit de 
slenken in de boswachterrijen. Voordat in de jaren '60 het gebied werd ontwaterd, leidde de 
toestroming van grond - en oppervlaktewater in combinatie  met regenwater daarom tot een variatie 
van verschillende vegetatietypen bestaande uit zuur - en basenminnende plantensoorten.  
 
In de huidige situatie is de voeding met oppervlaktewater uit de bovenstroomse slenken 
afgenomen. Dit wordt veroorzaakt door ver dieping van de drainagebasis in het Hunzedal (meer 
infiltratie). Daarnaast ligt de oorzaak in de aanleg van de boswachterijen (minder 
grondwateraanvulling) en de grondwaterwinning bij Gasselte (meer infiltratie in een deel van de 
slenken; Schipper & Streef kerk 1993). De effect van de grondwaterwinning is in 2003 door Royal -
Haskoning onderzocht. Zij concluderden dat het geen significant effect had op het Anderense diep 
maar er vind wel verlaging van het freatisch pakket plaats in de slenken in de boswachteri j die 
afwateren op het Anerense diep.  
 
Het inzijgingsgebied van het voedende grondwatersysteem ligt momenteel vooral aan de westzijde. 
Aanvulling van het grondwater vindt nauwelijks plaats door ontwatering en de in de omgeving 
liggende drainerende werking van de zandwinplassen. Vanuit het hoog gelegen infiltratiegebied aan 
de oostzijde stroomt momenteel weinig grondwater naar het Anderense diep. Oorzaken zijn de 
diepe ligging van het Hunzedal, de aanwezigheid van een groot oppervlak bos (weinig 
grondwateraa nvulling) en ontwatering in de slenken van de boswachterijen.  
 
Grootschalige maatregelen voor herstel van het gehele beekdal staan in het N2000 beheerplan. 
Echter, in dit deelgebied wordt alleen op een beperkt oppervlak de KDW overschreden. In het 
kader v an de PAS zijn grootschalige maatregelen voor het gehele beekdal daarom niet 
noodzakelijk.  
 
De maatregelen bestaan uit:  
 
 het uitvoeren van inrichtingsmaatregelen in de beek. Doel is het verhogen van het beekpeil.  
 aanpassen van de interne ontwatering.  
 
Daarnaast vindt hydrologisch systeemonderzoek plaats te zuiden van de Hoornse Bulten. Het 
resultaat kan leiden tot maatregelen voor herstel van de beekdalgradiënt om de daar aanwezige 
habitattypen te behouden.  
 
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
172 
  
 
Figuur 22. PAS -maatregelen in deelgebied 9.  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
173 
 6.1.10  Deelgebied 10: de Bovenlopen en oorspronggebieden  
Deelgebied 10a Anloërdiepje  
Dit systeem wordt, met uitzondering van het meest noordwestelijke deel, voornamelijk gevoed 
door lokale grondwaterstromingen. Echter, de ontwatering van zowel het beekdal als de 
aangrenzende plateaus heeft deze voeding sterk doen afnemen. Er bestaat een risico in dit smalle 
beekdal, dat de landbouw op de plateaus de kwaliteit van het grond - en oppervlaktewater in het 
dal negatief beïnvloedt. Alleen het  meest noordwestelijke deel wordt ook gevoed door een 
subregionaal systeem. Hier liggen kleine oppervlakten van habitattype H7140A (overgangs - en 
trilvenen).  
 
Herstel voor de gehele beekloop van het Anloërdiepje is onderdeel van het beheerplan. Als PAS 
maatregel is alleen het benedenstroomse systeemherstel opgenomen omdat hier habitattypen 
voorkomen waar overschrijding van de KDW zich voordoet. De strategie is om in het 
benenedenstroomse deel wél zo goed mogelijk het systeem te herstellen door aanpassing va n de 
beek en de interne ontwatering.  
Deelgebied 10b Gasterse Holt  
Waterstandsregime en basenhuishouding worden in sterke mate bepaald door de ondiepe ligging 
van keileem en potklei. Het daarboven gelegen freatische systeem is van belang voor de 
waterhuish ouding. Naast de aanwezigheid van deze slecht doorlatende afzettingen zorgt de 
aanwezigheid van een diepe leiding en detailontwatering in de stroet en ontwatering op de 
omliggende plateaus voor extra diep uitzakkende grondwaterstanden in de zomer. In de ja ren ’70 
is de ontwatering in dit deelgebied sterk toegenomen. Het benedenstroomse deel is recent vernat 
door maatregelen in het dal van het Gastersche diep en door lokaal afgraven van de bodem. Dit 
heeft geleid tot herstel van Dotterbloemhooiland en de ont wikkeling van habitattype H6410 
Blauwgraslanden.  
 
De strategie is hier eerst het effect van de vernatting, die gunstig is voor het blauwgrasland, af te 
wachten en geen maatregelen uit te voeren. Er is dus ook geen maatregelenkaart toegevoegd.  
Deelgebied 10 c Scheebroek en Eexterveld.  
De ondiepe tot dagzomende slecht -doorlatende lagen zorgen er voor dat in de niet ontwaterde 
terreindelen waterstanden in de winter dicht bij het maaiveld komt en in de zomer diep wegzakken. 
In de jaren '70 is het deelgebied ster k verdroogd door ontwatering binnen het deelgebied en in de 
omgeving.  
 
Maatregelen in het gebied zelf hebben de ontwatering in het gebied zelf sterk verminderd. Het gaat 
hier om het verondiepen en deels dempen van het Scheebroekerloopje en het verondiepen van de 
slenken in het Eexterveld. Plagwerkzaamheden hebben daarnaast veel invloed gehad op herstel 
van de vegetatie.  
 
De strategie voor het Eexterveld is gericht op het herstel van het systeem van lokale afstroming 
over het maaiveld. Dit is ten behoeve van  het habitattype Blauwgrasland (H6410) en de Heischrale 
graslanden (H6230).  
 
Voor herstel worden een aantal sloten gedempt en wordt de hydrologie in de omgeving van het 
natuurgebied te onderzocht.  
 
 
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
174 
  
Figuur 23a, PAS-maatregelen in deelgebied 10a.  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
175 
  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
176 
 Figuur 23b PAS -maatregelen in deelgebied 10c (vorige pagina)  
 
6.1.11  Deelgebied 11: De infiltratiegebieden  
Alle deelgebieden binnen deelgebied 11 zijn infiltratiegebieden voor de Drentsche Aa.  
 
11a Vijftig Bunder  
Een hier aanwezige tankgracht ontwatert het systeem (mondelinge mededeling 
Natuurmonumenten).  
 
De strategie is hier het lokale systeem hydrologisch te herstellen door de tankgracht te dempen of 
af te dammen ten behoeve de aanwezige Vochtige heide (H4010A). Verder g aat het hier om het 
kleinschalig plaggen van de Vochtige heide.  
 
Voor het Beukeneikenbos met hulst (H9120) zijn geen maatregelen opgenomen omdat dit type niet 
in het aanwijzingsbesluit is opgenomen.  
 
Voor de droge heide is de strategie om eerst te karteren  om een beeld te krijgen van de 
problematiek. Deze kartering geeft aan waar kleinschalig geplagd moet worden. Vervolgens wordt 
en is overigens al begonnen met kleinschalig plaggen. Hiermee is behoud geborgd.  
 
11b Natuurbad Schipborg  
De strategie in dit dee lgebied is de stuifzandheide kleinschalig te plaggen.  
 
Het in dit deelgebied aanwezige veen en een ander deel van het gebied zijn nog niet gekarteerd. 
De bedoeling is om deze gebieden eerst vegetatiekundig in kaart te brengen. Daarnaast wordt de 
onderleide r die het veentje ontwatert opgeheven. Deze maatregel komt ook ten goede van het 
aanliggende beekdal, omdat hiermee een deel van de ontwatering van het beekdal wordt 
verminderd.  
 
11c Vredeveld Bremheuvel  
De bedoeling is om het deel dat bestaat uit stuifzan dheide en natte heide kleinschalig te plaggen. 
De zuidelijk aanwezige heide wordt niet geplagd omdat hier grafheuvels liggen. Dit terrein wordt 
samen met de omgeving begraasd. Ook hier dient de vegetatie te worden gekarteerd.  
 
De bedoeling om de interne on twatering van het oostelijk deel van het gebied, dat deels in gebruik 
is als landbouwgebied, op te heffen. Dit zal de hydrologische situatie van het beekdal ten oosten 
hiervan verbeteren.  
 
11d De Strubben  
In de Strubben zijn onlangs maatregelen genomen. De  bedoeling is om middels onderzoek na te 
gaan wat de effecten zijn van deze maatregelen.  
 
11e Dijkveld  
Door te plaggen wordt hier het areaal schraalgrasland uitgebreid.  
 
11f Kampsheide  
De strategie is hier eerst onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor verjonging van het 
jeneverbesstruweel en vervolgens op basis hiervan maatregelen uit te voeren. Verwijderehn van 
strooisel is een goede optie. De vitaliteit van het struweel waarborgd behoud in de eerste 
planperiode.  
 
11g Gasterense Duinen  
De strategie is hier om de droge en stuifzandheide kleinschalig te plaggen, met uitzondering van 
het gebied met middeleeuwse karrensporen aan de noordoostzijde. Het mogelijk voorkomende 
habitatype H3160 (Zure vennen) dient nader te worden onderzocht.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
177 
  
Figuur  24 a PAS -maatregelen in deelgebied 11a  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
178 
  
Figuur 25b PAS -maatregelen voor deelgebied 11b  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
179 
  
Figuur 25c PAS -maatregelen voor deelgebied 11c  
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
180 
  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
181 
 Figuur 25d PAS -maatregelen voor deelgebied 11e (figuur vor ige pagina)  
 
 
 
Figuur 25e PAS -maatregelen voor deelgebied 11f  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
182 
  
 
Figuur 25f PAS -maatregelen voor deelgebied 11g  
 
 
 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
183 
 6.1.12   De Beek  
 
In hoofdstuk 3, (Algemene gebiedsanalyses) is vastgesteld dat de beek in zijn huidige situatie 
plaatselijk een drainerende invloed heeft op de omgeving en leidt tot lage re grondwaterstanden op 
de flanken van het beekdal. Er is ook geconstateerd dat er na demping van sloten en 
ontwateringsmiddelen in het beekdal zelf nu overal verspreid overgangs - en trilvenen voorkomen 
in de o mgeving van de beek. Het is een fraaie, vrij jonge ontwikkeling, waarbij moet worden 
afgewacht hoe deze trilvenen zich zullen ontwikkelen. Bij aanvoer van basenrijk kwelwater valt 
plaatselijk een ontwikkeling naar kalkmoeras te zien, maar ook geldt dat vee l van de ontstane 
trilvenen nog een vrij hoge trofiegraad kennen, waarbij de voedselrijkdom en ijzerhoudendheid van 
de beekdalgronden een belangrijke rol spelen. Eén van de factoren die een toekomstige 
kwaliteitsverbetering van dit habitattype in de weg ka n staan, zijn te diep uitzakkende 
grondwaterstanden in (droge) zomers. Dit geldt plaatselijk ook voor blauwgraslanden die onder 
invloed staan van de drainerende werking van de beek.  Ook de hydrologie van vochtige heiden en 
zure vennen worden negatief beïn vloed door de huidige situatie in de beek.  
 
Oorzaken van de ze hydrologische knelpunten zijn het lage beekpeil en het gegeven dat de beek op 
een flink aantal plekken te ruime dimensies heeft gekregen. De lage waterstanden én de ruime 
dimensies zorgen voor e en drainerende werking van de beek. De problematiek speelt in nagenoeg 
het gehele beekdal, maar het meest in het bovenstroomse deel van deelgebied 1 en de 
deelgebieden 2, 3, 4, 7a, 8a, 8c, 8b, 10a, 5, en 9.  
 
De bedoeling is om waar mogelijk in de deelgebi eden waar bovengenoemde habitattypen 
voorkomen het beekpeil te verhogen. Dit zal leiden tot verhoging van de grondwaterstanden op de 
flanken van het beekdal (Van Houten, 2001). Ook het realiseren van krappere dimensies zal leiden 
tot een afname van de drai nage. Waar mogelijk zal de beekbodem daarom worden verhoogd.  
 
Verhoging van het beekpeil door het aanbrengen van stuwen is in de Drentsche Aa, in het kader 
van het realiseren van de KRW doelen, ongewenst. Verhoging van het beekpeil kan deels worden 
gereal iseerd door het onderhoud aan de beek te extensiveren of geheel achterweg te laten. Op dit 
ogenblik is het waterschap Hunze en Aa’s bezig met een onderzoek in het Loonerdiepje, waarbij de 
effecten van deze methode worden onderzocht.  
 
Een ander onderzoek is  bezig in Gasterensche Diep. Hierbij worden bomen, stobben en open 
dammen van wilgenteen in de beek aangebracht om de waterstanden te verhogen (Project Beek op 
peil, Hofstra et al. 2014). Onderzocht wordt wat het effect daarvan is op de profielen van de be ek, 
de macrofauna en vegetatie en de grondwaterstanden in het beekdal. Eén van de conclusies tot nu 
toe is dat met deze methode het beekpeil met meer dan 40 cm kan worden verhoogd. Het project 
wordt voorjaar 2015 afgerond. De relatie met KRW -doelen is hier  ook van belang. Dit onderzoek 
moet uitwijzen of de KRW -waarden worden aangetast dan wel toenemen.  
 
In het kader van een vernattingsmaatregel is onlangs het Scheebroekerloopje zelfs gedeeltelijk 
gedempt.  
 
De omstandigheden in iedere beekarm en beektraject is anders. Vertaling van de resultaten van 
het Gasterensche Diep naar andere delen van de Drentsche Aa zijn daarom niet één op één 
mogelijk. Het is voor verhoging van het beekpeil en vernauwing van de profielen dus zinvol te 
onderzoeken hoe dit het best ka n worden gedaan, waarbij elk deelgebied maatwerk eist. Gedacht 
kan worden aan extensivering van onderhoud en aan inbreng van bomen en stobben, al dan niet 
gecombineerd met zandsuppletie. Voor kleine bovenstroomse trajecten kan gedacht worden aan 
het dempen  van de beek. Door uitvoering van dergelijke ingrepen worden het beekmilieu, de 
waterstanden en afvoerdynamiek aangepast. Met deze veranderde omstandigheden wordt een 
nieuwe dynamiek geintroduceerd waarvan de uitkomsten moeilijk of niet voorspelbaar zijn e n niet 
op voorhand valt aan te geven hoe beschermde en/of habitatrichtlijnsoorten hierop reageren 
(rivierprik, habitattype rivieren en beken met waterplanten, etc.). Er ontstaat een kettingreactie. 
Met name de toenemende inundatie van het beekdal bij water standverhogingen en het achterwege 
blijven van onderhoud van de beek, kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor het beekmilieu 
zelf, zoals dichtgroei, aanslibbing en verlanding en daarmee ook op habitats en soorten. Ook 
kunnen de nattere condities en inund aties met voedselrijk beekwater lijden tot aanzienlijke 
veranderingen van de vegetaties in het beekdal (verruiging en moerasvorming). De mogelijkheid 
hierop in te grijpen, verminderd door slechtere bereikbaarheid van het beekdal dan sterk. Voor 
trajecten, waar een genormaliseerde beek ligt, kan een geheel nieuwe beek aangelegd worden en </pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>    de oude gedempt.    Bij alle genoemde maatregelen moet rekening worden gehouden met andere functies. Waar  bovenstrooms landbouwgebieden liggen of waar in het dal zelf nog percelen liggen met een  landbouwfunctie moet met de drooglegging voor deze functie rekening gehouden worden. Soms  kan dat door verlichtende maatregelen. De eigendomsituatie stuurt dus sterk de mogelijkheden  voor maatregelen in de beek. Dit geldt ook voor de landschappelijke inpassing van dergelijke  maatregelen. Moerasvorming, verruiging en verbossing langs de beek kunnen het landschappelijk  beeld sterk beïnvloeden.    Hoewel voorlopig aangenomen wordt dat de KRW-doelen niet geschaad worden door  bovengenoemde maatregelen, moet bij de uitwerking van de methode daar wel rekening mee  gehouden worden. Een welafgewogen keuze ten aanzien van de toepassing van  beekbodemverhoging is dan ook crucial.    6.2 Herstelmaatregelen per habitattype    De vorige paragraaf bevat een beschrijving van de maatregelen per deelgebied, In deze paragraaf  is dit nader uitgewerkt per habitattype. De kaarten met maatregelen zijn in de vorige paragraaf  opgenomen. Bijlage 3 (los bijgeleverd) geeft een overzicht van alle maatregelen van het gehele  gebied.    De maatregelen die in deze gebiedsanalyse voor de habitats zijn opgenomen, hebben ook  betrekking op locaties waar het habitat zou kunnen voorkomen, maar waar de aanwezigheid niet  met zekerheid is vastgesteld op de habitatkaart. Dit betreft locaties met een zoekgebied voor dat  habitat. In de praktijk zullen maatregelen alleen worden uitgevoerd waar uit nader onderzoek blijkt  dat het betreffende habitat daadwerkelijk voorkomt.    Op sommige locaties hebben de berekeningen van de N-depositie met behulp van M16L  geleidt tot een gewijzigde gemodelleerde depositie en/of verwachte depositiedaling op  habitattypen of leefgebieden t.o.v. de berekeningen M1S. Dit heeft voor het Drentsche  Aa-gebied nergens geleid tot aanpassingen in de maatregelen en of het ecologisch  oordeel.    6.2.1 Herstelmaatregelen H2310 Stuifzandheiden met struikhei.    Voor de maatregelen voor Stuifzandheiden met struikhei is gebruik gemaakt van Herstelstrategie  H2310: Stuifzandheiden met struikhei; Beije, H.M., A. Aptroot, N.A.C. Smits & L.B. Sparrius.    Onderstaande maatregelen zijn toegepast.    Tabel 62 toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H3210    Randvoor-  Pot. waarden/ Herhaal- Res-  maatregel | type doel effec- succesfac- omlonroek baarheid pons  tiviteit toren tijd    Mozaiekstructuur  Extra plaggen versterken, successie  vertragen    Kleinschalig,  zomer; 1x 50 jr    Op standplaats | Beperkte duur    Extra H/U Mozaïekstructuur Schapen: in Niet Beperkte duur  begrazen versterken, successie compartimenten |__noodzakelijk  vertragen of met herder         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)    184</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
185 
  Pot. effectiviteit : klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte 
van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect  
 Randvoorwaarden / succesfactoren : de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren 
van de maatregel  
 Vooronderzoek : niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving), 
LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).  
 Herhaalbaarheid : eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen slote n); 
beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig 
(geen negatieve trade -off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen 
negatieve gevolgen).  
 Responstijd : dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1 
tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).  
 
Hieronder volgt een nadere specificering per deelgebied. De effecten van deze maatregelen zijn in 
de eerste beheerplanperiode:  
 
 Behoud van de oppervlakte  
 Lichte uitbreiding van de kwaliteit  
 
Deelgebied 2: Overgang beneden - naar middenloop bij Westlaren  
De stuifzandheide is reeds lange tijd verbost. In 1994 was het al een berkenbos met heide in de 
ondergroei. Het habitattype staat hier ten onrech te op de kaart. Maatregelen zijn niet vereist.  
 
Deelgebied 6: Het Ba llooërveld  
Plaggen zorgt voor dynamiek in het gebied. Er ontstaat hierdoor weer kaal zand waarop de 
stuifzandheide zich kan vestigen. Bovendien wordt door het plaggen stikstof afgevoerd, d ie in de 
toplaag is opgehoopt.  Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype te borgen wordt de 
stuifzandheide eens in de 50 jaar geplagd mede om de effecten van stikstofdepositie tegen te 
gaan. Dit komt neer op gemiddeld 0,12 ha per jaar, omdat een deel niet geplagd kan worden 
vanwege cultuurhistorische waarden. Het plaggen wordt uitgevoerd in een kleinschalig mozaïek. De 
plaglocaties worden bepaald in overleg met de terreinbeheerder. Natuurlijk komen ook niet 
kwalificerende vergraste heidepercelen i n aanmerking voor het plaggen. Dit verklaart waarom het 
areaal te plaggen heide op de maatregelenkaart een groter oppervlak beslaat dan alleen de 
habitattypen die het plaggen als herstelmaatregelen hebben.  
 
Het plaggen vindt niet plaats op de locaties met arceologische waarden. Deze hebben een beperkte 
oppervlakte. Daar wordt intensiever begraasd.  
 
Het plaggen van stuifzandheiden moet door de te hoge stikstofdepositie meer frequent 
plaatsvinden dan dat het noodzakelijk zou zijn voor het behoud van stuifzan dheide zonder 
overschrijding van de KDW. Gezien het feit dat plaggen ook een reguliere maatregel is om 
dynamiek in de stuifzandheide te brengen, schatten we in dat 60% van het plaggen PAS 
gerelateerd is en 40% regulier beheer. Door het uitvoeren van de maa tregel is het behoud in de 
eerste beheerplanperiode geborgd en kunnen de doelen gesteld voor H2310 in het Drentsche Aa 
gebied gehaald worden.  
 
Om de kwaliteit van dit habitattype en trend te kunnen weergeven vindt een vegetatiekartering in 
de eerste beheer planperiode plaats. Bovendien moet het habitattype halverwege de eerste PAS 
periode worden bezocht voor een quick scan, zodat mogelijke negatieve ontwikkelingen tijdig 
opgemerkt worden. Indien noodzakelijk kunnen vervolgens maatregelen worden genomen.  
Daarnaast vindt er op korte termijn een gericht monitoring naar de typische soorten plaats. Dit 
moet resulteren in een goed inzicht in de aanwezigheid van typische soorten aan het einde van de 
eerste beheerplanperiode.  
 
Deelgebied 11: De infiltratiegebieden  
Plaggen zorgt voor dynamiek in het gebied. Hierdoor ontstaat weer kaal zand, waarop 
stuifzandheide zich kan ontwikkelen. Bovendien wordt door het plaggen stikstof afgevoerd dat in de 
toplaag is opgehoopt.  Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype  te borgen wordt de 
stuifzandheide eens in de 50 jaar geplagd, mede om de effecten van stikstofdepositie te verlichten. 
Dit komt neer op gemiddeld 0,36 ha per jaar, omdat een deel niet geplagd kan worden vanwege </pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
186 
 cultuurhistorische waarden. Er wordt geplagd  in een kleinschalig mozaïek. De plaglocaties worden 
bepaald in overleg met de terreinbeheerder.  
 
Het plaggen van stuifzandheiden moet door de te hoge stikstofdepositie meer frequent 
plaatsvinden dan dat het noodzakelijk zou zijn voor het behoud van stuifz andheide zonder 
overschrijding van de KDW. Gezien het feit dat plaggen ook een reguliere maatregel is om 
dynamiek in de stuifzandheide te realiseren, schatten we in dat 60% van het te plaggen oppervlak 
PAS gerelateerd is en 40% van het oppervlak regulier b eheer. Door het uitvoeren van de maatregel 
is het behoud in de eerste beheerplanperiode geborgd en kunnen de doelen gesteld voor H2310 in 
het Drentsche Aa gebied gehaald worden.  
 
Door het plaggen wordt behoud geborgd en de kwaliteit verbeterd.  
 
Op locatie s met hoge cultuurhistorische waaden wordt extra begrazing toegepast om de kwaliteit 
van de stuifzandheide te behouden.  
 
Omdat trendinformatie ontbreekt, worden de locaties met het habitattype halverwege de eerste 
PAS periode bezocht voor een quick scan zo dat mogelijke negatieve ontwikkelingen tijdig 
opgemerkt worden. Indien noodzakelijk kunnen hierop aanvullende maatregelen worden genomen.  
 
Om de kwaliteit van dit habitattype en trend te kunnen weergeven vindt een vegetatiekartering in 
de eerste beheerplan periode plaats. Ook wordt er op korte termijn een gericht monitoringsplan 
opgesteld voor de typische soorten. Dit moet resulteren in een goed inzicht in de aanwezigheid van 
typische soorten aan het einde van de eerste beheerplanperiode.  
6.2.2  Herstelmaatregelen H2320 Binnenlandse kraaiheide begroeiingen  
Voor de maatregelen voor Binnenlandse kraaiheide begroeiingen is gebruik gemaakt van 
Herstelstrategie H2320: Binnenlandse kraaiheibegroeiingen; Beije, H.M., L.B. Sparrius & N.A.C. 
Smits  
 
Hieronder volgt een nadere  specificering.  
 
Deelgebied 6: Het Ballooërveld  
In de eerste beheerplanperiode vindt gerichte begrazing op de vergraste delen in en rond de locatie 
plaats. Hiermee  wordt de vergrassing teruggedrongen, krijgt de kraaiheide meer kans en wordt 
ook de oppervl akte uitgebreid. Bij de begrazing wordt de bestaande kraaiheide ontzien. Plaggen is 
hier niet aan de orde om te archeologisch waarde van karrensporen en grasheuvels.  
Daarna (eerste en volgende perioden) wordt, afhankelijk van de ontwikkeling zeer extensief met 
schapen begraasd te worden teneinde vergrassing en verbossing tegen te gaan en de diversiteit te 
vergroten. Met deze herstelmaatregel is behoud in de eerste beheerplanperiode geborgd. 
Verbetering van de kwaliteit van het habitattype kan in de  tweede beheerplanperiode aanvangen.  
 
Er wordt een vegetatiekartering in de eerste beheerplanperiode uitgevoerd. Ook wordt het 
voorkomen van typische soorten gericht gemonitord. Dit moet resulteren in een goed inzicht in de 
aanwezigheid van typische soorte n aan het einde van de eerste beheerplanperiode.  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>    6.2.3 Herstelmaatregelen H2330 Zandverstuivingen.   Voor de maatregelen voor Zandverstuivingen is gebruik gemaakt van Herstelstrategie H2330:  Zandverstuivingen Smits, N.A.C., A. Aptroot, M. Nijssen, M.J.P.M. Riksen, L.B. Sparrius & H.F. van  Dobben    Onderstaande maatregelen zijn toegepast.    Tabel 63 toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H2330    Randvoor-  Pot. waarden/ Herhaal- Res-  maatregel | type doel effec- succesfac- omlonroek baarheid pons  tiviteit toren    Mozaïekstructuur  Extra plaggen versterken, successie  vertragen    Kleinschalig,  zomer; 1x 50 jr    Extra H/U Mozaïekstructuur Drukbegrazen Niet  begrazen versterken, successie met schapen: in | noodzakelijk  vertragen compartimenten  of met herder         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   , _Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).    Hieronder volgt een nadere specificering per deelgebied. De effecten van deze maatregelen zijn in  de eerste beheerplanperiode:    e Behoud van de oppervlakte  e Lichte uitbreiding van de kwaliteit    Deelgebied 6: Het Ballooërveld    Plaggen zorgt voor dynamiek in het gebied. Er ontstaat hierdoor weer kaal zand in de  zandverstuivingen. Bovendien wordt door het plaggen stikstof afgevoerd, die in de toplaag is  opgehoopt. Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype te borgen worden de  Zandverstuivingen eens in de 50 jaar geplagd mede om de effecten van stikstofdepositie tegen te  gaan. Dit komt neer op gemiddeld 0,07 ha per jaar. Het plaggen wordt uitgevoerd in een  kleinschalig mozaïek. De plaglocaties worden bepaald in overleg met de terreinbeheerder.  Natuurlijk komen ook niet kwalificerende vergraste heidepercelen in aanmerking voor het plaggen.  Dit verklaart waarom het areaal te plaggen heide op de maatregelenkaart een groter oppervlak  beslaat dan alleen de habitattypen die het plaggen als herstelmaatregelen hebben. Het plaggen  vindt niet plaats op de locaties met archeologische waarden. Deze hebben een beperkte    187</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>    oppervlakte. Daar wordt intensiever begraasd.    Naast het plaggen worden de Zandverstuivingen bezocht door een gescheperde kudde schapen of  worden schapen tijdelijk ingerasterd. Dit moet met een hoge dichtheid aan schapen worden ingezet  waardoor naast begrazing ook vertrapping plaats kan vinden.    Om de kwaliteit van dit habitattype en trend te kunnen weergeven vindt een vegetatiekartering in  de eerste beheerplanperiode plaats. Bovendien moet het habitattype halverwege de eerste PAS  periode worden bezocht voor een quick scan, zodat mogelijke negatieve ontwikkelingen tijdig  opgemerkt worden. Indien noodzakelijk kunnen vervolgens maatregelen worden genomen.  Daarnaast vindt er op korte termijn een gericht monitoring naar de typische soorten plaats. Dit  moet resulteren in een goed inzicht in de aanwezigheid van typische soorten aan het einde van de  eerste beheerplanperiode.    6.2.4 Herstelmaatregelen H3160 Zure vennen    Voor de maatregelen voor Zure vennen is gebruik gemaakt van Herstelstrategie H3160: Zure  vennen Arts, G.H.P., E. Brouwer, M.A.P. Horsthuis & N.A.C. Smits    Onderstaande maatregelen zijn toegepast.    Tabel 64 toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H3160    Randvoor-  Pot. waarden/ _ Herhaal- Res-  maatregel | type doel effec- | succesfac- ondeen oek baarheid | pons  tiviteit toren tijd    Geleidelijk  opzetten van  de  waterstanden,  lokale grond  waterinvloed is  belangrijk  indien CO2  nodig is    Hoge en stabiele  waterstanden, herstel    Hydrologisch    herstel aanvoer van lokaal    grondwater (CO2)         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   e _Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gean nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).    Omdat er weinig gegevens omtrent de trend en de hydrologische toestand van het habitattype  voorhanden zijn, vindt in de eerste beheerplanperiode onderzoek plaats. Op basis van de uitkomst  van het onderzoek kunnen in de eerste en tweede beheerplanperiode maatregelen, aanvullend op  de hieronder genoemde maatregelen, worden genomen. Het zal hierbij met name gaan om  hydrologische maatregelen. De hydrologische toestand is op een relatief eenvoudige manier te  verbeteren. Op grond van reeds genomen maatregelen, de hieronder genoemde  herstelmaatregelen en het feit dat aanvullende hydrologische maatregelen eenvoudig kunnen  worden getroffen, is gedurende eerste beheerplanperiode behoud van de vennen geborgd. Door  aanvullende maatregelen in de tweede beheerplanperiode zal het habitattype in kwaliteit  verbeteren (zie ook hieronder onder het kopje toelichting).    188</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
189 
  
Hieronder volgt een nadere specificering per deel gebied.  
 
Deelgebied 6: Het Ballooërveld  
In de eerste beheerplanperiode wordt de lokale hydrologie en de vegetatie in beeld gebracht 
(LESA). Daarnaast wordt een monitoringsplan opgesteld om de typische soorten te inventariseren. 
Dit moet er voor zorgen dat we aan het einde van de eerste beheerplanperiode deze soorten 
kunnen meenemen in de evaluatie.  
 
In de eerste beheerplanperiode worden de volgende maatregelen uitgevoerd:  
 
1. verminderen ontwatering rond de Slokkert aan de zuidkant, tussen Koebroeksveld en de  
Noordesch van Rolde en in de Koelanden.  
2. het dempen van de greppel van het veentje nabij de Osdijk. Hiermee wordt in ieder geval de 
kwaliteit en omvang van de habitattypen hier geborgd.  
 
Behoud is daarmee geborgd. Op basis van de uitkomsten van het hydrolo gisch onderzoek in de 
eerste beheerplanperiode wordt bepaald of het nog nodig is om aanvullende maatregelen te 
nemen. De omvang en locaties van deze aanvullende maatregelen zijn afhankelijk van de 
uitkomsten van het hydrologische onderzoek.  
 
Deelgebied 7: De overgang naar middenloop  
In de eerste beheerplanperiode wordt de lokale hydrologie en vegetatie in beeld gebracht (LESA). 
Daarnaast wordt een monitoringsplan opgesteld om de typische soorten te inventariseren. Dit moet 
er voor zorgen dat we aan het eind e van de eerste beheerplanperiode deze soorten kunnen 
meenemen in de evaluatie.  
 
Verdroging is zeker in combinatie met de te hoge stikstofdepostitie de belangrijkste bedreiging 
voor H3160. Het projectplan Deurzerdiep/Anreeperdiep van Waterschap Hunze en Aa ’s, dat nu in 
uitvoering, is zorgt voor systeemherstel van de boven -lokale hydrologie. Dit verbetert de 
hydrologie van het ven. Daarnaast moeten in de eerste beheerplanperiode de uit het bovenstaande 
onderzoek (LESA) voortkomende noodzakelijke maatregelen worden uitgevoerd. Hiermee wordt 
behoud van de kwaliteit en omvang van het habitattype in de eerste beheerplanperiode geborgd.  
 
Deelgebied 10: de Bovenlopen en oorspronggebieden  
In de eerste beheerplanperiode wordt de lokale hydrologie en vegetatie in beeld gebracht (LESA).  
Het betreft hier een nog initiële fase van de ontwikkeling van H3160 binnen een pas ingericht 
gebied.  
Er zijn maatregelen getroffen om de hydrologie van Scheebroek te verbeteren. Deze kunnen ook 
ten goede aan dit kleine ven. Dit bor gt het behoud van het habitattype in de eerste 
beheerplanperiode. Daarom hoeven er in deze periode nog geen PAS -maatregelen te worden 
uitgevoerd.  
Invulling van de kennisleemtes moet duidelijk maken of in de perioden daarna aanvullende 
maatregelen nodig zij n. 
 
Deelgebied 11: De infiltratiegebieden  
In de eerste beheerplanperiode wordt de lokale hydrologie en vegetatie in beeld gebracht (LESA). 
Daarnaast wordt een monitoringsplan opgesteld om de typische soorten te inventariseren. Dit moet 
er voor zorgen dat w e aan het einde van de eerste beheerplanperiode deze soorten kunnen 
meenemen in de evaluatie.  
 
De uit het hydrologisch onderzoek voortkomende maatregelen worden in de eerste 
beheerplanperiode uitgevoerd. Dit borgt het behoud in de eerste beheerplanperiode.  De 
kwaliteitsverbetering vindt plaats in periode 2 of 3.  
 
Toelichting  
Voor de zure vennen in het Drentsche Aa -gebied bestaan kennisleemtes. Voor nagenoeg alle 
vennen blijkt dat recent of iets langer geleden maatregelen zijn uitgevoerd, die de hydrologie </pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>    verbeteren. Dit borgt het behoud van de vennen in de eerste periode.   Tegelijkertijd wordt in de eerste periode gewerkt aan het vullen van de kennisleemtes. Hieruit  zullen concrete maatregelen volgen om de kwaliteit van de vennen te verbeteren. De maatregelen  zullen met name bestaan uit herstel van de lokale hydrologie. Deze maatregelen zijn over het  algemeen direct uitvoerbaar omdat er geen externe werking van uit gaat. De maatregelen zijn het  dempen van slootjes of het afstoppen van greppels die het schijngrondwaterspiegelsysteem  draineren. De noodzakelijke maatregelen worden in de eerste beheerplanperiode uitgevoerd.  Verbetering van de kwaliteit van het habitattype zal zich voordoen in de tweede beheerplanperiode.    Het langjarige onderzoek in de Drentsche vennen van het Dwingelderveld en Drents Friese Wold  (van Dam et. al 2013) laat zien dat na het nemen van maatregelen de kwaliteit van de vennen na  verloop van tijd ook daadwerkelijk toeneemt. De onderzochte vennen kennen een vergelijkbare N-  depositie als de vennen in het Drentsche Aa-gebied. Dit leidt tot de conclusie dat als de lokale  hydrologie wordt hersteld, de kwaliteit van de vennen in de eerste beheerplanperiode zal  toenemen.    6.2.5 Herstelmaatregelen H4010A Vochtige heide    Voor de maatregelen voor vochtige heiden is gebruik gemaakt van Herstelstrategie H4010A:  Vochtige heiden (hogere zandgronden), Beije, H.M., A.J.M. Jansen, L. van Tweel-Groot, J. Smits &  N.A.C. Smits.    Onderstaande maatregelen zijn toegepast.    Tabel 65 Toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H4010A    Voor-  onderzoek    Liefst  begrazen H/U | Tegengaan vergrassing i kortdurende  drukbegrazing    Kleinschalig in  Tegengaan vermesting/ combinatie  plaggen verzuring door met  verdroging hydrologisch  herstel         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   e _Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gean nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (S tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).    Hieronder volgt per deelgebied een nadere specificering.  Deelgebied 2: Overgang beneden- naar middenloop bij Westlaren    Geen maatregelen; vochtige heiden komen hier niet meer voor. Het gaat om een areaal van 0,07  ha (<0,2% van het totaal areaal aan H4010A).    190</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
191 
  
Deelgebied 3: De middenloop Schipborgsche diep  
Aan het eind van de eerste beheerplanperiode wordt de vegetatie gekarteerd om de 
vegetatieontwikkeli ng te kunnen evalueren. In de eerste beheerplanperiode zijn er in het kader van 
de PAS geen maatregelen noodzakelijk, omdat hier kort geleden al is geplagd. Door deze reeds 
genomen maatregel is behoud in de eerste beheerplanperiode geborgd. In de tweede en  derde 
beheerplanperiode kan, afhankelijk van de vegetatieontwikkeling, begrazing worden ingezet om de 
ontwikkeling van het habitattype bij te sturen.  
 
Er vindt hier geen uitbreiding plaats. Het is ook niet een logsiche plek voor uitbreiding, gezien de 
lage ligging van de omgeving.  
 
Deelgebied 6: Het Ballooërveld  
Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype te borgen wordt de vochtige heide eens in de 
50 jaar geplagd. Hiermee worden de negatieve effecten van de hoge stikstofdepositie 
tegengegaan. Di t komt neer op gemiddeld 0,9 ha per jaar, omdat een deel niet geplagd kan 
worden vanwege cultuurhistorische waarden. Het plaggen wordt uitgevoerd in een kleinschalig 
mozaïek. De plaglocaties worden bepaald in overleg met de terreinbeheerder. Hierbij worden  ook 
niet kwalificerende vergraste heidepercelen geplagd. In de maatregelenkaart zijn deze gebieden als 
zodanig ook aangegeven. Door het plaggen van niet kwalificerende vegetaties wordt uitbreiding 
van areaal gerealiseerd.  
 
Om bij de hoge stikstofdepositie  de kwaliteit van het habitattype te behouden, is het noodzakelijk 
om een intensiever beheer te voeren dan het geval zou zijn geweest bij een lage stikstofdepositie. 
Ingeschat wordt dat 90% van het te plaggen oppervlak wordt uitgevoerd in het kader van de PAS, 
terwijl 10% van het oppervlak wordt geplagd in het kader van regulier beheer. Door het uitvoeren 
van de maatregel kunnen de instandhoudingsdoelen voor H4010A in het Drentsche Aa gebied 
worden gerealiseerd.  
 
Gezien de cultuurhistorische waarde van de t ankgracht is er voor gekozen om deze af te dammen 
en niet te dempen. Hiermee wordt de drainerende werking van de tankgracht tegengegaan. Deze 
maatregel zal in de eerste beheerplanperiode uitgewerkt en uitgevoerd worden.  
 
In de stroet bij Smalbroeken wordt  nu gewerkt aan systeemherstel.  
 
Bij Galgriet zijn in het verleden al veel hydrologische herstelmaatregelen uitgevoerd. Door aankoop 
van een begrensd perceel kunnen aanvullende maatregelen worden genomen. Dit zal bijdragen aan 
de uitbreiding en kwaliteits verbetering van de vochtige heide.  
 
In totaal gaat het dus om vernattingsmaatregelen, om plagwerkzaamheden en om begrazing. Het 
gaat om een geringe overschrijding van de KDW.  
 
Bovenstaande maatregelen borgen het behoud van H4010A in de eerste beheerplanperiode en 
leiden tot uitbreiding van areaal en kwaliteit.  
 
Omdat informatie over de trend van de kwaliteit en omvang van het habitattype ontbreekt, wordt 
in de eerste beheerplanperiode onderzoek gedaan en gemonitord. Er zal een vegetatiekartering 
worden gedaan en er wordt onderzoek naar de aanwezigheid van typisch e soorten uitgevoerd. Op 
deze manier kunnen (negatieve) ontwikkelingen van de kwaliteit van het habitattype tijdig worden 
gesignaleerd.  
 
Op basis van de resultaten van het aanvullende onderzoek kan naar voren komen dat aanvullende 
maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen worden dan genomen in de tweede en derde 
beheerplanperiode.  
 
Deelgebied 7: De overgang naar middenloop  
In de eerste beheerplanperiode wordt bij het zuidwestelijke veldje de hydrologie hersteld door een 
greppel en een slootje te dempen. Daa rnaast wordt in deze periode het plan Deurzerdiep -
Anreeperdiep (Waterschap Hunze en Aa’s) uitgevoerd. Hiermee neemt de verdroging af en is 
behoud geborgd. Verbetering van de kwaliteit vindt door de maatregelen plaats in periode 2 of 3.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
192 
  
In de eerste beheer planperiode wordt ook de lokale hydrologie en vegetatie in beeld gebracht 
(LESA). Daarnaast wordt een monitoringsplan opgesteld om de typische soorten te inventariseren.  
 
Extra maatregelen, die uit het het onderzoek volgen worden in de tweede of derde 
beheerplanperiode uitgevoerd.  
 
Deelgebied 8: De bovenlopen  
Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype te borgen wordt de vochtige heide eens in de 
50 jaar geplagd. Hiermee worden de negatieve effecten van de hoge stikstofdepositie 
tegengegaan. Dit ko mt neer op gemiddeld 0,002 ha per jaar, maar er mag ook 120 m2 in één keer 
geplagd worden. Het plaggen wordt uitgevoerd in een kleinschalig mozaïek. De plaglocaties worden 
bepaald in overleg met de terreinbeheerder.  
 
Om bij de huidige hoge stikstofdeposit ie de kwaliteit van het habitattype te behouden, is het 
noodzakelijk om een intensiever beheer te voeren dan het geval zou zijn geweest bij een lage 
stikstofdepositie.  
 
Ingeschat wordt dat 90% van het te plaggen oppervlak wordt uitgevoerd in het kader van  de PAS, 
terwijl 10% van het oppervlak wordt geplagd in het kader van regulier beheer. Door het uitvoeren 
van de maatregel kunnen de instandhoudingsdoelen voor H4010A in het Drentsche Aa gebied 
worden gerealiseerd.  
 
Bovenstaande maatregelen borgen het beho ud van het habitattype in de eerste beheerplanperiode. 
In de eerste beheerplanperiode wordt daarnaast de lokale hydrologie en vegetatie in beeld 
gebracht (LESA). Indien uit het onderzoek naar voren komt dat dit noodzakelijk is, dan worden er 
maatregelen ge nomen om de hydrologie te herstellen. Deze maatregelen kunnen in de tweede 
beheerplanperiode worden uitgevoerd. PAS-maatregelen die voorkomen uit het hydrologische 
onderzoek borgen het behoud op de langere termijn.  
 
Deelgebied 9: het Anderense diep  
Een bel angrijke maatregel hier is het tegengaan van de interne ontwatering. Hiermee worden de 
grondwaterstanden in de vochtige heide gestabiliseerd. Verdere maatregen om regionale 
hydrologie te herstellen worden besproken in paragraaf 6.1.9 . Deze maatregelen zijn noodzakelijk 
om het “hellingveentje” als geheel te behouden maar is ook gunstig voor het habitattype H4010A.  
 
Verder zijn er geen maatregelen noodzak elijk. Recent beheer heeft geleid tot herstel van de goede 
kwaliteit van de vochtige heide. Hiermee is het behoud in de eerste beheerplanperiode verzekerd. 
De hydrologische maatregelen borgen ook de instandhoudingsdoelen op lange termijn.  
Deelgebied 10: de  Bovenlopen en oorspronggebieden  
In dit deelgebied is de kwaliteit van het habitattype goed. Het oppervlak van het habitattype is de 
afgelopen jaren toegenomen ondanks een (geringe) overschrijding van de KDW. De in 2013 
uitgevoerde inrichtingsmaatregelen in het Scheebroekerloopje en Eexte rveld (verondiepen slenken) 
zullen leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het habitattype. Hiermee wordt behoud in de 
eerste beheerplanperiode geborgd. Verder herstel van het habitattype kan worden gerealiseerd 
door het hydrologisch systeem verder  te herstellen (verdroging). Hiervoor wordt in de eerste 
beheerplanperiode een LESA opgesteld (zie ook onderzoeksvoorstellen op gradiëntniveau).  
 
PAS-maatregelen die voortkomen uit de LESA zullen op de lange termijn leiden tot behoud van het 
habitattype e n het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.  
 
Deelgebied 11: De infiltratiegebieden  
Deelgebied 11a: infiltratiegebied (Vijftigbunder)  
Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype te borgen wordt de vochtige heide eens in de 
50 jaar geplagd. H iermee worden de negatieve effecten van de hoge stikstofdepositie 
tegengegaan. Dit komt neer op gemiddeld 0,1 ha plaggen per jaar. Gezien de geringe omvang kan 
ook worden besloten tot een meerjarige cyclus indien per beheerplanperiode op zijn minst 0,6 ha 
wordt geplagd. Het plaggen wordt uitgevoerd in een kleinschalig mozaïek. De plaglocaties worden 
bepaald in overleg met de terreinbeheerder.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
193 
  
Om bij de huidige hoge stikstofdepositie de kwaliteit van het habitattype te behouden, is het 
noodzakelijk om een i ntensiever beheer te voeren dan het geval zou zijn geweest bij een lage 
stikstofdepositie. Ingeschat wordt dat 90% van het te plaggen oppervlak wordt uitgevoerd in het 
kader van de PAS, terwijl 10% van het oppervlak wordt geplagd in het kader van regulier beheer. 
Door het uitvoeren van de maatregel kunnen de instandhoudingsdoelen voor H4010A in het 
Drentsche Aa gebied worden gerealiseerd.  
 
Om de hydrologie van het systeem te herstellen en de vochttoestand van de vochtige heide te 
verbeteren wordt de voormal ige tankgracht in het gebied afgedamd.  
 
Door deze maatregelen is behoud in de eerste beheerplanperiode geborgd en kan verbetering van 
kwaliteit in de tweede of derde periode plaatsvinden .  
 
Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordele n wordt in de eerste 
beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een 
monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en 
verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Deelgebied 11c: infiltratiegebied (Vredeveld -Bremheuvel)  
 
Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordelen wordt in de eerste 
beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een 
monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en 
verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype te borgen wordt de vochtige heide eens in de 
50 jaar geplagd. Hiermee worden de negatieve  effecten van de hoge stikstofdepositie 
tegengegaan. Hiertoe dient gemiddeld 0,02 ha per jaar worden geplagd. Gezien deze geringe 
omvang kan ook worden besloten tot een meerjarige cyclus, waarbij gedurende de eerste 
beheerplanperiode in totaal 0,12 ha word t geplagd. Het plaggen wordt uitgevoerd in een 
kleinschalig mozaïek. De plaglocaties worden bepaald in overleg met de terreinbeheerder.  
 
Om bij de huidige hoge stikstofdepositie de kwaliteit van het habitattype te behouden, is het 
noodzakelijk om een inten siever beheer te voeren dan het geval zou zijn geweest bij een lage 
stikstofdepositie. Ingeschat wordt dat 90% van het te plaggen oppervlak wordt uitgevoerd in het 
kader van de PAS, terwijl 10% van het oppervlak wordt geplagd in het kader van regulier behe er. 
Door het uitvoeren van de maatregel kunnen de instandhoudingsdoelen voor H4010A in het 
Drentsche Aa gebied worden gerealiseerd.  
 
Deelgebied 11f: infiltratiegebied (Kampsheide)  
Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordelen wordt in de eerste 
beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een 
monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en 
verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype te borgen wordt de vochtige heide eens in de 
50 jaar geplagd. Hiermee worden de negatieve effecten van de hoge stikstofdepositie 
tegengegaan. Hiertoe dient gemiddeld 0,07 ha per jaar worden geplagd. Gezien deze  geringe 
omvang kan ook worden besloten tot een meerjarige cyclus, waarbij gedurende de eerste 
beheerplanperiode in totaal 0,42 ha wordt geplagd. Het plaggen wordt uitgevoerd in een 
kleinschalig mozaïek. De plaglocaties worden bepaald in overleg met de ter reinbeheerder.  
 
Een beperkende factor voor het uitvoeren van plagwerkzaamheden, is de aanwezigheid van 
cultuurhistorische waarden. Op locaties waar door deze waarden plaggen niet mogelijk is, wordt 
maaien of drukbegrazing als herstelmaatregel toegepast.  
 
Om bij de huidige hoge stikstofdepositie de kwaliteit van het habitattype te behouden, is het 
noodzakelijk om een intensiever beheer te voeren dan het geval zou zijn geweest bij een lage 
stikstofdepositie. Ingeschat wordt dat 90% van het te plaggen oppervl ak wordt uitgevoerd in het 
kader van de PAS, terwijl 10% van het oppervlak wordt geplagd in het kader van regulier beheer. 
Door het uitvoeren van de maatregel kunnen de instandhoudingsdoelen voor H4010A in het </pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa gebied worden gerealiseerd.  6.2.6 Herstelmaatregelen H4030 Droge heiden    Voor de maatregelen voor droge heiden is gebruik gemaakt van Herstelstrategie H4030: Droge  heiden; Beije, H.M., R.W. de Waal & N.A.C. Smits    Onderstaande maatregelen zijn toegepast.    Tabel 66 Toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H4030    Randvoor-  Pot. waarden/ _ Herhaal- Res-  maatregel | type doel effec- | succesfac- onders oek baarheid | pons  tiviteit toren tijd    Structuur variatie en -  : - - Niet Zo lang als  begrazen dominantie van extensief 3 >  struikheide noodzakelijk nodig    Kleinschalig;  dunnen  humuslaag    plaggen Overmaat N afvoeren handhaven; Op standplaats | Beperkte duur  lokaal ook de  humuslaag  verwijderen    Kleinschalig; Even  H/U Overmaat N afvoeren niet in oude Op standplaats | Beperkte duur \  heide geduld         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   e Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).    Hieronder volgt een nadere specificering per deelgebied.    Deelgebied 2: Overgang beneden- naar middenloop bij Westlaren    De heide is hier al lange tijd verbost. In 1994 was het al een berkenbos met heide in de  ondergroei. Deze situatie wordt gehandhaafd, dus zijn er geen aanvullende maatregelen vereist.    Deelgebied 5: De oostelijke middenloop    In de eerste beheerplanperiode wordt de vergrassing tegengegaan door drukbegrazing. Het gaat  om 30 procent van het totale areaal droge heide (1 ha). Dit kan door middel van een gescheperde  kudde of een tijdelijk raster. Dit is een PAS-maatregel omdat de vergrassing is veroorzaakt door  het stikstofoverschot.    Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype te borgen wordt de droge heide eens in de 50  jaar geplagd. Hiermee worden de negatieve effecten van de hoge stikstofdepositie tegengegaan.  Hiertoe dient 0,06 ha heide per jaar te worden geplagd. Gezien deze geringe omvang kan ook  worden besloten tot een meerjarige cyclus, waarbij gedurende de eerste beheerplanperiode in  totaal 0,36 ha wordt geplagd. Het plaggen wordt uitgevoerd in een kleinschalig mozaïek. De    194</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 195 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
195 
 plaglocaties worden bepaald in overleg met de terreinbeheerder.  
 
Om bij de huidige hoge stikstofdepositie de kwaliteit van het habitattype te behouden, is het 
noodzakelijk om een intensiever beheer te voeren dan het geval zou zijn geweest bij een lage 
stikstofdepositie. Ingeschat wordt dat 90% van het te plaggen oppervlak wordt uitgevoerd in het 
kader van de PAS, terwijl 10% van het oppervlak wordt geplagd in het kader van regulier beheer. 
Door het uitvoeren van de maatregel kunnen de instandhoudingsdoelen voor H4030 in het 
Drentsche Aa gebied worde n gerealiseerd.  
 
Door bovenstaande maatregelen kunnen de doelen voor Droge heiden in dit deelgebied gehaald 
worden. Hierbij is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied. Het deel 
met de middeleeuwse karrensporen wordt hierbij allee n begraasd.  
 
Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordelen wordt in de eerste 
beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een 
monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijge n in de aanwezigheid en 
verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Deelgebied 6: Het Ballooërveld  
Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype te borgen wordt de droge heide eens in de 50 
jaar geplagd. Hiermee worden de negatieve effecten van  de hoge stikstofdepositie tegengegaan. 
Hiertoe dient 1,5 ha heide per jaar worden geplagd. Een deel van de heide wordt niet geplagd 
omdat hier cultuurhistorische waarden liggen. Het plaggen wordt uitgevoerd in een kleinschalig 
mozaïek. De plaglocaties wor den bepaald in overleg met de terreinbeheerder. Hierbij worden ook 
niet kwalificerende vergraste heidepercelen geplagd. In de maatregelenkaart zijn deze gebieden als 
zodanig ook aangegeven. Door het plaggen van niet kwalificerende vegetaties wordt het beho ud 
van het totale oppervlak droge heide gewaarborgd.  
 
Om bij de huidige hoge stikstofdepositie de kwaliteit van het habitattype te behouden, is het 
huidige beheer intensiever dan het geval zou zijn bij een lage stikstofdepositie. Ingeschat wordt 
dat 90% va n het te plaggen oppervlak wordt uitgevoerd in het kader van de PAS, terwijl 10% van 
het oppervlak wordt geplagd in het kader van regulier beheer. Door het uitvoeren van de 
maatregel kunnen de instandhoudingsdoelen voor H4030 in het Drentsche Aa gebied wor den 
gerealiseerd.  
 
Daarnaast zal een deel van het gebied gedurende een langere periode worden begraasd. Deze 
maatregel wordt vooraf onderzocht op nadelige effecten.  
 
In het areaal met hoge cultuurhistorische waarden, o.a. karrensporen, worden geen 
plagwerk zaamheden uitgevoerd. Hier zal voor het behoud van de huidige kwaliteit drukbegrazing 
worden ingezet. De uitvoering van deze maatregel gaat in overleg met de beheerder, zodat de 
meest kwetsbare plekken buiten de begrazing kunnen worden gehouden.  
Door een gerichte iets intensievere begrazing, gecombineerd met een niet al te hoge overschrijding 
van de KDW, blijft ook de in de archeologisch waardevolle gebieden in de eerste periode behoud 
geborgd.  
 
Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoor delen wordt in de eerste 
beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een 
monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en 
verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Deelgebied 8: De bovenlopen  
De recent uitgevoerde herstelmaatregelen, waarbij grote delen van de heide zijn geplagd, borgen 
in ieder geval de kwaliteit in de eerste beheerplanperiode.  
 
Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordelen wor dt in de eerste 
beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een 
monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en 
verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Indien ui t het hierboven genoemde onderzoek naar voren komt dat dit noodzakelijk is, dan worden </pre>

====================================================================== Einde pagina 195 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 196 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
196 
 er in de tweede beheerplanperiode aanvullende maatregelen genomen. Hiermee wordt ook in de 
tweede en derde beheerplanperiode het instandhoudingsdoel gerealiseerd.  
 
Deelgebied 9: het Anderense diep  
De kwaliteit van de smalle strook droge heide in het gebied kan als goed worden beoordeeld (§ 
5.5.6). De overschrijding van de KDW is laag. In de eerste beheerplanperiode zijn er daarom geen 
maatregen nodig. De reeds ingezette weg van systeemherstel en gradiëntontwikkeling in het 
gebied Diepenveen tot Rebroek zullen de positie van de droge heide hier versterken.  
 
Om de trend van het habitattype te kunnen beoordelen wordt in de eerste beheerplanperiode een 
vegetatiekartering uitg evoerd. Ook wordt er op korte termijn een monitoringsplan opgesteld en 
uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en verspreiding van typische soorten 
in het gebied.  
 
Conclusie is dat behoud in de eerste periode is geborgd en vergroting van oppervlakte en kwaliteit 
in de periode 2 en 3 zullen toenemen.  
 
Deelgebied 10: de Bovenlopen en oorspronggebieden  
 
Om de continuïteit en kwaliteit van het habitattype te borgen wordt de droge heide eens in de 50 
jaar geplagd. Hiermee worden de negatiev e effecten van de hoge stikstofdepositie tegengegaan. 
Hiertoe dient 0,15 ha per jaar te worden geplagd. De plagwerkzaamheden worden uitgevoerd in 
een kleinschalig mozaïek. De plaglocaties worden bepaald in overleg met de terreinbeheerder. 
Omdat het terrein  pas kort geleden is ingericht, wordt in de tweede beheerplanperiode gestart met 
de plagcyclus.  
 
Om bij de huidige hoge stikstofdepositie de kwaliteit van het habitattype (ook na de eerste 
beheerplanperiode) te behouden, is het noodzakelijk om een intensie ver beheer te voeren dan het 
geval zou zijn geweest bij een lage stikstofdepositie. Ingeschat wordt dat 90% van het te plaggen 
oppervlak wordt uitgevoerd in het kader van de PAS, terwijl 10% van het oppervlak wordt geplagd 
in het kader van regulier beheer.  Door het uitvoeren van de maatregel kunnen de 
instandhoudingsdoelen voor H4030 in het Drentsche Aa gebied worden gerealiseerd.  
 
In de eerste beheerplanperiode wordt drukbegrazing als PAS -maatregel ingezet om de vergrassing 
tegen te gaan. Het gaat om een oppervlak van 0,1 ha per jaar. Door de recente inrichting van het 
gebied, gecombineerd met drukbegrazing, is behoud van het habita ttype in de eerste 
beheerplanperiode geborgd. Door vanaf de tweede beheerplanperiode te plaggen is behoud ook na 
de eerste beheerplanperiode geborgd.  
Deelgebied 11: De infiltratiegebieden  
Deelgebied 11a: infiltratiegebied (Vijftigbunder)  
Op dit ogenblik is het reguliere beheer voldoende om de kwaliteit te waarborgen. Dit betekent dat 
er geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Het reguliere beheer bestaat hier uit begrazen. Recent 
uitgevoerde inrichtingsmaatregelen borgen het behoud in de eerste beheerplanperiode. Evaluatie 
van de monitoring kan eventueel leiden tot aanpassing van het reguliere beheer.  
 
Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordelen wordt in de eerste 
beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een 
monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en 
verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Deelgebied 11b: infiltratiegebied (Natuurbad -Schipborg)  
 
Op dit ogenblik is he t reguliere beheer voldoende om de kwaliteit te waarborgen. Dit betekent dat 
er geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Het reguliere beheer bestaat hier uit begrazen. 
Evaluatie van de monitoring kan eventueel leiden tot aanpassing van het reguliere behee r. 
 
Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordelen wordt in de eerste 
beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een 
monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de a anwezigheid en </pre>

====================================================================== Einde pagina 196 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 197 ======================================================================

<pre>    verspreiding van typische soorten in het gebied.    Deelgebied 11c: infiltratiegebied (Vredeveld-Bremheuvel)    In de eerste beheerplanperiode wordt drukbegrazing als PAS-maatregel ingezet om de vergrassing  van het habitattype te voorkomen.    Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordelen wordt in de eerste  beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een  monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en  verspreiding van typische soorten in het gebied.    Indien uit het bovengenoemde onderzoek naar voren komt dat dit noodzakelijk is, dan worden er in  de tweede en derde beheerplanperiode nog aanvullende maatregelen genomen.    Deelgebied 11d: infiltratiegebied (De Strubben)    Dit deelgebied is recentelijk ingericht. In de eerste beheerplanperiode is het daarom niet  noodzakelijk om maatregelen te nemen. De reeds genomen maatregelen zijn voldoende om de  huidige kwaliteit te waarborgen.    Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordelen wordt in de eerste  beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een  monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en  verspreiding van typische soorten in het gebied.    Deelgebied 119: infiltratiegebied (Gasterse duinen)    Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordelen wordt in de eerste  beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een  monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en  verspreiding van typische soorten in het gebied.    De vegetatie van H4030 in de Gastersche duinen is weliswaar deels vergrast, maar laat wel een  positieve ontwikkeling zien (mededeling Het Drentse Landschap). Daarom worden daar waar die  ontwikkeling goed is in de eerste beheerplanperiode geen PAS-maatregelen genomen.   De nooroostelijke hoek laat die ontwikkeling niet zien en is sterk vergrast. Hier wordt een  onderzoek uitgevoerd naar hoe het beheer kan worden vormgegeven, zodat zowel de Natura 2000  waarden als de cultuurhistorische waarden kunnen worden behouden.    Indien uit het bovengenoemde onderzoeken naar voren komt dat maatregelen noodzakelijk zijn,  dan worden er in de tweede en derde beheerplanperiode nog aanvullende maatregelen genomen.  6.2.7 Herstelmaatregelen H5130 Jeneverbesstruweel   Voor de maatregelen voor Jeneverbesstruwelen is gebruik gemaakt van Herstelstrategie H5130:  Jeneverbesstruwelen; Smits, N.A.C., A. Aptroot, P.W.F.M. Hommel, H.P.J. Huiskes & H.F. van  Dobben    Onderstaande maatregelen zijn toegepast.    Tabel 67 Toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H5130    Herhaal-  Res-pons    Strooisel- Maken geschikt Mits abiotisch | Op standplaats | Beperkte duur Direct  verwijdering substraat op orde en (abiotisch)  zaad aanwezig Even  geduld         197</pre>

====================================================================== Einde pagina 197 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 198 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
198 
 Verklaring kolommen:  
 Maatregel : soort maatregel  
 Type : H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel  
 Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)  
 Pot. effectiviteit : klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte 
van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect  
 Randvoorwaarden / succesfactoren : de belangrijkste randvoorwaard en en succesfactoren 
van de maatregel  
 Vooronderzoek : niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving), 
LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).  
 Herhaalbaarheid : eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoe gd, bijv. dempen sloten); 
beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig 
(geen negatieve trade -off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen 
negatieve gevolgen).  
 Responstijd : dit betr eft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1 
tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).  
 
 
Hieronder volgt per deelgebied een nadere specificering.  
 
Deelgebied 11: De infiltratiegebieden  
 
Om de kwaliteit van het habitattype en trends te kunnen beoordelen wordt in de eerste 
beheerplanperiode een vegetatiekartering uitgevoerd. Ook wordt er op korte termijn een 
monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid en 
verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Het jeneverbesstruweel is nog vitaal en zal in de eerste zes jaar niet veranderen.  
Behoud in de eerste periode is daarmee geborgd.  
Plaggen is daarbij niet aan de orde om archeologische waarden. Het verwijderen van str ooisel 
wordt in afwachting van de uitkomsten van onderzoek in de eerste beheerplanperiode al 
uitgevoerd. Door het verwijderen van de strooisellaag wordt kieming bevorderd en verjonging tot 
stand gebracht.  Daarnaast wordt in de eerste beheerplanperiode ond erzocht hoe verdere 
verjonging is te realiseren. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek wordt bekeken of er 
aanvullende maatregelen plaatsvinden in beheerplanperiode 2 en 3.  
 
Daarnaast wordt in de Zeegser duinen ingezet op uitbreiding van de daar aan wezige 
jeneverbesstruwelen ondermeer door het verwijderen van bomen en struiken rond daar aanwezige 
struiken.  
Hier wordt onderzocht hoe verjonging bespoedigd kan worden, de struiken tot struwelen uitgebreid 
kunnen worden en de kwaliteit van het struweel v erder verbeterd kan worden. Uitvoering van dat 
plan vindt in de 2de er 3de periode plaats.  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 198 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 199 ======================================================================

<pre>    6.2.8 Herstelmaatregelen H6230 Heischrale graslanden    Voor de maatregelen voor Heischrale graslanden is gebruik gemaakt van Herstelstrategie H6230:  Heischrale graslanden; Smits, N.A.C., R. Bobbink, A.J.M. Jansen & H.F. van Dobben    Onderstaande maatregelen zijn toegepast.    Tabel 68 Toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H6230    Voor-  onderzoek    grondwater;  Herstel hydrologie niet te nat; Eenmalig  gebufferd  grondwater    Hydrologische    maatregelen    Voorstudie  plaggen Afvoer nutriënten behoud  bronpopulaties         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   e Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).    Hieronder volgt een nadere specificering per deelgebied.    Deelgebied 2: Overgang beneden- naar middenloop bij Westlaren    De lokale hydrologie lijkt verstoord door de zandwinplassen bij Zwijnmaden. Op dit ogenblik is niet  duidelijk hoe groot dit knelpunt is. Daarom wordt in de eerste beheerplanperiode hier onderzoek  naar gedaan. Op basis van de bevindingen uit dit onderzoek worden herstelmaatregelen opgesteld  voor de tweede en derde beheerplanperiode. In de tussentijd wordt de buffercapaciteit van de  bodem op peil gehouden door bekalking (1,5 hectare). Dit borgt het behoud van het habitattype in  de eerste beheerplanperiode.    Deelgebied 3: De middenloop Schipborgsche diep    Op korte termijn wordt er een monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te  krijgen in de aanwezigheid en verspreiding van typische soorten in het gebied. Op basis van de  bevindingen kan het reguliere beheer worden aangepast.    In het kader van de PAS wordt de aanwezige bermsloot in het deelgebied gedempt (200 meter).  Dit bevordert de toestroom van lokaal grondwater en neemt ook de aanrijking van gebufferd  grondwater in de wortelzone toe. Verzuring van de bodem als gevolg van een te hoge  stikstofdepositie wordt hiermee voorkomen. In de tussentijd moet de buffercapaciteit van de    199</pre>

====================================================================== Einde pagina 199 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 200 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
200 
 bodem op peil worden gehouden door bekalk ing (ongeveer 1,5 hectare), dit borgt het behoud in de 
eerste beheerplanperiode.  
 
In de eerste beheerplanperiode wordt ook onderzoek gedaan naar de hydrologische situatie in het 
deelgebied. Hydrologische knelpunten kunnen op basis van de uitkomsten van dit  onderzoek verder 
worden aangepakt. Hiermee kan de kwaliteit van het habitattype worden verbeterd in de 
tweede/derde beheerplanperiode.  
Deelgebied 4: De westelijke middenloop  
Op korte termijn wordt er een monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een bete r inzicht te 
krijgen in de aanwezigheid en verspreiding van typische soorten in het gebied. Op basis van de 
bevindingen kan het reguliere beheer worden aangepast.  
 
Het herinrichten van de landbouwpercelen ten zuidoosten van het deelgebied, bij het 
Smalbroe kerloopje, zorgt voor een toename van toestroming van lokaal grondwater. Dit bevordert 
de buffering van het heischrale grasland en zorgt voor behoud van het habitattype in de eerste 
beheerplanperiode en zal uiteindelijk bijdragen aan kwaliteitsverbetering en oppervlakte -
uitbreiding.  
 
Verder wordt de ontwatering van de bermsloten bij de heischrale graslanden bij de Hooge maden 
aangepast. Deze sloten vangen op dit ogenblik veel kwelwater weg.  
 
In de eerste beheerplanperiode wordt ook onderzoek gedaan naar de  hydrologische situatie in het 
deelgebied. Hydrologische knelpunten kunnen op basis van de uitkomsten van dit onderzoek 
worden aangepakt. Hiermee kan de kwaliteit van het habitattype worden verbeterd in de 
tweede/derde beheerplanperiode.  
Deelgebied 10: de Bovenlopen en oorspronggebieden  
In eerste instantie zal op basis van LESA een gericht onderzoek worden uitgevoerd naar de 
hydrologie. Vragen die hierbij een rol spelen zijn o.a. welke factoren de toestroom van gebufferd 
grondwater in het Eexterveld bepalen  en hoe deze dienen te worden aangepast voor duurzaam 
behoud van het heischrale grasland alhier. Een andere belangrijke vraag is in hoeverre de 
ontwatering van de landbouwpercelen leidt tot een afname van de toestroom van grondwater naar 
het deelgebied. Oo k moet worden nagegaan wat de effecten zijn van de waterwinning bij Brevenen 
op de kwelintensiteit. Dit onderzoek moet uiteindelijk resulteren in maatregelen die de toevoer van 
gebufferd grondwater tot in het maaiveld verbeteren. De recent aangepaste slenk en zorgen nu al 
voor een verbetering in de waterhuishouding en borgen het behoud van het habitattype in de 
eerste beheerplanperiode. De maatregelen voortkomend uit het onderzoek moeten zorgen voor 
realisatie van de uitbreidingsdoelen in de perioden 2 en 3.  
 
Deelgebied 11: De infiltratiegebieden  
Deelgebied 11c: Vredeveld -Bremheuvel  
 
De kwaliteit van het habitattype is recentelijk verbeterd als gevolg van plagwerkzaamheden. 
Behoud van oppervlakte en kwaliteit is daarmee gewaarborgd, zodat er in de eerste 
beheerplanperiode geen aanvullende PAS -maatregelen nodig zijn.  
 
In de eerste beheerplanperiode wordt onderzoek gedaan naar de hydrologische situatie in het 
deelgebied. Indien uit onderzoek blijkt dat dit nodig is, dan worden er aanvullende maatregelen 
genomen om de hydrologische situatie te verbeteren.  
 
Deelgebied 11e: infiltratiegebied (Dijkveld)  
Op een aantal reeds geplagde percelen is de onduidelijk of dit zal leiden tot een ontwikkeling naar 
heischraal grasland, omdat het nog jonge successiestadia betreft. Om meer zekerheid te hebben 
dat de omvang van de heischrale graslanden in de Drentsche Aa behouden blijft wordt aanvullend 
geplagd.  Hiertoe wordt bij 2 hectare grasland de voedselrijke toplaag verwijderd. Hier wordt 
ingezet op ontwikkeling naar heischraal grasland. Deze uitbreiding is nodig om het areaal 
heischraal grasland ook in de toekomst te behouden.  
 
In de eerste beheerplanperiode wordt ook onderzoek gedaan naar de hydrologische situatie in het 
deelgebied. Hydrologische knelpunten kunnen op basis van  de uitkomsten van dit onderzoek 
worden aangepakt. Hiermee kan de kwaliteit van het habitattype worden verbeterd in de </pre>

====================================================================== Einde pagina 200 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 201 ======================================================================

<pre>    tweede/derde beheerplanperiode.  6.2.9 Herstelmaatregelen H6410 Blauwgraslanden    Voor de maatregelen voor Blauwgraslanden is gebruik gemaakt van Herstelstrategie H6410:  Blauwgraslanden; Beije, H.M., A.J.M. Jansen, Q.L. Slings & N.A.C. Smits.    Onderstaande maatregelen zijn toegepast.    Tabel 69 Toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H6410    Schoon  Hydrologische grondwater;  maatregelen H/U Aanvoer basen groot gebufferd  grondwater    Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   e _Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).         Hieronder volgt een nadere specificering per deelgebied.    Deelgebied 3: De middenloop Schipborgsche diep    In dit deelgebied worden de volgende maatregelen genomen:    1. Dempen van de bermsloot bij het zuidelijk gelegen blauwgrasland areaal. Dit zal leiden tot een  verbetering van de toestroom van lokaal grondwater. Deze maatregel wordt uitgevoerd in de  eerste beheerplanperiode.    2. Verder is het voor de blauwgraslanden langs het Schipborgsche Diep van belang dat het  regenwater in het infiltratiegebied zo goed mogelijk wordt vastgehouden. Dit kan worden  bewerkstelligd worden door het staken van de interne ontwatering.    3. Verhoging van het beekpeil. Voor deze maatregel wordt verwezen naar paragraaf 5.1.3 en  5.1.11.    Deelgebied 5: De oostelijke middenloop    Hier nog recent geplagd en is een pionierstadium van blauwgrasland tot ontwikkeling gekomen. In  de eerste beheerplanperiode zijn hier daarom geen verdere maatregelen nodig. De huidige situatie  is geborgd. De situatie wordt in de eerste periode gevolgd en de hydrologie in beeld gebracht.  Afhankelijk daarvan worden extra maatregelen genomen. Verhoging van de waterstand van de  beek kan in periode 2 en 3 leiden tot realisatie van de uitbreidingsdoelen (kwaliteit en  oppervlakte).    201</pre>

====================================================================== Einde pagina 201 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 202 ======================================================================

<pre>    Deelgebied 7: De overgang naar middenloop    Hier wordt het beekpeil verhoogd. Ook wordt de bodem van de beek verhoogd. Daarmee wordt de  regionale hydrologie voor dit habitattype hersteld. Zie voor verdere uitwerking van deze maatregel  paragraaf 5.1.3.    In de eerste beheerplanperiode wordt behoud van het habitattype geborgd door het toepassen van  bekalking; deze maatregel bestrijdt de verzuring die wordt veroorzaakt door de te hoge  stikstofdepositie. Een verhoging van de zuurgraad is ook gunstig om de vergrassing door  pijpenstrootje terug te dringen.    Deelgebied 9: het Anderense diep    In de eerste beheerplanperiode wordt onderzoek gedaan naar de hydrologische situatie in het  deelgebied. Indien uit onderzoek blijkt dat dit nodig is, dan worden er aanvullende maatregelen  genomen om de hydrologische situatie en daarmee de kwaliteit van het habitattype te verbeteren.    In de eerste beheerplanperiode wordt het habitattype bekalkt; deze maatregel bestrijdt de  verzuring die wordt veroorzaakt door de te hoge stikstofdepositie. Een verhoging van de zuurgraad  is ook gunstig om de vergrassing door pijpenstrootje terug te dringen. Deze soort gedijt namelijk  het beste bij een lage pH.    Deelgebied 10: de Bovenlopen en oorspronggebieden    In het Gasterse holt wordt de ontwikkeling van het blauwgrasland gemonitord. Op dit ogenblik lijkt  de trend positief, door de aanwezigheid van Parnassia. Het betreft een premature ontwikkeling op  een plagplek waardoor de positieve trend moeilijk te extrapoleren is naar de toekomst. Bij  negatieve ontwikkelingen zijn er nog aanpassingen in de hydrologie mogelijk.    In het Eexterveld zijn in 2013 inrichtingsmaatregelen in het Scheebroekerloopje en Eexterveld  (verondiepen slenken) uitgevoerd. Deze leiden tot een verbeterde toevoer van grondwater naar het  habitattype. Hierdoor zal de achteruitgang van de kwaliteit van het habitattype worden gestopt.  Voor een duurzaam behoud en realiseren van de Natura 2000 doelen zal op termijn de toevoer van  gebufferd grondwater tot in het maaiveld worden verbeterd. In de eerste beheerplanperiode wordt  een LESA uitgevoerd gericht op de hydrologie. In de LESA moet worden onderzocht welke factoren  de toestroom van gebufferd grondwater in het Eexterveld bepalen. Ook is het nodig om inzicht te  hebben in de invloed van de ontwatering van de omliggende landbouwpercelen en worden de  effecten zijn van de waterwinning bij Brevenen op de kwelintensiteit. Op basis van dit onderzoek  wordt de wijze waarop de toevoer van grondwater wordt verbeterd gepreciseerd. De recent  aangepaste slenken en de inrichting van het Scheebroekerloopje zorgen nu al voor een lichte  verbetering in de waterhuishouding en borgen het behoud van het habitattype in de eerste  beheerplanperiode.    6.2.10Herstelmaatregelen H7110B Actieve hoogvenen  Voor de maatregelen voor Actieve hoogvenen (heideveentjes) is gebruik gemaakt van    Herstelstrategie H7110B: Actieve hoogvenen (heideveentjes); Jansen, A.J.M., G.A. van Duinen,  H.B.M. Tomassen & N.A.C. Smits    Tabel 70 Toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H7110B         onderzoek  Dempen,  stuwen, . a -  verleggen H/U Vee Ee groot hoogveen ier Op standplaats Eenmalig Direct    van  watergangen         Verklaring kolommen:  e Maatregel: soort maatregel    202</pre>

====================================================================== Einde pagina 202 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 203 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
203 
  Type : H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel  
 Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel  en/of uitbreiding)  
 Pot. effectiviteit : klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte 
van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect  
 Randvoorwaarden / succesfactoren : de belangrijkste randvoorwaarden en succesfac toren 
van de maatregel  
 Vooronderzoek : niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving), 
LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).  
 Herhaalbaarheid : eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten); 
beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig 
(geen negatieve trade -off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen 
negatieve gevolgen).  
 Responstijd : dit betreft het ef fect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1 
tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).  
 
Hieronder volgt een nadere specificering per deelgebied.  
 
Deelgebied 5: De oostelijke middenloop  
In de eerste beheerplanperiode word t de lokale hydrologie en vegetatie in beeld gebracht (LESA).  
Ook wordt er op korte termijn een monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te 
krijgen in de aanwezigheid en verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Verdroging is, i n combinatie met de te hoge stikstofdepositie, de belangrijkste bedreiging voor 
H7110B. In de eerste beheerplanperiode wordt ter voorkoming van een verslechtering de geringe 
aanwezigheid van boomopslag verwijderd. Dit borgt het behoud van het habitattype i n de eerste 
beheerplanperiode. Op basis van de uitkomsten van het hydrologische onderzoek worden 
aanvullende maatregelen genomen ter verbetering van de kwaliteit van het habitattype.  
 
Deelgebied 6: Het Ballooërveld  
In de eerste beheerplanperiode wordt de h ydrologie en vegetatie in beeld gebracht (LESA).  Ook 
wordt er op korte termijn een monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te 
krijgen in de aanwezigheid en verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Verdroging is, in combinatie met de te hoge stikstofdepositie, de belangrijkste bedreiging voor 
H7110B. In de eerste beheerplanperiode wordt het veentje vrijgehouden van bosopslag. Dit 
waarborgt het behoud van het habitattype in de eerste beheerplanperiode. Voor de langere termijn 
is het goed mogelijk dat de reeds uitgevoerde vernatting en de nog uit te voeren vernatting in de 
beekdalen aan de oost - en westzijde samen zorgen voor een betere hydrologische situatie en 
daarmee kwaliteitsverbetering van het veentje op het balloërveld.  
 
Deelgebied 11: De infiltratiegebieden  
In de eerste beheerplanperiode wordt de lokale hydrologie en vegetatie in beeld gebracht (LESA).  
Ook wordt er op korte termijn een monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd om een beter inzicht te 
krijgen in de aanwezigheid  en verspreiding van typische soorten in het gebied.  
 
Verdroging is, in combinatie met de te hoge stikstofdepositie, de belangrijkste bedreiging voor 
H7110B. In de eerste beheerplanperiode wordt ter verbetering van de hydrologische situatie de 
aanwezige bo omopslag verwijderd. Dit waarborgt het behoud van het habitattype in de eerste 
beheerplanperiode. Op basis van de uitkomsten van het hydrologische onderzoek worden 
aanvullende maatregelen genomen ter verbetering van de kwaliteit van het habitattype.  
Toelichting  
Van de vennen en veentjes in het Drentsche Aa -gebied is relatief erg weinig informatie 
beschikbaar. Veldbezoeken maakte duidelijk dat ook veentjes aanwezig zijn die niet op de 
habiatattypekaart staan omdat ze nog verbost zijn of simpelweg niet ontde kt. Er zijn er actueel en 
zeker ook potentieel meer veentjes aanwezig zijn, dan de habitattypekaart weergeeft.  
Bovengenoemde PAS maatregelen bestaan dan ook voornamelijk uit het in beeld brengen van de 
ligging, de kwaliteit en de trend van het habitattype.  Hieruit zullen concrete maatregelen volgen 
om de kwaliteit van de veentjes te verbeteren. De maatregelen van de beschreven veentjes 
bestaan op de korte termijn voornamelijk uit het vrijmaken of vrijhouden van bos en, als dat volgt </pre>

====================================================================== Einde pagina 203 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 204 ======================================================================

<pre>    uit LESA, het herstel van de lokale hydrologie in de vorm van dempen van afwaterende slootjes of  het verwijderen van duikers. Deze maatregelen zijn meestal direct uitvoerbaar omdat er geen  externe werking van uit gaat. De noodzakelijke maatregelen worden in de eerste  beheerplanperiode uitgevoerd. Dit geldt ook voor nog niet gevonden veentjes.    Het langjarige onderzoek in de Drentsche vennen van het Dwingelderveld en Drents Friese Wold  (van Dam et al. 2013) laat zien dat na het nemen van maatregelen, de kwaliteit van de vennen na  verloop van tijd ook daadwerkelijk toeneemt. De onderzochte vennen kennen een vergelijkbare N-  depositie als de vennen in het Drentsche Aa-gebied. Dit leidt tot de conclusie dat als de lokale  hydrologie wordt hersteld, het behoud van de kwaliteit van de vennen in de eerste  beheerplanperiode kan worden geborgd.    6.2.11Herstelmaatregelen H7140A Overgangs- en trilvenen    Voor de maatregelen voor Overgangs- en trilvenen (trilvenen) is gebruik gemaakt van  Herstelstrategie H7140A: Overgangs- en trilvenen (trilvenen); Van Dobben, H.F., A. Barendregt,  A.M. Kooijman & N.A.C, Smits    Er is over het geheel gezien een positieve trend van het habitattype H7140A Overgangs- en  trilvenen in het Drentsche Aa. Om de doelstelling voor dit habitattype te realiseren worden vooral  herstelmaatregelen voorgesteld die resulteren in systeemherstel en zich richten op een duurzame  ontwikkeling van dit habitattype.    De onderstaande maatregelen zijn hierbij toegepast.    Tabel 71 Toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H7140A    Randvoor-  Pot. waarden/ Herhaal- Res-  maatregel | type doel effec- succesfac- onderoek baarheid pons  tiviteit toren tijd    Schoon  grondwater;  gebufferd  grondwater op  grotere schaal  aanpakken;alle  Aanvoer basen lokale  voorkomen afbraak en ontwatering    Realiseren  waterstanden  aan maaiveld  en vergroten   kwel  (Beekdalen)    Even  geduld    mineralisatie: later nog dichten; ook vertraagd  eventueel inzakkingen kijken naar  oude sloten opvullen beekpeilen; bij  beekpeil  verhoging  eutrofiering  door toename    overstroming  beek         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   , _Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).    204</pre>

====================================================================== Einde pagina 204 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 205 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
205 
  
Hieronder volgt een nadere specificering per deelgebied. De effecten van deze maatregelen én 
maatregelen, die reeds zijn genomen zijn, betekenen in de eerste beheerplanperiode:  
 
 Uitbreiding van de totale oppervlakte van dit habitattype.  
 Verbetering va n de kwaliteit in een groot deel van het gebied.  
 
Deelgebied 1: De benedenloop; De Punt tot Westlaren  
In de Kappersbult komt geen H7140A trilvenen voor. Voor de ontwikkeling van H7140A in de 
Kappersbult is verzuring en verdroging een groter probleem dan stikstofdepositie. De belangrijkste 
reden waarom geen trilvenen voorkomen, is het wegvallen van de invloed van diep, basenrijk 
grondwater van regionale herkomst. In dit gebied worden daarom de volgende maatregelen 
genomen:  
 
Het overgangs - en trilveen dat m eer bovenstrooms, ten westen van de Westerlanden, ligt wordt 
positief beïnvloed door ontpoldering en vernatting van de Westerlanden. Als gevolg van de 
ontpoldering kunnen ook in Westerlanden zelf overgang - en trilvenen tot ontwikkeling komen.  
 
De maatregel en in deelgebied 1 voor dit habitattype zijn dus:  
 
 Ontpoldering en aanpassing van de detailontwatering van de Westerlanden. Deze 
maatregelen worden al in het begin van de eersteplanperiode genomen.  
 
Door de ontpoldering en aanpassing van de detailontwatering van de Westerlanden en daarmee 
een gedeeltelijk herstel van de hydrologie zal het habitattype ten westen van de Westerlanden in 
kwaliteit toenemen. Zowel ten oosten als ten westen van de beek zullen goede omstandigheden  
ontstaan voor uit breiding van het type. Mogelijk zal uitbreiding de eerste beheerplanperiode al 
aanvangen. Huidige situatie is daarmee geborgd een verbetering is aanstaand.  
 
 
Deelgebied 2: De overgang beneden - middenloop bij Westlaren  
Het behoud van dit habitattype is in d it deelgebied gegarandeerd, gezien de positieve trend in 
oppervlakte van de afgelopen decennia. Verbetering van de kwaliteit is, gezien de huidige slechte 
kwaliteit van het habitattype, nodig. Verdere verbetering van de hydrologie van het systeem is dan 
ook nodig. Dit kan door maatregelen te nemen die de interne ontwatering verbeteren. Daarnaast 
zijn de waterstanden in de beek te laag voor een optimaal functioneren. Het effect van de 
zandwinning Zwijnmaden en de mogelijkheid voor verhoging van de waterstand  is niet geheel 
duidelijk.   
 
De maatregelen in deelgebied 2 zijn daarom:  
 Aanpassing van de interne ontwatering (arcering op de kaart + de aangegeven sloot)  
 Hydrologisch onderzoek naar de mogelijkheid het peil van de zandwinplas te verhogen en 
onderzoek naa r de effecten op de grondwaterstand en kwel in het beekdal. Tegelijkertijd is het 
van belang om de effecten op de grondwaterstanden bij de nabijgelegen vaklantiehuisjes en 
het landbouwgebied door te rekenen. Als de maatregel mogelijk en effectief is, wordt  in latere 
fase het peil verhoogd.  
 Onderzoek naar de mogelijkheden en gewenste mate van beekbodemverhoging of andere 
waterstandsverhogende maatregelen  
 Beekbodemverhoging/verhoging van de waterstanden in de beek door maatregelen in de beek 
(afhankelijk van uitkomst onderzoek). Hierbij zal met de 
beekbodemverhoging/waterstandsverhogende maatregelen voor het benedenstroomse deel 
van het Zeegserloopje in de eerste beheerplanperiode worden begonnen, afhankelijk van de 
uitkomst van het eerder genoemde onderzoek.  
 
Door aanpassing van de interne ontwatering is behoud van het habitattype in de eerste 
beheerplanperiode geborgd. Onderzoek naar beekbodemverhoging/waterstandsverhogende 
maatregelen geeft inzicht in de maatregelen die in de tweede en derde beheerplanperiode leiden 
tot verbetering  van de kwaliteit van dit habitattypen en dan uitgevoerd kunnen worden.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 205 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 206 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
206 
 Deelgebied 3: De middenloop Schipborgsche diep  
Voor de Burgvallen is de sloot langs het landgoed Schipborg nog een knelpunt: deze sloot vangt 
veel kwel weg. Voor de overgangs - en trilvenen is van belang dat dit water niet wordt afgevangen 
maar in het beekdal opwelt.  
 
De resterende interne ontwatering, ook die op de beekdalflanken, zal worden opgeheven door 
sloten te dempen. Daarnaast worden de beekpeilen verhoogd om het wegzakken van de 
grondwaterstand in droge jaren te voorkomen.  
 
De maatregelen in deelgebied 3 voor dit habitattype zijn daarom:  
 aanpassing van de interne ontwatering (arcering op de kaart) en van sloten langs de rand. 
Deze slote n liggen rond het landgoed Schipborg en op de grens met deelgebied 11C.  
 Onderzoek naar de mogelijkheden en gewenste mate van 
beekbodemverhoging/waterstandsverhogende maatregelen  
 Beekbodemverhoging/verhoging van de waterstanden in de beek (zijn afhankelijk  van uitkomst 
onderzoek). Maatregelen in het  Anloërdiepje en het Schipborgsche diep kunnen apart 
uitgevoerd worden, waarbij met de waterstandsverhogende maatregelen voor het Anloërdiepje 
in de eerste beheerplanperiode wordt begonnen, afhankelijk van de ui tkomst van het hierboven 
genoemde onderzoek  
 
De huidige trend is positief. De huidige situatie is geborgd.  
Door de maatregelen (aanpassing interne ontwatering in eerste beheerplanperiode en maatregelen 
in het Schipbogsche diep in de tweede en derde beheerp lanperiode)  kan verdere verbetering van 
de kwaliteit en uitbreiding van het areaal in de tweede en derde beheerplanperiode aanvangen. 
Maatregelen aan sloten (interne ontwatering) in deelgebied 11c dragen ook bij aan de oppervlakte 
en kwaliteit van dit habi tattype in deelgebied 3.  
 
Deelgebied 4: De westelijke middenloop  
In dit deelgebied wordt ingezet op verhogen van het beekpeil door aanpassingen van de beek. Dit 
zorgt voor betere hydrologische omstandigheden voor dit habitattype. Om dit te kunnen realisere n 
is het verwerven van een aantal laagliggende percelen noodzakelijk. Daarnaast is de 
detailontwatering nog van belang.  
 
De maatregelen in deelgebied 4 voor dit habitattype zijn daarom:  
 Aankoop en vervolgens aanpassen van de detailontwatering.  
 Onderzoek na ar de mogelijkheden en gewenste mate van 
beekbodemverhoging/waterstandsverhogende maatregelen  
 Beekbodemverhoging/verhoging van de waterstanden in de beken binnen dit deelgebied (zijn 
afhankelijk van uitkomst onderzoek).  
 De doorvoer van hogere afvoeren van af verdeelwerk Loon en 
beekbodemverhoging/waterstandsverhogende maatregelen in het Looner - en Taarloosche diep 
zullen in de eerste beheerplanperiode starten wanneer de benodigde gronden zijn aangekocht, 
en/ofvan functie zijn veranderd. Ook deze eventuele m aatregelen zijn afhankelijk van het 
hierboven genoemde onderzoek.  
 
De trend is positief en zal verder doorgaan. Behoud is daarmee in de eerste periode geborgd , ook 
door aankoop en aanpassing detailontwatering . Door maatregelen, zoals verhoging van de 
waterstanden van de beek in de tweede en derde beheerplanperiode, zal verbetering van de 
kwaliteit en uitbreiding van het areaal in de tweede of derde beheerplanperiode plaatsvinden.  
 
Deelgebied 5: De oostelijke middenloop  
De trend v an het habitattype in dit deelgebied voor oppervlakte en kwaliteit is positief. De positieve 
trend is het gevolg van al uitgevoerde hydrologische maatregelen. Het is dan ook niet noodzakelijk 
om in de eerste beheerplanperiode al aanvullende maatregelen te nemen om de 
instandhoudingdoelen te realiseren.  
 
De ontwikkeling van het habitattype wordt gemonitord, om zo een vinger aan de pols te houden.  
 
De in het kader van andere habitattypen voorgestelde maatregelen bij het systeemherstel (§ 
6.1.5), met als bel angrijkste maatregelen het verwijderen van de parallelleiding van het Rolderdiep </pre>

====================================================================== Einde pagina 206 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 207 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
207 
 en verdere aanpassing van de beek, zullen ook een positief effect hebben op dit habitattype. Deze 
laatste twee inrichtingsmaatregelen zullen zorgen voor een significante uitbr eiding van het 
habitattype in de Ossenbroeken.  
 
Voor deze laatste twee inrichtingsmaatregelen is het nodig percelen aan te kopen, in dit geval in de 
Koelanden, gelegen buiten het Natura2000 -gebied, omdat deze maatregelen een extern effect op 
deze gronden,  die nu nog door de landbouw worden gebruikt.  Dit geldt ook voor de beinvloeding 
van de waterstanden in het gekanaliseerde deel van het Rolderdiep (buiten N2000).  
 
 
De maatregelen zijn:  
 Aanpassen van de interne ontwatering in twee delen van het gebied  
 Onderzoek naar de mogelijkheden en gewenste mate van 
beekbodemverhoging/waterstandsverhogende maatregelenBeekbodemverhoging/verhoging 
van de waterstanden in de beek (zijn afhankelijk van uitkomst onderzoek).  
 Dempen van de oude parallelle leiding in het zuideli jke deel van het gebied, mits het geen 
negatieve effecten op het bovenstrooms gelegen Rolderdiep heeft. Dit deel van het Rolderdiep 
is geen N2000 gebied en is grotendeels in landbouwkundig gebruik.  
 
Behoud is dus in de eerste periode geborgd en in vergroti ng van oppervlakte en verbetering van 
kwaliteit zal in periode 2 en 3 en waarschijnlijk al eerder plaatsvinden.  Het onderzoek naar 
mogelijkheden en gewenste mate van beekbodemverhoging/waterstandsverhoging vindt in de 
eerste beheerplanperiode plaats, en le idt tot uitvoering van maatregelen in de tweede en derde 
beheerplanperiode.  
 
Deelgebied 6: Het Ballooërveld  
De positieve trend hier is het gevolg van al genomen inrichtingsmaatregelen op het hydrologische 
vlak. 
 
Extra maatregelen zijn:  
 aanpassing ontwateri ng in laagte van Smalbroekerloopje/Tichelhoes. In het Tichehoes zal die 
aanpassing vlot plaatsvinden.  
 aanpassen van de interne ontwatering aan de noordoostzijde ten zuiden van weg Loon -
Gasteren,  
 aanpassen van de ontwatering in de Koelanden en de Slokkert.  
 onderzoek naar systeemherstel bij de landbouwenclave aan de noordzijde (Ossedijk) van het 
gebied. Dit onderzoek leidt tot maatregelen voor aanpassing van de interne ontwatering (met 
name sloten dempen) in dit gebied nadat de gronden aangekocht zijn.  
  
Maatregelen in andere deelgebieden, die voor dit deelgebied van belang zijn:  
 aanpassing van beken en verwijderen detailontwatering in beekdalen Taarlosche 
Diep/Loonerdiep  en Gasterse diep/ Rolderdiep;  
 
Alleen in het Tichelhoes is nog sprake van een noemenswaardige overschrijding van de KDW. 
Behoud is in bede delen in de eerste beheerplanperiode geborgd. Door deze maatregelen kan 
verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van het areaal in de tweede of derde beheerplanperiode 
aanvangen.  
 
Deelgebied 7 : De overgang naar middenloop  
Een positieve trend in dit deelgebied is het gevolg van al genomen inrichtingsmaatregelen op het 
hydrologische vlak. Er zijn echter nog knelpunten, die groten deels opgelost gaan worden door 
hermeandering van de beek, ontpolder ing van de polder de Hortsmaat en door aanpassing van de 
detailontwatering.  
 
 hermeandering Deurzerdiep en ontpoldering Hortsmaat. Het grootste deel hiervan is door 
waterschap Hunze en Aa’s al uitgevoerd. Uitvoeren restopgave.  
 Onderzoek naar mogelijkheden d empen/afdammen van een deel van het verbindingskanaal 
naar het NW Kanaal (niet op de kaart aangegeven). Deze maatregel kan pas nader worden 
uitgewerkt als de opgaven voor deelgebied 1, 2, 3 en 4 zijn uitgevoerd, dit in verband met de 
afvoer van piekafvoere n bij verdeelwerk Loon (zie deelgebied 4).  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 207 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 208 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
208 
 Door de al uitgevoerde maatregelen in het beekdal van Deurzerdiep, is behoud van het habitattype 
in de eerste beheerplanperiode in ieder geval geborgd en kan verbetering van de kwaliteit en 
uitbreiding van het ar eaal aanvangen. Het uitvoeren van de restopgave Deurzerdiep is gepland 
voor de tweede en derde beheerplanperiode. Het onderzoek naar het eventueel dempen/afdammen 
van een deel van het verbindingskanaal is dermate afhankelijk van de invulling van de opgaven  in 
de deelgebieden 1, 2, 3 en 4, dat uitvoering hiervan pas in derde beheerplanperiode  aan de orde 
is. 
Deelgebied 8: De bovenlopen  
Op deze locatie staat bos. Het habitattype is gebaseerd op een oude kartering. De toen aanwezige 
vegetatie was zeer tijdeli jk en stond op een niet natuurlijke plek.  
Deelgebied 9: het Anderense diep  
De maatregelen voor verbetering van het systeem (zie paragraaf 6.1.9) zijn van belang voor de 
(weliswaar) beperkte aanwezigheid van dit habitattype.  
 
Het gaat voor dit habitattype i n het benedenstroomse deel van dit deelgebied om:  
 verhoging van de waterstanden in de beek door inrichtingsmaatregelen in de beek  
 aanpassing van de detailontwatering  
 Onderzoek naar de mogelijkheden en gewenste mate van 
beekbodemverhoging/waterstandsverhoge nde maatregelen  
 Beekbodemverhoging/verhoging van de waterstanden in de beek (zijn afhankelijk van uitkomst 
onderzoek).  
 onderzoek naar systeemherstel (hydrologie) in en ten zuiden van het benedenstroomse deel.  
Dit onderzoek leidt tot aanpassingen van de detailontwatering en mogelijk het peil van de 
zandwinplas ter plekke.  
 
De overschrijding van de KDW is beperkt en de situatie verslechtert niet. Hierdoor is behoud in de 
eerste periode geborgd. Door de maatregelen (tweede en derde beheerplanperiode) kan 
verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van het areaal in de tweede of derde beheerplanperiode 
aanvangen.  
 
Deelgebied 10: de Bovenlopen en oorspronggebieden  
In deelgebied 10a zijn de maatregelen voor dit habitattype:  
 Onderzoek naar de mogelijkheden en ge wenste mate van 
beekbodemverhoging/waterstandsverhogende maatregelen  
 Beekbodemverhoging/verhoging van de waterstanden in de beek (zijn afhankelijk van uitkomst 
onderzoek) aanpassing van de detailontwatering  
 
In 2013 zijn in deelgebied 10c reeds maatregelen getroffen om in dit deelgebied de hydrologie te 
verbeteren. De effectiviteit van deze maatregelen moet aan het einde van de eerste 
beheerplanperiode geëvalueerd worden. Daarna kunnen eventueel in de tweede beheerplanperiode 
aanvullende maatreg elen volgen i ndien noodzakelijk mede op basis van het onderzoek naar 
beekbodemverhoging/waterstandsverhoging in de eerste beheerplanperiode (o.a. bovenstroomse 
deel Anloërdiepje) . 
 
Wel wordt de volgende maatregel voor dit habitattype uitgevoerd:  
 dempen van sloot aan no ordzijde van het gebied.  
 
De huidige trend en de geringe overschrijding van de KDW en maatregelen, die vrij recent zijn 
genomen, borgen het behoud in de eerste periode. Door de maatregelen verbetering kan 
verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van het  areaal in de tweede of derde beheerplanperiode 
aanvangen.  
 
6.2.12   Herstel maatregelen H7150 Pioniersvegetaties met snavelbiezen.  
Voor de maatregelen voor Pioniersvegetaties met snavelbiezen is gebruik gemaakt van 
Herstelstrategie H7150: Pioniervegetaties met sn avelbiezen. Beije, H.M., A.J.M. Jansen, L. van 
Tweel -Groot , M.A.P. Horsthuis & N.A.C. Smits  </pre>

====================================================================== Einde pagina 208 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 209 ======================================================================

<pre>    Deelgebied 9: oostelijke boven-middenloop; het Andersche diep    Gezien de positieve trend van de vegetatieontwikkeling en de geringe overschrijding van de  atmosferische depositie, die bovendien na de eerste beheerplanperiode niet meer aanwezig is,  worden er geen PASmaatregelen genomen. Bovendien zullen de PAS maatregelen voor H4010A  een positieve uitwerking hebben op het habitattype. Dit plus het reguliere beheer is voldoende om  de Natura 2000 doelstellingen te halen.    6.2.13 Herstelmaatregelen H9120 Beuken - eikenbossen met hulst;    Voor de maatregelen voor Beuken - eikenbossen met hulst; is gebruik gemaakt van  Herstelstrategie H9120: Beuken - eikenbossen met hulst; Hommel, P.W.F.M., J. den Ouden, H.P.J.  Huiskes,W.A. Ozinga & N.A.C. Smits    Onderstaande maatregel wordt toegepast.    Tabel 72 Toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H9120    pons  tijd    Geen natuurlijke  Strooisel bodemontwikkeling;    Afvoeren nutriënten Op standplaats | Beperkte duur | direct    verwijderen geen oude  bossoorten    Hakhoutbehe ANN ren nutriënten, Meeldauw, vraat,  er H/U | : overwoekering Op standplaats | Beperkte duur  lichtklimaat en  : door bramen  verhogen dynamiek         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   « _Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).    Hieronder volgt een nadere specificatie per deelgebied.    Deelgebied 2: De overgang beneden- middenloop bij Westlaren    Geen maatregelen noodzakelijk in de eerste beheerplanperiode om het behoud te borgen. De  kwaliteit was ten tijde van de laatste kartering nog goed. Wel moet voor het einde van de eerste  beheerplanperiode de vergrassing worden geïnventariseerd. Mocht de vergrassing dan zijn  toegenomen dan wordt in de tweede beheerplan periode strooisel verwijderd.    Deelgebied 4: De westelijke middenloop    Geen maatregelen noodzakelijk in de eerste beheerplanperiode om het behoud te borgen. De  kwaliteit was ten tijde van de laatste kartering nog goed.    209</pre>

====================================================================== Einde pagina 209 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 210 ======================================================================

<pre>    Deelgebied 7: De overgang naar middenloop    Geen maatregelen noodzakelijk in de eerste beheerplanperiode om het behoud te borgen. De  kwaliteit was ten tijde van de laatste kartering nog goed. Wel moet voor het einde van de eerste  beheerplanperiode de vergrassing worden geïnventariseerd. Mocht de vergrassing dan zijn  toegenomen dan wordt in de tweede beheerplan periode strooisel verwijderd.    Deelgebied 8: De bovenlopen    Er wordt in de eerste beheerplanperiode onderzocht hoe dit bos functioneert. Op basis van dit  onderzoek worden maatregelen opgesteld. Dit kunnen maatregelen zijn in de sfeer van  strooiselverwijdering, middenbosbeheer, aanpassen van de boomsoorten of anderszins. Hierbij  wordt nauw aangesloten bij het onderzoek in in de eikenhaagbeukenbossen op de Houtesch.   Ook wordt onderzocht of uitbreiding in de nabijë omgeving mogelijk is. De ligging in het landschap  (op de flank van het beekdal) en een geringe oppervlakte niet kwalificerend bos maakt dat  uitbreidingsmogelijkheden aanwezig zijn.    Achteruitgang op de korte termijn (binnen zes jaar) gaat niet snel. Ook niet met de vrij hoge  overschrijdingvan de KDW. De huidige goede staat is geborgd. Het onderzoek en de maatregelen,  die daaruit voorkomen, zullen de situatie in de periode 2 en 3 verbeteren en de oppervlakte  vergroten.    Deelgebied 11: De infiltratiegebieden    Deelgebied 11a: infiltratiegebied (Vijftig bunder)    Inventarisatie van de bossen op natuurkwaliteiten is nodig om inzicht te krijgen in de kwaliteit en  ontwikkeling. Hiervoor worden de bossen in het begin van de eerste beheerplanperiode gekarteerd.  Ook worden in de eerste beheerplanperiode de typische soorten in beeld gebracht. Afhankelijk van  de resultaten van het onderzoek en de urgentie worden in beheerplanperiode 1, 2 of 3 maatregelen  getroffen als het verwijderen van strooisel. Hiermee is behoud geborgd.    Omdat, indien volgens onderzoek noodzakelijk, strooisel al in de eerste periode wordt verwijderd,  is behoud in de eerste periode geborgd.    Deelgebied 11d: infiltratiegebied (De Strubben)   Dit Beuken-eikenbos met hulst is net heringericht, waarbij alle exoten en ook wat grotere bomen  zijn verwijderd. In de eerste beheerplanperiode wordt strooisel verwijderen om overmatige  voedingstoffen, voornamelijk stikstof, af te voeren. Dit wordt gedaan door klepelmaaien met  afzuigen op de locatie waar nog veel strooisel aanwezig is. Hiermee is behoud geborgd.    6.2.14Herstelmaatregelen H9160A Eiken haagbeukenbossen  Voor de maatregelen voor Eiken-haagbeukenbossen is gebruik gemaakt van Herstelstrategie    H9160A: Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden);Hommel, P.W.F.M, H.P.J, Huiskes, J. den  Ouden, H. Siebel, N.A.C., Smits & H.F. van Dobben    Tabel 73 Toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H7140A         Randvoor-  Pot. waarden/ Herhaal- Res-  tregel | type doel effec succesfac- omlorroek baarheid pons  tiviteit toren tijd  Kap cyclus  Voorkomen accumulatie instellen op  Hakhoutbeheer houtproductie . Even    H/U | meststoffen, te donker groot  worden    Diverse leeftijd LESA ja geduld  opbouw    bomen         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)    210</pre>

====================================================================== Einde pagina 210 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 211 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
211 
  Pot. effectiviteit : klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte 
van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect  
 Randvoorwaarden / succesfactoren : de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren 
van de maatregel  
 Vooronderzoek : niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving), 
LESA (Landschaps Ecologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).  
 Herhaalbaarheid : eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten); 
beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig 
(geen negatieve trade -off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen 
negatieve gev olgen).  
 Responstijd : dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1 
tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).  
 
 
Hieronder volgt een nadere specificering per deelgebied.  
Deelgebied 5: De oostelijke middenl oop 
Geen overschrijding KDW, dus geen PAS -maatregelen nodig.  
Deelgebied 8: De bovenlopen  
Er wordt in de eerste beheerplanperiode onderzocht hoe dit bos functioneert en waar en hoe de 
buffersituatie gehandhaafd dan wel verbeterd kan worden. Op basis van dit  onderzoek worden 
maatregelen opgesteld. Dit kunnen maatregelen zijn in de sfeer van de waterhuishouding, 
strooiselverwijdering, middenbosbeheer, aanpassen van de boomsoorten of anderszins. Hierbij 
wordt nauw aangesloten bij het OBN -onderzoek over dit type  bos. 
Ook wordt onderzocht of uitbreiding in de nabijë omgeving mogelijk is. De ligging in het landschap 
(op de flank van het beekdal) en een geringe oppervlakte niet kwalificerend bos maakt dat 
uitbredingsmogelijkheden aanwezig zijn.  
 
Achteruitgang op de korte termijn (binnen zes jaar) gaat niet snel. Ook niet met de vrij hoge 
overschrijdingvan de KDW. De huidige goede staat is geborgd. Het onderzoek en de maatregelen, 
die daaruit voorkomen, zullen de situatie in de periode 2 en 3 verbeteren en de oppervla kte 
vergroten.  
 
Deelgebied 10: de Bovenlopen en oorspronggebieden  
Er wordt in de eerste beheerplanperiode onderzocht of en hoe de boselementen kunnen worden 
verbeterd. Indien nodig worden deze maatregelen in de eerste periode uitgevoerd. Het eenmalig 
verwijderen van wat bomen en struiken en/of strooisel kan hierbij helpen.  
 
De situatie is goed. De overschrijdingvan de N -depositie laag. Verslechtering op korte termijn vindt 
niet plaats op korte termijn (eerste periode). Toch wordt nog even bekeken of maatre gelen zinvol 
zijn. Indien noodzakelijk vinden deze eenvoudige maatregelen nog in de eerste periode plaats. 
Behoud voor eerste periode is geborgd.  
 
Uitbreiding is mogelijk in het aanliggende en veel grotere Gasterse Holt, welke nu nog niet 
kwalificeert, ma ar waar gezien de ligging in het landschap en de hydrologie het type wel kan 
komen.  
6.2.15  Herstelmaatregelen H9190 Oude Eikenbossen  
Voor de maatregelen voor Oude eikenbossen is gebruik gemaakt van Herstelstrategie H9190: Oude 
eikenbossen; Hommel, P.W.F.M., J. de n Ouden, H.P.J. Huiskes, W.A. Ozinga & N.A.C. Smits  
 
Onderstaande maatregel wordt toegepast.  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 211 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 212 ======================================================================

<pre>    Randvoor-  waarden/ Herhaal-    Voor-  onderzoek baarheid    Geen natuurlijke  Strooisel bodemontwikkeling;  verwijderen geen oude  bossoorten         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   e _Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gean nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).    Hieronder volgt een nadere specificering per deelgebied.    Deelgebied 7: De overgang naar middenloop    Geen maatregelen noodzakelijk in de eerste beheerplanperiode om het behoud te borgen. De  kwaliteit was ten tijde van de laatste kartering nog goed. Wel moet voor het einde van de eerste  beheerplanperiode de vergrassing worden geïnventariseerd. Mocht de vergrassing dan zijn  toegenomen dan wordt in de tweede beheerplan periode strooisel verwijderd.    Deelgebied 11: De infiltratiegebieden    Deelgebied 11a: infiltratiegebied (Vijftig bunder)    Inventarisatie van de bossen op natuurkwaliteiten is nodig om inzicht te krijgen in de kwaliteit en  ontwikkeling. Hiervoor worden de bossen in het begin van de eerste beheerplanperiode gekarteerd.  Ook worden in de eerste beheerplanperiode de typische soorten in beeld gebracht. Afhankelijk van  de resultaten van het onderzoek en de urgentie worden in beheerplanperiode 1, 2 of 3 maatregelen  getroffen als het verwijderen van strooisel. Hiermee is behoud geborgd.    Omdat, indien volgens onderzoek noodzakelijk, strooisel al in de eerste periode wordt verwijderd,  is behoud in de eerste periode geborgd.    Deelgebied 11d: infiltratiegebied (De Strubben)    Dit oude eikenbos is net heringericht, waarbij alle exoten en ook wat grotere bomen zijn  verwijderd. In de eerste beheerplanperiode wordt strooisel verwijderen om overmatige  voedingstoffen, voornamelijk stikstof, af te voeren. Dit wordt gedaan door klepelmaaien met  afzuigen op de locatie waar nog veel strooisel aanwezig is. Hiermee is behoud geborgd.    6.2.16 Herstelmaatregelen HS91EOC Vochtige alluviale bossen;    Voor de maatregelen voor Vochtige alluviale bossen; is gebruik gemaakt van Herstelstrategie  H91EOC: Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Beije, H.M., P.W.F.M. Hommel, R.W.  de Waal & N.A.C. Smits    Onderstaande maatregel wordt toegepast.    212</pre>

====================================================================== Einde pagina 212 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 213 ======================================================================

<pre>    Schoon  grondwater;  gebufferd  grondwater op  Herstel grotere schaal  hydrologie aanpakken;alle  door lokale  Realiseren Aanvoer basen, ontwatering  waterstanden voorkomen afbraak en dichten; ook vertraagd  aan maaiveld mineralisatie. kijken naar  en vergroten beekpeilen; bij  kwel beekpeil  (Beekdalen) verhoging  eutrofiering  door toename  overstroming  beek         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   e Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).    Hieronder volgt een nadere specificatie per deelgebied.    Deelgebied 3: De middenloop; Schipborgsche diep    Bovengenoemde herstelmaatregelen hebben tot doel het herstellen van de beekdalgradiënt en  wordt nader uitgewerkt in paragraaf 6.1.3 Eerste bepaling herstelmaatregelenpakketten op  gradiëntniveau en in nader detail in paragraaf 6.2.12 Herstelmaatregelen H7140A Overgangs- en  trilvenen. Het habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) zal meeprofiteren  van de maatregelen die getroffen worden voor de Overgangs- en trilvenen. Dit zal leiden tot  verbetering van kwaliteit en uitbreiding van het habitattype.    Deelgebied 4: De westelijke middenloop    Bovengenoemde herstelmaatregelen heeft tot doel het herstellen van de beekdalgradiënt en wordt  nader uitgewerkt in paragraaf 6.1.4 Eerste bepaling herstelmaatregelenpakketten op  gradiëntniveau en in nader detail in paragraaf 6.2.12 Herstelmaatregelen H7140A Overgangs- en  trilvenen. Het habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) zal mee profiteren  van de maatregelen die getroffen worden voor de Overgangs- en trilvenen. Dit zal leiden tot  verbetering van kwaliteit en uitbreiding van het habitattype.    213</pre>

====================================================================== Einde pagina 213 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 214 ======================================================================

<pre>    6.2.17 Herstelmaatregelen H91D0 Hoogveenbossen;    Voor de maatregelen voor Hoogveenbossen is gebruik gemaakt van Herstelstrategie H91D0:  Hoogveenbossen Beije, H.M. & N.A.C. Smits    Onderstaande maatregel wordt toegepast.    Tabel 76 Toegepaste herstelmaatregelen voor habitattype H910C    Randvoor-  Pot. waarden/ _ Herhaal- Res-  maatregel | type doel effec- succesfac- onderoek baarheid pons  tiviteit toren tijd    Hydrologisch _ Matig/groo ‚ Even         Verklaring kolommen:   e Maatregel: soort maatregel   e Type: H = herstelmaatregel, U = uitbreidingsmaatregel   e Doel: beoogde effect van de maatregel (ten behoeve van behoud, herstel en/of uitbreiding)   e Pot. effectiviteit: klein/matig/groot. Effectiviteit van de maatregel (als regime) ten opzichte  van andere maatregelen en gerelateerd aan het beoogde effect   e Randvoorwaarden / succesfactoren: de belangrijkste randvoorwaarden en succesfactoren  van de maatregel   e Vooronderzoek: niet noodzakelijk, op standplaats (in het HT zelf of in de directe omgeving),  LESA (LandschapsEcologische SysteemAnalyse: Van der Molen 2010).   e _Herhaalbaarheid: eenmalig (kan maar eenmalig worden uitgevoegd, bijv. dempen sloten);  beperkte duur (bij intensivering gaan nadelen opwegen tegen voordelen) of zo lang als nodig  (geen negatieve trade-off tussen intensiteit en effectiviteit. Kun je altijd mee doorgaan, geen  negatieve gevolgen).   e Responstijd: dit betreft het effect van de maatregel (regime): Direct (< 1 jr); Even geduld (1  tot 5 jr); Vertraagd (5 tot 10 jr); Lang (meer dan 10 jr).    Hieronder volgt een nadere specificatie per deelgebied.    Deelgebied 2: De overgang beneden-middenloop bij Westlaren    Het stoppen van de waterwinning van zuidlaren heeft een positief effect op het habitattype. Dit  zorgt er voor dat er in de eerste beheerplanperiode geen maatregelen hoeven worden genomen  voor dit habitattype in deelgebied 2.    Deelgebied 5: De oostelijke middenloop    Habitattype niet meer aanwezig.    Deelgebied 10: oostelijke bovenloop en oorspronggebieden op de Hondsrug    De recent aangepaste slenken zorgen nu al voor een verbetering in de waterhuishouding en borgen  het behoud van het habitattype in de eerste beheerplanperiode. De maatregelen voortkomend uit  het onderzoek naar verbeteringen waterhuishouding voor Heischrale graslanden en  Blauwgraslanden zullen in beheerplan periode 2 en 3 ook een positief effect hebben op het  habitattype. Er hoeven daarom geen verder aanvullende maatregelen genomen worden om het  habitattype te behouden.    Deelgebied 11: De overige infiltratiegebieden    Herstel hydrologie door het afdammen en dempen van de afwateringssloot. De verwachting is dat  deze sloot nog nauwelijks water afvoert, maar bij stijgende waterstanden zal dat wel gaan  gebeuren. Deze maatregel opgenomen in het beheerplan van 2010 zal het behoud van het  hoogveenbos borgen.    214</pre>

====================================================================== Einde pagina 214 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 215 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
215 
 7 Beoordel ing relevantie en situatie flora/fauna  
 
7.1 Interactie uitwerking gebiedsgerichte herstelmaatregelen  N-
gevoelige habitats met andere habitats en natuurwaarden  
Maatregelen, bedoeld voor een bepaald habitattype, kunnen effect hebben op andere habitattypen 
en andere natuurwaarden, die niet in dit rapport zijn beschreven. Ter voortkoming van negatieve 
effect en is in deze paragraaf beschreven waar dat mogelijk speelt en indien nodig hoe negatieve 
effecten voorkomen worden.  
 
Een optimale inrichting van het systeem is voor behoud en ontwikkeling essentieel. Het 
Gradiëntendocument van de PAS is hiervoor de leidra ad. In deze gradiënten is de hydrologie 
sturend; deze vormt de verbinding tussen de verschillende habitattypen. Ingrepen in de 
hydrologie, zoals het verwijderen van interne ontwatering, zal bij een nadere uitwerking altijd 
vooraf worden geanalyseerd met ee n LESA (landschapsecologische systeemanalyse) om de 
effecten op andere habitattypen en waarden in beeld te brengen.  
 
Heischrale graslanden (H6230) en blauwgraslanden (H6410), kunnen bij vernatting opschuiven 
naar hogere delen in het beekdal. Als volgens bovengenoemde analyse dit niet zal gebeuren 
worden de maatregelen aangepast opdat behoud van de locatie zelf geborgd is. Dat kan in de 
praktijk door bijv. niet alle sloten te dempen, maar locaal een begreppeling te handhaven.  
Voor heischrale graslanden (H6 230) en blauwgraslanden (H6410) ligt de grootste oppervlakte op 
het Eexterveld. Hier treedt de verschuiving niet op en zal het systeemherstel de aanwezige 
habitattypen positief beïnvloeden, zoals al is toegelicht in hoofdstuk 6.  
 
Met het habitattype trilve nen (H7140A) gaat het goed en zijn de toekomstverwachtingen goed. Op 
een aantal locaties is een overgang naar kalkmoeras (H7230) gaande. Dit is een bijzondere en 
goede ontwikkeling. De doelen voor de trilvenen komt op deze locaties niet in het geding en zu llen 
autonoom, maar zeker met de extra maatregelen, gehaald worden.  
 
Een zeer sterke uitbreiding van het habitattype trilvenen kan op een aantal plekken ten koste gaan 
van bijzonder dotterbloemhooiland (geen habitattype). Daar waar dat mogelijk aan de orde  is moet 
een afweging plaats vinden en eventueel de maatregelen enigszins worden aangepast, zodat de 
uitbreidingsdoelstelling van trilvenen nog steeds behaald wordt, maar ook het bijzondere 
dotterbloemhooiland behouden blijft.  
 
De niet stikstof gevoelige h abitattypen H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea), H7150 
Pioniersvegetaties met snavelbiezen zullen juist profiteren van de vernattingsmaatregelen elders.  
Het habitattype H3260 Beken en rivieren met water planten wordt ook positief beïnvloed door de 
beekaanpassingen. De aanpassingen aan de beek vergroten de potentie van het systeem voor dit 
type. 
 
Of het nu gaat om maatregelen in de waterhuishouding, plagwerkzaamheden of andere 
maatregelen, steeds wordt van tevoren onderzocht of rode -lijst- of beschermde soorten aanwezig 
zijn. Deze soorten zullen worden ontzien en indien nodig worden de plannen daarop aangepast. 
Deze aanpassingen betreffen details; de maatregelen blijven geborgd.  
7.2 Interactie uitwerking gebiedsgerichte herstelmaatregelen  N-
gevoelige habitats  met leefgebieden bijzondere flora en fauna.  
Het gaat hierbij de bijzondere flora en fauna om de soorten rivierprik, grote modderkruiper, kleine 
modderkruiper, rivierdonderpad en kamsalamander. Al deze soorten zijn beschermd in het kader 
van de Flora - en faunawet (tabel 2 of 3). Bij de detailuitwerking zal worden voldaan aan de 
voorwaarden van handhaving van de populaties, conform de wet.  
 
De maatregelen in de beek hebben een relatie met de kleine modderkruiper, de rivierdonderpad en 
de rivierprik.  
Voor de  kleine modderkruiper is behoud van de populaties geen probleem. Dat komt doordat de 
omstandigheden voor de verschillende fasen van ontwikkeling van de soort zeer ruim aanwezig </pre>

====================================================================== Einde pagina 215 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 216 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
216 
 blijven.  
 
De rivierprik heeft zijn paaiplekken en opgroeilocaties voor larven in het Gasterensche Diep. De 
eisen voor de kwaliteit van deze locaties blijken bij uitvoering van het proefproject “Beek op peil” 
niet achteruit te gaan (zie voor toelichting “Beek op peil” paragraaf: 6.1.5). Bij de detailuitwerking 
van de beek zal met dez e soort rekening gehouden worden. De soort is gebaat bij zuurstofrijke 
omstandigheden en bij extra schuilmogelijkheden. Dit zijn beide wezenlijke zaken, die voldoende 
aanwezig en/of uitgebreid worden bij de maatregelen in de beek.  
 
De grote modderkruiper k omt voor in geïsoleerde sloten in grasland - en moerasgebieden. Dempen 
van geschikte sloten kan een negatief effect hebben op de populatie of populatiegroei. 
Moerasontwikkeling heeft echter een positief effect op de populatie. Bij de maatregelen m.b.t. de 
detailontwatering en het dempen van sloten vindt vooronderzoek plaats conform de eisen in het 
kader van de FFwet. Vanuit de FFwet kan als eis worden gesteld, dat ten behoeve van deze soort 
voor afdammen in plaats van dempen gekozen worden. Hiermee wordt zow el de populatie als de 
maatregel geborgd.  
 
De maatregelen in dit plan hebben geen relatie met de kamsalamander. Het leefgebied wordt niet 
aangetast. Wel geldt bij detailuitwerking en uitvoering van maatregelen de eisen, die de FFwet 
stelt. Uitbreiding van deze soort is in het beheerplan N2000 opgenomen.  
 
7.3 Tussenconclusie herstelmaatregelen  
In de tekst hiervoor is uiteengezet welke herstelmaatregelen voor de in dit gebied voorkomende 
habitattypen, gegeven het geschetste depositieverloop en overschrijding van de KDW, ertoe leiden 
dat behoud van de natuurlijke kenmerken van het gebied is gewaarborgd. Tevens is nagegaan dat 
de herstelmaatregelen geen negatieve effecten hebben op andere instandhoudingsdoelstellingen.  
 
Voor het ecologisch oordeel is van belang welk  depositieniveau wordt bereikt bij benutting van  alle 
ontwikkelingsruimte. In deze analyse is rekening gehouden met de totale stikstofdepositie die 
berekend is met AERIUS  monitor 16L. De prognose van de ontwikkeling van de stikstofdep ositie 
volgens AERIUS  monitor 16L is weergegeven in figuur 3.1 . Bij de berekening van de 
stikstofdepositie aan het eind van het eerste tijdvak is de ontwikkelingsruimte die voor dit gebied 
in dit tijdvak van het programma beschikbaar is, ingecalculeerd. De weergegeven stiksto fdepositie 
aan het eind van het eerste tijdvak van het programma is dus inclusief de uitgifte van 
ontwikkelingsruimte. Bij het ecologisch oordeel is er rekening mee gehouden dat de afname van de 
stikstofdepositie niet volgens een rechte lijn verloopt, maar  volgens een golvende dalende lijn. “Er 
is in aanmerking genomen dat het daadwerkelijk gebruik van de ontwikkelingsruimte zal variëren 
in de tijd, bijvoorbeeld als gevolg van tijdelijke projecten. In het begin van het tijdvak kan mogelijk 
tijdelijk een toe name van de stikstofdepositie plaatsvinden ten opzichte van de uitgangssituatie bij 
aanvang van het programma. Hiervan kan sprake zijn wanneer de uitgifte van ontwikkelingsruimte 
en de feitelijke benutting van die ontwikkelingsruimte sneller verlopen dan d e daling van de 
stikstofdepositie. De ontwikkelingsruimte als geheel is echter gelimiteerd. Een eventuele versnelde 
uitgifte van ontwikkelingsruimte aan het begin van een tijdvak gaat daarom altijd gepaard met een 
verminderde uitgifte van ontwikkelingsruim te op een later moment in datzelfde tijdvak en vanaf 
dat moment een versnelde daling van depositie.”  
 
Uit AERIUS  monitor 16L blijkt dat aan het eind van het eerste t ijdvak , ten opzichte van de 
referentie situatie  (2014) , sprake is van een afname van de stikstofdepositie in het gehele gebied 
met gemiddeld 1 12 mol/ha/jaar.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 216 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 217 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
217 
 8 Synthese maatregelenpakket alle habitattypen in het gebied  
De habitattypen, waarvan in het Drentsche Aa -gebied de KDW wordt overschreden, worden 
hieronder in drie categorieën onderverde eld:  
1. de habitattypen met lage vegetaties, die gebonden zijn aan de toestroom van gebufferd 
grondwater.  
2. de habitattypen met lage vegetaties, die niet gebonden zijn aan het toestromen van gebufferd 
grondwater. Deze kunnen echter wel afhankelijk zijn van hog e grondwaterstanden.  
3. de bossen.  
 
 
Ad 1. De habitattypen met lage vegetaties, die gebonden zijn aan de toestroom van 
gebufferd grondwater  
Algemeen  
Aan toestroom van grondwater gebonden habitattypen zijn H6410 (blauwgraslanden), H6230 
(heischrale graslanden)  en H7140A (trilvenen).  
Deze typen zijn vaak verdroogd en hebben mede daardoor geen goede pH -buffering. Verdroging 
leidt, vooral op organische bodems ook tot eutrofiëring. Negatieve effecten van depositie van N, in 
de vorm van verzuring en eutrofiëring wor den teniet gedaan door maatregelen, die vernatting en 
een sterkere toestroming van gebufferd grondwater tot gevolg hebben. Deze aanpassing van het 
hydrologische systeem vindt plaats door maatregelen, die verhoging van de waterstanden in de 
beek tot gevolg hebben en de aanpassing van sloten.  
  
De maatregelen liggen overigens in het verlengde van eerder uitgevoerde maatregelen in het dal. 
Hierdoor zijn de habitattypen in oppervlakte en kwaliteit sterk toegenomen, soms vanuit vrij 
voedselrijke graslanden. Het resultaat is mede ontstaan door het verschralende beheer van veelal 
maaien en afvoeren. De effecten van recente verbeteringsmaatregelen, zijn overigens nog niet 
uitgewerkt.  
 
Trilvenen (H7140A)  
Verbetering van oppervlakte en kwaliteit van trilveenvegetaties  zal in het gehele gebied 
plaatsvinden.  
 
Heischrale graslanden (H6230) en blauwgraslanden (H6410)  
Op de heischrale graslanden en blauwgraslanden wordt op een aantal locaties aanvullend geplagd 
en/of bekalkt om in de eerste beheerperiode behoud te borgen. D aarna zal hydrologisch herstel 
leiden tot vergroting van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Soms zal het type zich door 
vernatting naar een hogere plek op de beekdalflank verplaatsen. Daar waar verplaatsing niet 
mogelijk is worden de maatregelen bij  de nadere uitwerking zodanig ingevuld dat behoud wordt 
geborgd. Bijvoorbeeld door daar greppels in stand te houden.  
 
Samengevat worden in de eerste beheerplanperiode door de maatregelen behoud van oppervlakte 
en kwaliteit geborgd en kunnen in de perioden daarna de verbetering van de kwaliteit en de 
oppervlakte gerealiseerd worden.  
 
Ad 2. De habitattypen met lage vegetaties, die niet gebonden zijn aan het toestromen 
van gebufferd grondwater.  
De habitattypen, die niet gebonden zijn aan toestroom van gebuffer d grondwater zijn: H2310 , 
H2320, H2330, H3160, H4010A, H4030, H5130, H7110B, H7150. Voor deze habitattypen staat 
vast dat bij behoud en herstel eutrofiëring door stikstofdepositie een belangrijke rol speelt. In deze 
typen, voornamelijk stuifzanden, heidet ypen en veentjes, zijn vergrassing van heiden en opslag  
van bomen in de veentjes de meest zichtbare gevolgen.  
 
Het reguliere beheer in de ‘halfnatuurlijke’ heidelandschappen moet dan ook geïntensiveerd en 
aangevuld worden om de kwaliteit en kwantiteit van  de aanwezige habitattypen de waarborgen. 
Door plaggen, lokaal aangevuld met drukbegrazing, wordt voor deze habitattypen de komende 
beheerplanperiode de achteruitgang gestopt. Verdere terugloop van de stikstofdepositie met 
aanvullend beheer kan er op lange re termijn voor zorgen voor verbetering van kwaliteit en 
vergroting van oppervlak. Daarnaast worden voor de natte typen hydrologische maatregelen 
genomen voor het herstel van de hydrologie en het stoppen van de interne ontwatering. Op deze 
wijze zijn kwali teit en areaal van de habitattypen geborgd en wordt herstel mogelijk gemaakt. Juist 
deze habitattypen, die zich meestal in de inzijggebieden bevinden, zijn vaak slecht gemonitord. Om </pre>

====================================================================== Einde pagina 217 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 218 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
218 
 de ontwikkelingen in de toekomst te kunnen volgen en daar waar nodig bij te sturen wordt een 
gebiedsdekkende vegetatiekartering van de Drentsche Aa uitgevoerd, aangevuld met op typische 
soorten gericht faunaonderzoek. Dit maakt het mogelijk om de ontwikkeling van de Natura 2000 -
waarden in beeld te brengen.  
 
Heischrale graslanden komen in de Drentsche Aa op verschillende plekken met kleine oppervlaktes 
voor, vaak in complex met ander habitattypen. Van nature komt dit type hoog op de 
beekdalflanken voor waar lokaal grondwater, dat licht is aangerijkt in de winter, het maa iveld 
bereikt. In de zomer valt deze toevoer van grondwater weg. Juist dit habitattype is daardoor erg 
gevoelig voor verdroging. Een lichte ontwatering van het gebied waar het grondwater vandaan 
komt, kan er al voor zorgen dat de toevoer in de winter stopt . Daarnaast liggen de heischrale 
graslanden nu deels op plekken waarbij in een hydrologisch hersteld systeem de situatie te nat is. 
Als er teveel toevoer van grondwater is en deze in de zomer ook nog blijft bestaan, zullen de 
heischrale graslanden worden v ervangen door dotterbloemhooilanden en of blauwgraslanden. 
Echter, door locale aanpassing van die hydrologiche maatregelen bij de bestaande heischrale 
graslanden is behoud in de eerste beheerplanperiode geborgd. Daarnaast worden nieuwe 
heischrale graslande n ontwikkeld op de flanken van de beekdalen.  
 
Ad 3. Bossen  
De bostypen H9120 Beuken -eikenbos met hulst, H9190, Oude eikenbossen,  H9160A, Eiken -
haagbeukenbossen, H91E0C Vochtige alluviale bossen en H91D0 Hoogveenbossen hebben te 
maken met een te hoge stiks tofdepositie. Hiervoor worden herstelmaatregelen toegepast, 
waardoor de kwaliteit gehandhaafd blijft.  
 
Het Eiken -haagbeukenbos komt voor in deelgebied 5, 8 en 10. Alleen in deelgebied 8 betreft het 
een bosje. Verder gaat het om lijnvormige elementen. In d eelgebied 8 wordt in de eerste 
beheerplanperiode onderzocht waar en hoe de hydrologie van de Eiken -haagbeukenbossen kan 
worden verbeterd.  Daarnaast wordt hier een plan opgesteld voor de (her)introductie van hakhout 
of middenbosbeheer om het behoud van het  bos duurzaam te borgen. Voor de eerste 
beheerplanperiode zijn geen herstelmaatregelen nodig voor behoud van het habitattype. Behoud 
voor eerste periode is geborgd. Voor de langere termijn en verbetering kan het noodzakelijk zijn 
om in beheerplanperiode 2 en 3 maatregelen uit te voeren. Waarschijnlijk gaat het met name om 
verbetering van de hydrologie. Voor de overige locaties wordt de situatie nader onderzocht en 
indien noodzakelijk verbeterd. Dat kan gaan om verwijderen van wat bomen en/of strooisel.  
Uitbreiding wordt gerealiseerd in deelgebied 8 en in 10, na onderzoek.  
 
De grote oppervlakten van het bostype Oude eikenbossen met hulst vindt men in de Strubben en 
Vijftig Bunder. Een kleine oppervlakte is aanwezig in deelgebied 7.  
Aanvullende maatregelen van uit de PAS worden niet uitgevoerd in de eerste beheerplanperiode 
met uitzondering van strooiselroof in de Strubben. Als uit onderzoek blijkt dat dat ook nodig is bij 
de Vijftig Bunder wordt dat ook in de eerste periode gedaan. Het bosje in deelgebied 7 is nog goed, 
maar de vergrassing wordt in de gaten gehouden. Indien nodig vindt strooiselroof plaats in de 
periode waar nodig.  
Met de maatregelen in de eerste periode is behoud op alle locaties in de eerste, tweede en derde 
periode geborgd, ondanks de matige overschrijding van de KDW.  
Het doel (behoud van oppervlakte en kwaliteit) wordt dus reeds in de eerste periode gerealiseerd.  
 
H91E0C Vochtige alluviale bossen en H91D0 Hoogveenbossen zullen juist profiteren van de 
vernattingsmaatregelen elders. Maatregelen  die worden genomen voor beekherstel en H7140A 
zullen zorgen voor een kwaliteitsverbetering en uitbreiding van H91E0C. Hydrologisch herstel van 
veentjes en vochtige heidesystemen hebben een gunstige invloed op H91D0.  
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 218 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 219 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
219 
 9 Beoordeling maatregelen naar effectiviteit, duurzaamheid, 
kansrijkdom in het gebied  
In dit hoofdstuk worden per habitattype de effectiviteit, de duurzaamheid, de kansrijkheid en de 
leemte in kennis beschreven. Vervolgens wordt de leemte in kennis voor het hele gebied 
samengevat. In § 9.3 is de borging van de financiën en realisatie van de maatregelen beschreven. 
Vervolgens wordt de ontwikkelingsruimte beschreven en tenslotte wordt in de laatste paragraaf de 
tussenconclusie gegeven.  
 
9.1 Potentiële effectiviteit, de herhaalbaarheid en duurz aamheid  
9.1.1  Habitattypen met lage vegetaties, die gebonden zijn aan de toestroom 
van gebufferd grondwater  
Het betreft hier de habitattypen H6410 (blauwgraslanden), H6230 (heischrale graslanden) en 
H7140A (trilvenen).  
 
H7140A (trilvenen)  
De maatregelen voor tri lvenen zijn allen gericht op herstel van het hydrologisch systeem. Dit 
habitattype vereist een zeer constante waterstand. De maatregelen zijn daarop gericht. De 
maatregelen zijn in paragraaf 6.2.10 en in bijlage 1 beschreven. Naast dat er maatregelen in 
beheerplanperiode 1 worden uitgevoerd, vindt er ook onderzoek en gebiedsproces plaats in 
beheerplanperiode 1. Uit het onderzoek moet blijken of en welke maatregelen er nodig zijn voor 
verbetering van dit habitattype in beheerplanperiode 2 en 3. Behoud is geb orgd en verbetering 
(oppervlakte en kwaliteit) kan plaatsvinden in periode 2 en 3.  
 
H6410 (blauwgraslanden)  
De maatregelen voor de blauwgraslanden staan in § 6.2.8. Naast het uitvoeren van een aantal 
maatregelen m.b.t. de hydrologische situatie betreft het in de eerste beheerplanperiode vooral 
onderzoek. Op basis van het onderzoek worden in de tweede en derde beheerplanperiode zonodig 
maatregelen uitgevoegd. De maatregelen zijn vooral gericht op herstel en behoud van het 
hydrologische systeem. Naast dat er maatregelen in beheerplanperiode 1 worden uitgevoerd, vindt 
er ook onderzoek en gebiedsproces plaats in beheerplanperiode 1. Uit het onderzoek moet blijken 
of en welke maatregelen er nodig zijn voor borging van dit habitattype in beheerplanperiode 2 en 
3. 
 
Het doel is uitbreiding van en verbetering van de kwaliteit van dit habitattype.  
Gezien de trend in oppervlakte en kwaliteit is met de maatregelen behoud van kwaliteit en 
oppervlakte geborgd in de eerste beheerplanperiode.  Voor het verbeteren van de kwaliteit op het 
Eexterveld zijn in 2013 maatregelen uitgevoerd. Door monitoring aan het einde van 
beheerplanperiode wordt de kwaliteit in de gaten gehouden. Afhankelijk of de blauwgraslanden 
profiteren van het beekherstel zullen in de tweede beheerplanper iode aanvullende maatregelen 
getroffen moeten worden bij het Eexterveld.  
 
H6230 (heischrale graslanden)  
De maatregelen voor de heischrale graslanden staan in § 6.2.7. Naast het uitvoeren van een aantal 
maatregelen m.b.t. de hydrologische situatie betreft h et in de eerste beheerplanperiode vooral 
onderzoek. Op basis van het onderzoek worden in de tweede en derde beheerplanperiode zonodig 
maatregelen uitgevoegd. De maatregelen zijn vooral gericht op herstel en behoud van het 
hydrologische systeem. Naast dat e r maatregelen in beheerplanperiode 1 worden uitgevoerd, vindt 
er ook onderzoek en gebiedsproces plaats in beheerplanperiode 1. Uit het onderzoek moet blijken 
of en welke maatregelen er nodig zijn voor borging van dit habitattype in beheerplanperiode 2 en 
3. 
 
Het doel is uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. Gezien de trend in 
oppervlakte en kwaliteit is met de maatregelen behoud van kwaliteit en oppervlakte in de eerste 
beheerplanperiode geborgd. Het onderzoek in beheerplanperiode 1  is bedoeld om te onderzoeken </pre>

====================================================================== Einde pagina 219 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 220 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
220 
 welke maatregelen nodig zijn voor borging van dit doel in beheerplanperiode 2 en 3.  
9.1.2  Habitattypen met lage vegetaties, die niet gebonden zijn aan het 
toestromen van gebufferd grondwater  
H2310 (Stuifzandheiden met struikhei)  
Stuifzandheiden komen voor in de infiltratiegebieden: op het Ballooërveld (6), bij natuurbad 
Schipborg (11b), bij Vredeveld -Bremheuvel (11c), in de Strubben (11d) en in de Gastersche 
Duinen (11g). Het betreft hier over het algemeen stuifzandheide gebieden zon der de aanwezigheid 
van actief stuifzand. Alleen op het Ballooërveld is nog, hetzij zeer kleinschalig, actief stuifzand 
aanwezig. Dit is opengehouden door het militaire  gebruik, dat tot enkele jaren geleden nog 
plaatsvond.  
 
Met actief beheer is dit habitat type te handhaven in het Drentsche Aa gebied. De locaties zijn te 
klein om zelfregulerende actieve stuifzanden in te richten.  
 
Met de maatregel plaggen in de beheerplanperiode 1 worden de doelen voor stuifzandheide 
geborgd. Plaggen wordt in een beperkte om vang in een kleinschalig mozaiek uitgevoerd om zo 
negatieve effecten op de aanwezige fauna te vermijden.  
 
 H2320 (Binnenenlandse kraaiheibegroeiingen)  
Kraaiheidebegroeiingen komen op kleine schaal voor op het Ballooërveld. In de eerste 
beheerplanperiode wo rdt vooral ingezet om de beschikbare informatie over het habitattype uit te 
breiden. Verder vindt er voor het behoud in de eerste beheerplanperiode gerichte begrazing plaats 
op de vergraste delen in en rond de locatie plaats teneinde de vergrassing terug t e dringen . 
Aangezien er geen problemen zijn met bosopslag kan de kraaiheide zich door rust verder vegetatief 
uitbreiden.  
 
Met deze herstelmaatregel is behoud in de eerste beheerplanperiode geborgd. Verbetering van de 
kwaliteit van het habitattype kan in de  tweede beheerplanperiode aanvangen  
 
H2330 (Zandverstuivingen)  
Zandverstuivingen komen voor in de infiltratiegebieden op het Ballooërveld (6). Het betreft hier 
over het algemeen Zandverstuivingen die zijn ontstaan  door menselijke dynamiek. De 
Zandverstuivi ngen zijn opengehouden door het militaire gebruik, dat tot enkele jaren geleden nog 
plaatsvond.  
 
Met actief beheer is dit habitattype te handhaven in het Drentsche Aa gebied. De locaties zijn te 
klein om zelfregulerende actieve stuifzanden in te richten.  
 
Met de maatregel plaggen in de beheerplanperiode 1 worden de doelen voor Zandverstuivingen 
geborgd. Plaggen wordt in een beperkte omvang in een kleinschalig mozaïek  uitgevoerd om zo 
negatieve effecten op de aanwezige fauna te vermijden.  
 
H3160 (Zure Vennen ) 
De vennen komen verspreid door het gehele Natura 2000 -gebied voor. De kwalificerende veentjes 
vertonen de trend om zich te ontwikkelen naar heideveentjes (H7110A). Dit is echter over het 
algemeen een zeer traag verlopend proces. De juiste lokale hydrolog ische omstandigheden zijn van 
belang voor de veentjes. Aan de ene kant kan toestroom van lokaal grondwater de ontwikkeling 
van de vegetatie positief beïnvloeden. Maar ook vaak zijn de veentjes ontwaterd om te voorkomen 
dat ze overstromen. In de beheerplanp eriode 1 zal onderzoek naar deze lokale hydrologie in 
samenhang met de vegetatie (LESA) worden uitgevoerd, zodat verbeteringsmaatregelen in de 
tweede en derde beheerplanperiode uitgevoerd worden.  
 
Voor het verbeteren van de Zure Vennen worden in de beheer planperiode 1 hydrologische 
maatregelen uitgevoerd. De betreffende maatregelen zijn beschreven in paragraaf 6.2.3. De 
hydrologische toestand is met deze maatregelen op een relatief eenvoudige manier te verbeteren. 
Op grond van reeds genomen maatregelen, de  te treffen herstelmaatregelen in beheerplanperiode 
1 en het feit dat aanvullende hydrologische maatregelen eenvoudig kunnen worden getroffen, is 
gedurende eerste beheerplanperiode behoud van de vennen geborgd. Door aanvullende 
maatregelen (die op basis va n het onderzoek naar voren komen) in de tweede beheerplanperiode </pre>

====================================================================== Einde pagina 220 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 221 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
221 
 zal het habitattype in kwaliteit verbeteren.  
 
 
H4010A (Vochtige heiden)  
De grootste oppervlakte aan vochtige heiden zijn gesitueerd op het Ballooërveld. Maar ook het 
Eexterveld (10c) en de i nfiltratiegebieden de Vijftigbunder (11a), Vredeveld -Bremheuvel (11c), en 
Kampsheide (11f) dragen significant bij met oppervlaktes groter dan een hectare. De vochtige 
heide in het Anderschediep (9) maakt hier deel uit van een beekdalgradiënt met een verdro ogd 
hellingveentje.  
 
De herstelmaatregelen zorgen voor behoud van de vochtige heide. Plaggen en begrazen zorgen 
ervoor dat de kwaliteit gewaarborgd blijft terwijl hydrologisch herstel naar kwaliteitsverbetering 
ook tot uitbreiding van het oppervlak kan lei den. Met deze maatregelen in beheerplanperiode 1 
vindt borging van dit habitattype plaats. Daarnaast vindt er vegetatiekarteringen en onderzoek 
naar typische soorten in beheerplanperiode 1 plaats, zodat er gericht maatregelen in 
beheerplanperiode 2 en 3 ui tgevoerd kunnen worden.  
 
Behalve bij het Andersche diep en Eexterveld hebben de maatregelen geen uitwerking buiten de 
natura 2000 begrenzing, zodat ze goed realiseerbaar zijn. Voor het Andersediep gaan de 
maatregelen wel verder dan de Natura 2000 -grens. Di t heeft te maken met systeemherstel in het 
infiltratiegebied om het helingveentje als beekdalgradiënt te behouden.  
 
H4030 (Droge heiden)  
De grootste oppervlakte aan Droge heide is gesitueerd op het Ballooërveld. Daarnaast komen 
relatief grote oppervlaktes droge heide voor op het Eexsterveld (10c), de Vijftig Bunder (11a) en 
Vredeveld -Bremheuvel (11c).  
 
Met een combinatie van plaggen, begrazen en maaien in beheerplanperiode 1 wordt de kwaliteit en 
omvang van dit habitattype gewaarborgd. Naast de schaalaspec ten kan het plaggen niet overal 
plaatsvinden vanwege de aanwezige cultuurhistorische waarden zoals karresporen en Celtic  fields. 
Op deze plekken wordt begrazing ingezet als beheermaatregel. Op deze wijze is behoud in de 
eerste beheerplanperiode geborgd. Ui tbreiding en verbetering van het habitattype kunnen in de 
tweede en derde beheerplanperiode aanvangen.  
 
H5130 (Jeneverbesstruwelen)  
Jeneverbesstruwelen staan op de net wat hogere minerale delen rond het veentje in Kampsheide. 
Het gaat hier om grote volwas sen jeneverbessen die compact bij elkaar staan. Er lijkt niet veel 
verjonging plaats te vinden. Inbrengen van dynamiek in het systeem door kleinschalig te plaggen 
in de zoom van het Jeneverbesstruweel in de eerste beheerplanperiode helpt de verjonging weer  
op gang, hierdoor is behoud van kwaliteit en oppervlakte geborgd in de eerste beheerplanperiode. 
Daarnaast worden ook maatregelen getroffen in de jeneverbesstruwelen in de Zeegserduinen. Deze 
zijn nu nog te klein voor kwalificatie als habitattype. Door he t inbrengen van dynamiek wordt het 
struweel uitgebreid. Het behoud is in de eerste beheerplanperiode geborgd en door de te treffen 
maatregelen wordt ook op termijn behoud van de doelstellingen geborgd.  
 
H7110B  (Actieve hoogvenen)  
Voor alle Hoogveenveentjes  in de Drentsche Aa (zie ook paragraaf 5.9) geldt hetzelfde. In de 
eerste beheerplanperiode moet er een landschapsecologische analyse gemaakt worden en een 
monitoringsplan opgesteld worden. Deze analyse moet leiden tot een plan van aanpak met 
bijbehorende herstelmaatregelen. De maatregelen bestaan met name uit herstel van de lokale 
hydrologie en zijn direct uitvoerbaar omdat er geen externe werking van uit gaat. Het betreft 
maatregelen als het dempen van slootjes of het afstoppen van greppels die het 
schijn grondwaterspiegelsysteem draineren. De noodzakelijke maatregelen worden in de eerste en 
tweede beheerplanperiode uitgevoerd.  Hiermee wordt het habitattype geborgd.  
 
H7150 (Pioniersvegetaties met snavelbiezen)  
 
Pioniersvegetaties met snavelbiezen vind je op het Balooërveld, Scheebroek en op de Hoornse 
bulten. Alleen deze laatse heeft te maken met een kleine overschrijding van de KDW in de eerste 
beheerplan periode. De herstelmaatregelen die zorgen voor behoud van de vochtige heide 
(H4010A), met name plagge n,  zorgen ervoor dat de kwaliteit van H7150 gewaarborgd blijft terwijl 
door hydrologisch herstel ook tot uitbreiding van het oppervlak kan leiden. Bovenstaande in 
combinatie met de positieve trend borgen het behoud in de eerste beheerplanperiode. En zorge n 
dat de doelstelling worden gehaald in periode 2 en 3.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 221 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 222 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
222 
 9.1.3  Bossen  
Het betreft hier de habitattypen H9120 (Beuken -eikenbossen met Hulst, H9160A (Eiken -
haagbeukenbossen) , H9190 (Oude eikenbossen) H91D0 (Hoogveenbossen) en H91E0C (Vochtige 
Alluviale bossen).  
H9160A (Eiken -haagbeukenbossen)  
De maatregelen voor het habitattype Eiken -haagbeukenbosssen staan in § 5.2.14. Ze zijn gericht 
op herstel van de hydrologie en het (her)invoeren van actief beheer. Er wordt in de eerste 
beheerplanperiode onderzoek gedaan of e n welke hydrologische maatregelen uitgevoerd moeten 
worden. Mocht uit het onderzoek blijken dat herstelmaatregelen op korte termijn nodig zijn, dan 
wordt hiermee in beheerplanperiode 1 mee gestart.  
 
Het doel is uitbreiding van en verbetering van de kwalit eit. Behoud is geborgd in beheerplanperiode 
1. Door het uitvoeren van onderzoek in beheerplanperiode wordt duidelijk of en welke maatregelen 
nodig zijn voor uitvoering in beheerplanperiode 2 en 3, zodat borging op termijn aan de orde is.  
H9120 (Beuken -eikenbossen met Hulst)  
De Beuken -eikenbossen met hulst vormen in het Drentsche Aa -gebied meestal grotere 
bossengebieden met H9190 (Oude eikenbossen). De vegetatie typen komen hier ook voor het 
grootste deel overeen met het verschil dat H9120 op iet s meer leemh ouden zanden voorkomt. Het 
grootste oppervlak bevindt zich in de strubben (11d) en Vijftigbunder (11a) De eerste locatie is net 
heringericht met als doel het herstel van de Strubben (het Oude Eikenbos). Hierdoor zal ook de 
kwaliteit van H9120 in de eerste beheerplanperiode verbeteren en breidt het habitattype uit.  De 
overige veel kleinere  locaties moeten in de eerste beheerplanperiode geïnventariseerd worden op 
vegetatie kwaliteit en typische soorten. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek en de 
urgentie worden in beheerplanperiode 1, 2 of 3 maatregelen getroffen. Hiermee is behoud geborgd.  
 
H9190 (Oude eikenbossen)  
Het grootste oppervlak Oude Eikenbossen bevindt zich in de strubben (11d) en Vijftigbunder (11a) 
De eerste locatie is net heringerich t met als doel het herstel van de Strubben (het Oude Eikenbos). 
Hierdoor zal de kwaliteit van het haitattype in de eerste beheerplanperiode verbeteren en breidt 
het habitattype uit. Om een positieve trend in de eerste beheerplanperiode te verzekeren wordt 
aanvullend de strooisellaag verwijderd. De tweede locatie moet in de eerste beheerplanperiode 
geïnventariseerd worden op vegetatie kwaliteit en typische soorten. Afhankelijk van de resultaten 
van het onderzoek en de urgentie worden in beheerplanperiode 1, 2 of 3 maatregelen getroffen als 
het verwijderen van strooisel. Hiermee is behoud geborgd. Een derde locatie omvat een klein deel 
van een oude houtwal waarin oud eikenbos voorkomt. De kwaliteit van deze houtwal is goed. 
Indien in beheerplanperiode 1 blijkt  dat de wal vergrast zal de vergrassing tegen worden gegaan. 
Met de maatregelen in beheerplanperiode 1 de gestelde doelen gehaald worden.  
 
H91E0C (Vochtige alluviale bossen)  
 
De Vochtige alluviale bossen profiteren van de maatregelen die primair worden ge nomen voor de 
trilvenen. Deze  maatregelen zijn allen gericht op herstel van het hydrologisch systeem. Dit zorgt 
ervoor dat H91E0C natter wordt met meer gebufferd grondwater. Bovendien zullen de 
beekinundaties toenemen.  De maatregelen zijn in paragraaf 6. 2.10 en in bijlage 1 beschreven. 
Naast dat er maatregelen in beheerplanperiode 1 worden uitgevoerd, vindt er ook onderzoek en 
gebiedsproces plaats in beheerplanperiode 1. Uit het onderzoek moet blijken of en welke 
maatregelen er nodig zijn voor verbetering  van de hydrologie in beheerplanperiode 2 en 3. Behoud 
is geborgd en verbetering (oppervlakte en kwaliteit) kan plaatsvinden in periode 2 en 3.  
 
H91D0 (Hoogveenbossen)  
 
Hoogveenbossen komen voor in veentjes en  een slenk op het Eexterveld. Naast te hoge 
atmosferische depositie hebben deze bossen vooral te maken met verdroging. Recent genomen 
maatregelen om de hydrologie te verbeteren leid tot een verbetering in de kwaliteit  in twee van de 
drie locaties met overschrijding van de KDW. Op de derde locatie ka n de hydrologie eenvoudig 
verbeterd worden door het dempen/afdammen van een  afwateringssloot. Hierdoor is het behoud 
geborgd en kunnen de doelstellingen gehaald worden.  </pre>

====================================================================== Einde pagina 222 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 223 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
223 
 9.2 Leemten in kennis  
Deze paragraaf geeft een overzicht van de belangrijkste leemten in k ennis. Het gaat hier om 
kennis van de toestand van het systeem (vegetatie en typische soorten, hydrologisch en het 
landschapsecologisch functioneren), om kennis van effecten van maatregelen en om kennis van de 
methodiek voor het uitvoeren van maatregelen. Deze paragraaf is een samenvatting van de 
genoemde kennisleemten in hoofdstuk 5.  
9.2.1  Vegetatie en typische soorten  
Vegetatie  
Er is niet van alle deelgebieden binnen dit Natura 2000 -gebied een vegetatiekartering beschikbaar. 
Van andere gebieden is alleen een zeer gedateerde vegetatiekartering voorhanden. Om de huidige 
situatie en de trend van habitattypen in beeld te brengen is d eze informatie noodzakelijk. Van 
gebieden waar geen informatie is, moet op korte termijn de uitgangssituatie worden vastgelegd. 
Dit geld ook voor de gebieden waarvan de informatie meer dan 15 jaar oud is zoals het 
Ballooërveld. Vooral van de veentjes is we inig bekend.  
 
Het vastleggen van de uitgangsituatie is noodzakelijk om het effect van de maatregelen te kunnen 
evalueren en de in dit rapport genoemde maatregelen nader uit te werken. Voor de gevallen met 
gedateerde vegetatie -informatie geeft de vegetatie kartering ook informatie over de trend.  
 
Verschillende habitattypen worden gevonden op recent (her)ingerichte natuurgebieden waar is 
geplagd of ontgrond. Op deze locaties wordt de kwaliteit bepaald door aanwezigheid van soorten. 
Is de soort aanwezig in de zaadbank of vegetatief of kan hij het geb ied koloniseren door dispersie. 
Later in de successie worden de standplaatscondities belangrijker, zeker wanneer de vegetatie 
gesloten wordt en competitie een rol gaat spelen. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe de 
successie zal verlopen, of de habitat typen zullen uitbreiden of achteruitgaan. In deze stadia heeft 
het nog geen zin om maatregelen te formuleren voor het instandhouden van de habitattypen. Door 
het monitoren van de ontwikkeling in de successie kan, indien noodzakelijk, bijgestuurd worden in 
de 2e of 3e beheerplanperiode.  
 
Typische soorten  
Van de verspreiding van typische soorten, met uitzondering van de vaatplanten waarvan 
soortkarteringen zijn, is weing informatie beschikbaar. De beschikbare bronnen SBB en NDFF 
geven informatie of een soort  waargenomen is, maar zijn niet bedoeld of geschikt om aan te geven 
dat een soort niet aanwezig is. De typische soorten worden in de eerste beheerplanperiode in beeld 
gebracht.  
 
Het vastleggen van de uitgangsituatie is noodzakelijk om de PAS doelstellingen  te kunnen 
evalueren. Dit kan alleen geëvalueerd worden als er een ‘NULL’ meting is.  
9.2.2  Hydrologische en landschapsecologische vraagstukken  
De Drentsche Aa is een Natura 2000 -gebied waar veel grondwatergebonden doelen zijn 
geformuleerd. Het is dan ook van gr oot belang dat de hydrologie goed in beeld is op een schaal die 
past bij de doelstellingen.  
Aanpassingen aan de hydrologie die noodzakelijk zijn voor het behalen van de doelstellingen 
hebben op mogelijk  drie locaties invloed op de niet Natura 2000 -gebied en. Dit is het geval bij  het 
Eexterveld en en mogelijk bij de Zwijnmaden en Anderse Diep.  
 
 
Op het Eexterveld laten de grondwatergebonden habitattypen Heischrale graslanden en 
Blauwgraslanden een achteruitgang zien, die duiden op een verstoorde toevoer va n gebufferd 
grondwater. Tegelijkertijd is het aanliggende dal recent vernat. Het effect daarvan kan nog 
doorwerken op de habitattypen. Uit onderzoek moet blijken of dit afdoende is voor uitbreiding van 
kwaliteit en oppervlakte of dat aanvullende maatregele n nodig zijn, zoals het vernatten van het 
omliggende landbouwgebied of aanpassingen aan de waterwinning Breevenen.  
 
De Zwijnmaden is een zandwinplas die diep grondwater afvangt. Dit water komt nu niet meer in </pre>

====================================================================== Einde pagina 223 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 224 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
224 
 het beekdal terecht maar wordt afgevoerd via ee n sloot naar het Noord -Willemskanaal. Afhankelijk 
van het eerder genoemde onderzoek naar het hydrologische invloed van deze plas kunnen 
maatregelen buiten de Natura 2000 begrenzing noodzakelijk zijn.  
 
Voor het Eexterveld en de aanwezige zandwingaten, waarv an de Zwijnmaden de grootste is, zijn 
nog onduidelijkheden over de hydrologie. Deze worden in de eerste beheerplanperiode in beeld 
gebracht.  
 
Ten zuiden van het westelijke deel van het Anderense Diep ligt een gebied, waarvan onderzocht 
gaat worden of dit een relatie heeft met het cluster van kwalificerende vegetaties.  
 
Van geheel andere schaal zijn de veentjes, die verspreid in het gebied liggen. Naast het gebrek aan 
kennis van de vegetatie is onduidelijk hoe hun landschapsecologische positie met de omgev ing is 
en hoe de relatie is met het oppervlaktewater en grondwater. Herstel is bij dergelijke locaties 
mogelijk door kleinschalige maatregelen als het dempen van waterafvoerende sloten. Door het 
uitvoeren van onderzoek wordt duidelijk waar wat aanvullend m oet gebeuren.  
 
Maatregelen in het Natura 2000 -gebied die effect hebben op de hydrologie (oppervlakte - en 
grondwater)  en maatregelen betreffen zoals beekbodemverhoging/waterstandsverhogende 
maatregelen beek, dienen te worden voorafgegaan door een LESA of an der onderzoek om 
mogelijkheden en mogelijke effecten in beeld te brengen. Het betreft onder meer ook 
aanpassingen van de interne ontwatering in grote gebieden.  
 
Er staan door het gehele gebied peilbuizen. Ook ten behoeve van N2000 zijn extra peilbuizen 
geplaatst. Het is zinvol het peilbuizennet ook tegen het licht van bovengenoemde vragen te houden 
en waar nodig aan te passen.  
 
Er is een onderzoek nodig naar de mogelijkheden voor ontwikkeling van Eiken -haagbeukenbossen 
(H9160A) van voldoende omvang. De omvang van de huidige bossen zijn klein (zie paragraaf 
5.11).   
 
Ten slotte, om goed hydrologisch systeemherstel uit te voeren is gedegen vooronderzoek 
noodzakelijk (LESA;  landschapsecologische systeemanalyse ). Dit onderzoek en de uitwerking tot 
concrete maatregelen is gepland in de eerste beheerplanperiode, waarna in de tweede en derde 
periode de maatregelen kunnen worden uit gevoerd.  
 
De methode om de bodem van de beek en de waterstanden te verhogen zijn no g in onderzoek. 
Weliswaar biedt het project “Beek op peil” handvatten, maar het is zinvol voor alle aan te passen 
beekdelen de meest geschikte methode te kiezen. Daarvoor wordt in een bredere beek en in een 
smalle beek een proef uitgevoerd. Bij dit onderzo ek spelen ook de doelen, voortkomend uit de 
Kaderrichtlijn water (KRW) en WB21 ook een rol.  
 
Het gaat hier om de vraag hoe iets moet plaats vinden  en in welke mate . De positieve effecten 
richting de habiatattypen komen hiermee niet in het geding.  
9.2.3  Kennis va n effecten van maatregelen  
Monitoring is noodzakelijk om te kunnen achterhalen wanneer de herstelmaatregelen het beoogde 
effect hebben. Op basis daarvan kan het noodzakelijk zijn het beheer en/of de inrichting lokaal aan 
te passen, zodat aan de PAS -doelste lling wordt voldaan.  
 
9.3 Borging financiën en realisatie van de maatregelen  
De maatregelen in deze gebiedsanalyse zijn geborgd. De provincie  Drenthe is verantwoordelijk 
voor de regie op de uitvoering van dit plan voor alle planperioden. De provincie zal daar om in 
overleg met beheerders en andere direct betrokkenen zorgen dat de maatregelen worden 
uitgevoerd. De provincie doet dit door overeenkomsten of contracten af te sluiten met de relevante 
partijen (terreinbeheerders, medeoverheden en ondernemers). In die  contracten wordt vastgelegd 
welke prestaties er worden geleverd, en welke financiering of beleidsruimte daar tegenover staat. 
De eerste contracten worden in 2015 afgesloten.  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 224 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 225 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse      versie 15 december 2017  
225 
 Raming grondkosten en raming maatregelen/acties  
Voor grond is een (ruime) grondp rijs gerekend van € 40.000, -/ha. Dit is inclusief aktes en overleg 
etc. 
 
Tabel 9 -77 Grondkosten  
code 
 ha kosten 
(1000€)  
1 Binnen N2000, begrensd als nieuwe natuur  240 9.580 
2 Buiten N2000, maar begrensd als nieuwe natuur  392 15.672  
4 Extra nodig voor doelen, buiten N2000, niet begrensd  15 600 
 Totaal  677 25.852  
 
Van de grond van rij 1 is ongeveer de helft PAS -gerelateerd. Van de tweede rij i s een deel ook 
PAS-gerelateerd, r ij 3 niet.  
 
Voor de financiering van de maatregelen is een raming opgesteld. Het gaat dus om de kosten voor 
de inrichting, voor het (niet -reguliere) beheer en voor onderzoek. Het gaat ook om karteringen, 
voor zover ze niet regulier zijn.  
 
Onderstaande tabel (9.3) geeft de geraamde kosten van de maatregelen, (niet -regulier) beheer en 
onderzoek. De kosten zijn inclusief staartkosten. Er is met 25% onvoorzien rekening gehouden. De 
kosten zijn niet geïndexeerd.  
Tabel 9.3 Raming kosten PAS maatregelen in K€  
 PAS 
exclusief BTW  15.953  
BTW (21%)  3.350 
Inclusief BTW  19.303  
 
De raming is onderbouwd in een apart document (Kostenraming Beheerplan Drentsche Aa).  
 
Borging realisatie  
In het algemeen geldt dat het bevoegd gezag (in het uitvoeringstraject) kan besluiten na nadere 
toetsing om herstelmaatregelen geheel of gedeeltelijk aan te passen. Aanleiding voor een nadere 
toetsing kan liggen in informatie die uit de zienswijzen naar vo ren is gekomen of uit nader overleg 
met omwonenden, gebruikers, uitvoerende partijen en/of terreinbeheerders.  
Als randvoorwaarde geldt hierbij dat met een aangepaste of andere maatregel minimaal hetzelfde 
ecologisch effect moet worden bereikt en dit niet leidt tot minder ontwikkelingsruimte. Een 
(herstel)maatregel kan worden vervangen of op een andere manier worden uitgevoerd op grond 
van artikel 19ki, tweede lid, van het wetsvoorstel tot aanpassing van de Natuurbeschermingswet 
1998 in verband met de PAS. Zie voor de randvoorwaarden ook de tekst van het wetsvoorstel.  
 
Begrazing is een belangrijke maatregel in de Herstelmaatregelen  voor het Drentsche Aa gebied. 
Gedeputeerde staten gaat in gezamenlijkheid zoeken naar een goede invulling van een nieuwe 
regeling voor gescheperde schaapskuddes met als resultaat een duurzame oplossing voor de 
instandhouding van de gezichtsbepalende gesch eperde schaapskuddes. De provincie Drenthe zal 
daarbij de verschillende financieringsmogelijkheden uit bijvoorbeeld de PAS -maatregelen in kaart 
brengen.  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 225 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 226 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa — PAS-Gebkiedsana , se „ersie 15 december 2017    9.4 Tussenconclusie    Ondanks de eerder genoemde overschrijding van de kritische depositiewaarden, wordt door de  uitvoering van de herstelmaatregelen de kwaliteit van de aangewezen habitattypen en habitats van  soorten gewaarborgd. Het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van alle soorten en  habitattypen blijft door het uitvoeren van de herstelmaatregelen ook in de tijdvakken 2 en 3  mogelijk.    AERIUS M16L vs AERIUS M15    De geactualiseerde depositie data van M16L zijn getoetst aan eerdere depositie data (o.a. M15,  M14). Daaruit blijkt dat er nog steeds sprake is van een dalende trend. Dit is geanalyseerd in tijd  (referentiesituatie - 2020 - 2030) en gerelateerd /afgezet tegen de afgesproken  herstelmaatregelen. Op basis daarvan is het ecologisch oordeel in stand gebleven.    De categorisering van de habitattypen valt voor de meeste habitattypen in de categorie 1b. Een  nadere uitwerking per deelgebied is gegeven hoofdstuk 6 en in bijlage 1.    Tabel 9.3 Beoordeling huidige situatie en doelstelling van de habitattypen waarvoor in het kader  van de PAS herstelmaatregelen worden genomen.    Habitat- Categorie Onderbouwing   type   H2310 Stuifzandheiden met De stuifzandheiden komen met name voor in de infiltratie   struikhei gebieden en op het Ballooërveld. Behalve door de te hoge   stikstofdepositie worden ze met name bedreigd door het  gebrek aan dynamiek waardoor door bodemontwikkeling dit  type verloren dreigt te gaan. De kleinschaligheid van de  stuifzandheiden maakt actief beheer noodzakelijk. Met de  voorgestelde herstelmaatregelen, waarvan plaggen de  belangrijkste is, is het behoud in de eerste  beheerplanperiode geborgd en kan het gestelde doel  (verbetering van de kwaliteit) voor dit habitattype in  periode 2 of 3 gerealiseerd worden.    Zandverstuivingen worden ze met name bedreigd door het  gebrek aan dynamiek waardoor door bodemontwikkeling dit  type verloren dreigt te gaan. De kleinschaligheid maakt  actief beheer noodzakelijk. Met de voorgestelde  herstelmaatregelen, waarvan plaggen de belangrijkste is, is  het behoud in de eerste beheerplanperiode geborgd en kan  het gestelde doel (verbetering van de kwaliteit) voor dit  habitattype in periode 2 of 3 gerealiseerd worden.         H2320 Binnenlandse 1b Dit type komt op een kleine oppervlakte voor op het  kraaiheibegroeiingen Ballooérveld. Er is sprake van overschrijding van de KDW.  Gerichte begrazing tussen en rond de kraaiheidevlakken  gaat de vergrassing tegen. Behoud in de eerste periode is  geborgd. Daarnaast kan, hoewel dat niet een  instandhoudingsdoel is, de oppervlakte vergroot worden.  Hiermee is de vlek wat robuuster en daarmee duurzamer en  kan de kwaliteitsverbetering (wel een instandhoudingsdoel)  in periode 2 of 3 plaatsvinden.    H2330 Zandverstuivingen    226</pre>

====================================================================== Einde pagina 226 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 227 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa — PAS-Gebiedsanalyse versie 15 december 2017    Habitat- Categorie Onderbouwing  type    H3160 Zure vennen Zure vennen komen op verschillende locaties voor in het  Drentsche Aa gebied. De eerste beheerplanperiode wordt  gebruikt om de actuele kwaliteit van vennen van de  habitattypekaart in beeld te brengen en ook vennen te  lokaliseren, die niet goed zijn onderzocht. Daarnaast moet  de hydrologische situatie in beeld worden gebracht en daar  waar nodig wordt deze verbeterd door hydrologische  maatregelen uit te voeren.   De overschrijding van de KDW is veelal hoog. Voor behoud  is het daarom van belang dat vroegtijdig, al in de eerste  beheerplanperiode, maatregelen worden uitgevoerd. Voor  een deel van de vennen, o.a. bij het Balloërveld, zijn al  maatregelen geformuleerd. Dat zijn met name  hydrologische maatregel. Voor andere moeten de  maatregelen opgesteld worden op basis van bovengenoemd  onderzoek. Het zal meest gaan om maatregelen als het  dempen van sloten en het verwijderen van duikers. Deze  zijn over het algemeen makkelijk te realiseren. Bij een  aantal vennen moeten verbeteringsmaatregelen van het  verleden nog tot resultaat leiden (o.a. in deelgebied 10C).  Door uitvoering van de maatregelen (reeds in de eerste  periode) is behoud geborgd en vindt kwaliteitsverbetering in  periode 2 of 3 plaats.    Vochtige heiden Vochtige heiden zijn gesitueerd op verschillende plekken,  meest buiten het beekdal. De grootste locatie is te vinden  op het Ballooërveld. Naast vergrassing en verzuring door de  te hoge stikstofdepositie is verdroging een belangrijk  knelpunt. De overschrijding van de KDW verschilt sterk van  gebied tot gebied, maar is nooit erg hoog. In de kern van  het gebied, het Balloërveld, is die overschrijding maar voor  een beperkt deel van de vlakken, en in de tijd voor een  steeds beperkter deel van de vlakken aanwezig. Door het  bestrijden van de verdroging, ondermeer door afdammen  van tankgrachten en dempen van slootjes, in combinatie  met plaggen en begrazen wordt behoud in de eerste  periode geborgd. Op een aantal plekken, ondermeer op het  Ballooërveld vindt zowel uitbreiding van areaal als kwaliteit  plaats. Op een aantal locaties (deelgebied 3 en 8) vindt  geen uitbreiding van areaal én verbetering van kwaliteit  plaats, maar alleen verbetering van de kwaliteit.    Kartering, monitoring en LESA is op meerdere locaties nodig  voor finetuning van de maatregelen.    H4030 Droge heiden De verspreiding van droge heiden heeft zijn zwaartepunt in  de infiltratiegebieden en op het Ballooërveld. Op een aantal  locaties is de situatie onvoldoende bekend of zijn de  inventarisatiegegevens niet actueel genoeg. Daarom vinden  een aantal extra karteringen plaats.   De heide heeft last van vergrassing door de te hoge  stikstofdepositie. Door kleinschalig te plaggen en waar dat  om archeologische reden niet kan, intensiever te begrazen  wordt behoud in de eerste periode geborgd. Dit is mede  afdoende omdat de KDW niet sterk wordt overschreden.  Uitbreiding van oppervlakte en kwaliteit is geen doel in dit  gebied.    227    </pre>

====================================================================== Einde pagina 227 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 228 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa — PAS-Gebiedsanalyse versie 15 december 2017    Habitat- Categorie Onderbouwing  type    H5130 Jeneverbesstruwelen Jeneverbesstruwelen komen voor op Kampsheide. Het  achterblijven van verjonging is een knelpunt voor de  instandhouding op langere termijn. Doel is hier: handhaving  opperviakte en verbetering van de kwaliteit. In de eerste  beheerplanperiode wordt strooisel verwijderd. Dit is gericht  op verjonging. Daarnaast wordt een plan opgesteld voor  herstel in de toekomst.    Met het verwijderen van het strooisel en het gegeven dat  het struweel nu nog vitaal is zal, ondanks de vrij sterke  overschrijding van de KDW, behoud van het habitattype zijn  geborgd. De maatregelen uit het nog op te stellen plan  moeten verbetering van de kwaliteit in periode 2 en 3  realiseren.    Het plan betreft ook ontwikkeling van struweel elders, waar  verbossing er toe heeft geleid dat het struweel niet (meer)  de kwalificatie van het habitattype heeft.    Heischrale Het prioritaire habitattype Heischrale graslanden is een type  graslanden waarbij doelrealisatie meer inspanning vraagt dan    gemiddeld. Voor het realiseren van de doelen moet ook  buiten het Natura-2000 gebied maatregelen worden  genomen.    De overschrijding van de KDW bij de aanwezige heischrale  graslanden is fors, mede door de lage KDW van het type.  De Stikstof heeft een vermestend en verzurend effect. Het  bufferend vermogen van de bodem is voor dit type zeer  belangrijk en kan door herstel van het hydrologisch  systeem verbeterd worden. Op een aantal plekken is nog  niet geheel duidelijk hoe dat te doen. Daarvoor is onderzoek  nodig. Waar recent in het verleden dergelijke maatregelen  zijn genomen (ondermeer bij het Eexterveld) wordt  afgewacht. Waar mogelijk worden hydrologische  maatregelen vlot genomen. Waar nog onduidelijk is hoe het  systeem te herstellen en waar risico is op verslechtering,  wordt vooruitlopend op het onderzoek bekalkt en op één  locatie geplagd.    Met de maatregelen is behoud in de eerste periode geborgd.  Uitbreiding van oppervlakte en verbetering van de kwaliteit  (de kan in periode 2 en 3 plaats vinden.         228</pre>

====================================================================== Einde pagina 228 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 229 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa — PAS-Gebiedsanalyse versie 15 december 2017    Habitat- Categorie Onderbouwing  type    Blauwgrasland Het habitattype ligt wat lager in de gradiënt dan de  Heischrale graslanden, maar ook hier is de toevoer van  voldoende gebufferd grondwater een beperking. Voor dit  type worden dan ook dezelfde hydrologische maatregelen  uitgevoerd als bij heischrale graslanden.  Gezien de trend in oppervlakte en kwaliteit is met de PAS  maatregelen en de in 2013 uitgevoerde maatregelen  behoud van kwaliteit en oppervlakte geborgd in de eerste  beheerplanperiode. Voor de periode daarna moet voor een  duurzaam behoud en realisatie van de doelen een grotere  inspanning geleverd worden. In de eerste  beheerplanperiode moet ook onderzoek worden gedaan hoe  de lokale hydrologie van het Eexterveld te verbeteren,  waaruit maatregelen kunnen voortkomen die in  beheerplanperiode 2 en 3 kunnen worden uitgevoerd om de  instandhouding van dit habitattype te borgen en de  oppervlakte te vergroten en de kwaliteit te verbeteren.    H6430A Ruigten en zomen Geen overschrijding van de KDW.  (Moerasspirea)    Actieve Hoogvenen Heideveentjes, actieve hoogvenen, komen voor bij de weg   (Heideveentjes) Oude molen-Gasteren, de Strubben en op het Ballooërveld  in het Drentsche Aa gebied. In de eerste beheerplanperiode  wordt de actuele kwaliteit van de aanwezige veentjes en de  hydrologische situatie in beeld gebracht. Indien uit het  onderzoek blijkt dat maatregelen nodig zijn, zullen  maatregelen worden uitgevoerd. Het gaat daarbij om  maatregelen als het verwijderen van duikers en het dempen  van waterafvoerende sloten. Soms ook om het verwijderen  van bos.    Waar nodig worden de maatregelen in beheerplanperiode 1  gestart. Met deze maatregelen wordt de achteruitgang in de  eerste beheerplanperiode gestopt. Met de aanvullende  maatregelen wordt verbetering van de kwaliteit gerealiseerd  in periode 2 of 3.   Niet alle veentjes zijn gelokaliseerd. Soms zijn veentjes  verbost, maar in potentie nog goed. Er vindt een aanvullend  onderzoek plaats om deze veentjes op te sporen en te  ontwikkelen.    Overgangs- en Overgangs- en Trilvenen zijn verspreid overal in de   trilvenen (trilvenen) beekdalen aanwezig. Het habitattype heeft zich de laatste  jaren sterk kunnen uitbreiden door de reeds genomen  vernattingsmaatregelen. Ook is er sprake van een lichte  kwaliteitsverbetering,    De overschrijding van de KDW is beperkt.    De maatregelen zijn gericht op het realiseren van stabiel  hoge grondwaterstanden met kwel, welke naast een  reductie van de stistofdepositie van groot belang is. Het  betreft beekpeilverhogingen, aanpassing van de  detailontwatering en sloten en ontpoldering.    Behoud is geborgd. De reeds uitgevoerde en de  voorgestelde maatregelen zullen de oppervlakte van dit  habitattype op bijna alle locaties waar het type aanwezig is  vergroten en de kwaliteit verbeteren.         229</pre>

====================================================================== Einde pagina 229 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 230 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa — PAS-Gebiedsanalyse versie 15 december 2017    Habitat- Categorie Onderbouwing  type    H7150 Pioniersvegetatie De herstelmaatregelen die zorgen voor behoud van de   met snavelbiezen vochtige heide (H4010A), met name plaggen, zorgen  H9120 Beuken-eikenbossen  met hulst    ervoor dat de kwaliteit van H7150 gewaarborgd blijft terwijl  door hydrologisch herstel ook tot uitbreiding van het  oppervlak kan leiden. Bovenstaande in combinatie met de  positieve trend borgen het behoud in de eerste  beheerplanperiode. En zorgen dat de doelstelling worden  gehaald in periode 2 en 3.    De grote oppervlakten van het bostype Beuken-eikenbossen  met hulst vindt men in de Strubben en Vijftig Bunder. Een  kleine oppervlakte is aanwezig op ander locaties.    Aanvullende maatregelen vanuit de PAS worden niet  uitgevoerd in de eerste beheerplanperiode.    Met reguliere maatregelen en recent uitgevoerde  herstelmaatregelen is behoud op alle locaties in de eerste,  tweede en derde periode geborgd, ondanks de matige  overschrijding van de KDW.    De grote oppervlakten van het bostype Oude eikenbossen  vindt men in de Strubben en Vijftig Bunder. Een kleine  oppervlakte is aanwezig in deelgebied 7.    Aanvullende maatregelen vanuit de PAS worden niet  uitgevoerd in de eerste beheerplanperiode met uitzondering  van strooiselroof in de Strubben. Als uit onderzoek blijkt dat  dit ook nodig is bij de Vijftig Bunder wordt dat ook in de  eerste periode gedaan. Het bosje in deelgebied 7 is nog  goed, maar de vergrassing wordt in de gaten gehouden.  Indien nodig vindt strooiselroof plaats in de periode waar  nodig.   Met de maatregelen in de eerste periode is behoud op alle  locaties in de eerste, tweede en derde periode geborgd,  ondanks de matige overschrijding van de KDW.   Het doel (behoud van oppervlakte en kwaliteit) wordt dus  reeds in de eerste periode gerealiseerd.         H9160A Eiken Op de meeste plaatsen zijn de Eiken-haagbeukenbossen  Haagbeukenbossen geen bossen, maar brede houtwalen. Alleen bij de Houtes   bij Ekehaar vormt het een bos met het aanliggende  Beuken-Eikenbossen. De omvang is dan ook het grootste  knelpunt voor een goede functionaliteit.  De overschrijding van de KDW is in het bos bij de Holtes vrij  hoog. Het is niet te verwachten dat het nu nog goed  ontwikkelde bos bij de Holtes achteruit gaat. Behoud in de  eerste periode is geborgd. Onderzoek naar de zin en de  mogelijkheden voor behoud op de langere termijn door  hydrologische maatregelen voor handhaving/herstel van de  buffering of anderszins worden onderzocht. Ook worden de  mogelijkheden voor uitbreiding van dit (te) kleine bos  onderzocht. Deze mogelijkheden lijken ruim aanwezig.  Ook op de andere locaties is behoud in de eerste periode  geborgd. Uitbreiding is waarschijnlijk goed mogelijk in het  Gasterse Holt. Dit wordt onderzocht.  Bij uitvoering van de maatregelen kunnen de doelen,  verbetering van oppervlakte en verhoging van kwaliteit, in  periode 2 of 3 worden gerealiseerd.    H9190 Oude eikenbossen    230</pre>

====================================================================== Einde pagina 230 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 231 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa — PAS-Gebiedsanal, se versie 15 december 2017    —    H91D0 on Recent genomen maatregelen om de hydrologie te  verbeteren leid tot een verbetering in de kwaliteit in twee  van de drie locaties met overschrijding. Op de derde locatie  kan de hydrologie eenvoudig verbeterd worden door het    dempen/afdammen van een afwateringssloot. Hierdoor is  het behoud geborgd en kunnen de doelstellingen gehaald    H91E0C Vochtige alluviale De Vochtige alluviale bossen profiteren van de maatregelen  bossen die primair worden genomen voor de trilvenen. Deze  maatregelen zijn allen gericht op herstel van het   hydrologisch systeem. Dit zorgt ervoor dat H91EOC natter   wordt met meer gebufferd grondwater. Bovendien zullen de    beekinundaties toenemen. Behoud is geborgd en  verbetering (oppervlakte en kwaliteit) kan plaatsvinden in  periode 2 en 3.    Wetenschappelijk gezien is er redelijkerwijs geen twijfel dat de instandhoudingsdoelstellingen op   termijn worden gehaald. Behoud is geborgd, dus verslechtering wordt voorkomen. 'Verbetering van de   kwaliteit of ‘uitbreiding van de oppervlakte’ van de habitattypen of leefgebieden zal in de gevallen  Istelli het ijdvak    Wetenschappelijk gezien is er redelijkerwijs geen twijfel dat de instandhoudingsdoelstellingen op  termijn kunnen worden gehaald. Behoud is geborgd, dus verslechtering wordt voorkomen.  ‘Verbetering van de kwaliteit’ of ‘uitbreiding van de oppervlakte’ van de habitattypen of leefgebieden  kan in de gevallen waarin dit een doelstelling is in een tweede of derde tijdvak van dit programma    Wetenschappelijk gezien zijn er twijfels of de achteruitgang zal worden gestopt en of er uitbreiding  van de oppervlakte of verbetering van de kwaliteit van de habitattypen of leefgebieden zal  plaatsvinden         Het gebied als geheel valt daarmee in categorie 1b.  Door de monitoring van de habitattypen en de grondwaterstanden worden de ontwikkelingen in de    deelgebieden gevolgd. Blijkt uit deze monitoring dat de situatie anders is dan hiervoor is  beschreven, dan worden extra maatregelen ingezet (‘hand aan de kraan’).    231</pre>

====================================================================== Einde pagina 231 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 232 ======================================================================

<pre>    10 Monitoring    De totale PAS-monitoring is beschreven in hoofdstuk 6 van het PAS programma. Verder is er een  PAS-Monitoringsplan dat beschrijft welke informatie nodig is en wat daarvoor gemonitord wordt en  zijn er standaarden voor de werkwijze van monitoring en beoordeling PAS waarin de procedures  beschreven zijn voor de verzameling en interpretatie van data.   Ten behoeve van de PAS-monitoring wordt per Natura-2000 gebied jaarlijks een gebiedsrapportage  opgesteld met als doel de ontwikkeling van de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van  soorten en de voortgang van de uitvoering van de herstelmaatregelen in beeld te brengen.   De gebiedsrapportage bevat:    © Presentatie van stand van zaken natuurontwikkeling en uitvoering herstelmaatregelen op  gebiedsniveau:   o Geactualiseerde informatie over omvang en kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen  en leefgebieden van soorten (eenmalig per tijdvak, zodra beschikbaar)   o De procesindicatoren zodra relevant) en de informatie op basis van de indicatoren   o Verslag van jaarlijks veldbezoek (ontwikkelen de stikstofgevoelige habitattypen en  leefgebieden van soorten zich volgens verwachting)   o Verslag van voortgangsoverleg over de ontwikkeling van natuurkwaliteit en uitvoering en  effecten van herstelmaatregelen tussen voortouwnemers/ bevoegd gezag en uitvoerende  organisaties/terreinbeheerders.   o Inzicht in de voortgang van de voorbereiding en uitvoering van (gewijzigde)  herstelmaatregelen   o Aanvullende monitoring en onderzoek zoals beschreven in de gebiedsanalyses (inhoudelijke  resultaten uit aanvullende monitoring en onderzoek, wanneer relevant)    @ Evaluatie monitoringssystematiek, ten behoeve van eventuele verbeteringen van de  monitoring.    @ Samenvatting van relevante signalen over bovenstaande onderdelen.    Procesindicatoren worden gebruikt om de voortgang van het herstelproces als gevolg van het  uitvoeren van een bepaalde herstelmaatregel te volgen. De procesindicatoren worden ingezet bij  het uitvoeren van die herstelmaatregelen, waarbij de planning van de uitvoering van de ‘meting’  zodanig wordt gekozen dat zij logisch is ten opzichte van de responstijd van de herstelmaatregel.  Informatie op basis van procesindicatoren wordt opgenomen in de gebiedsrapportages. Vijf jaar na  inwerkingtreding van dit programma wordt de informatie op basis van de procesindicatoren benut  voor de evaluatie en actualisatie van de gebiedsanalyses ten behoeve van het volgende tijdvak van  dit programma. Ook wordt informatie op basis van procesindicatoren betrokken bij  doorontwikkeling van de herstelmaatregelen en voor onderzoek in het kader van geconstateerde  kennisleemtes.    Voor het gebied Drentse Aa zal daarnaast de volgende aanvullende monitoring plaatsvinden  In Tabel 10.1 zijn deze doelen uitgewerkt. Tabel 10.1 geeft ook inzicht in de mate waarin  deelvragen al door bestaande monitoringsafspraken worden gedekt.    B Uitvoering en financiering geheel via bestaande programma’s mogelijk  Uitvoering en financiering op dit moment via bestaande programma’s gedeeltelijk  mogelijk  Uitvoering en financiering niet via bestaande programma's mogelijk    Afkortingen:   SNL : Subsidiestelsel Natuur en Landschap (Provincies)   KRW : Kaderrichtlijn Water (Waterschappen)   NEM : Netwerk ecologische monitoring (overheden en particuliere gegevens leverende  organisaties)   PAS : Programmatische aanpak stikstof (Rijk en Provincies)    232</pre>

====================================================================== Einde pagina 232 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 233 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa —- PAS-Gebiedsanalyse    Evaluatie van de instandhoudingsdoelen    Vragen waarvan de antwoorden | Thema’s Opmerkingen  (informatie) tijdens de   evaluatie beschikbaar moeten   zijn:    Nulsituatie Habitattypen Alleen nodig voor de volgende gebieden en habitattypen, wanneer er  vóór 2020 i.h.k.v. de SNL geen vegetatiekartering wordt uitgevoerd:  Andersche diep, Westersche Veld van Rolde en de habitattypen H3160  Zure vennen en H7110B Actieve hoogveentjes (heideveentjes  Watervegetatie/- Geen onderdeel van SNL- of KRW-monitoring.  planten in beeklopen Het Waterschap heeft gegevens van een aantal beektrajecten    Herstel beekdalgradiënt en SNL; KRW; Meetnet  beeklopen. Werdroging’    incl. structuur en  functie.  Aanwezigheid en/of omvang  populaties van een aantal soorten  en soortgroepen met een  instandhoudingsdoel    Aanwezigheid en verspreiding Ook WMD heeft gegevensbestanden   typische soorten Mossen | Wordt meegenomen als onderdeel van de vegetatiekartering.  Paddenstoelen | NEM |  _Haften |  Ook WMD heeft gegevensbestanden  Zoogdieren ____[NEM |   Aanwezigheid en/of omvang    leefgebied habitatsoorten         233</pre>

====================================================================== Einde pagina 233 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 234 ======================================================================

<pre>    1    Drertsche Aa — PAS-Gebiegsenae ‚se    c    Evaluatie van de instandhoudingsdoelen    Hydrologie Grondwaterstanden. Meetnet ‘Verdroging’ Voor de TBO’s geen onderdeel van de SNL-normering.    en Waterschap  Voor de TBO's geen onderdeel van de SNL-normering.  Waterwinbedrijven.    Uitvoering maatregelen, gebruik en | Registratie welke Registratie maatregelen zijn geen onderdeel van de SNL-normering.  beheer. maatregelen waarom,  hoe en wanneer zijn    Landelijke en provinciale | Via SNL wordt 1 x 12 jaar een vegetatiekartering uitgevoerd. Dit is een  monitoring PAS, SNL; lagere frequentie dan de PAS voorstelt.  KRW en NEM    Meten van de abiotiek (m.n. hydrologie) is geen onderdeel van de SNL-  normering en is dus niet financieel gedekt.  Maatregelen Landelijke monitoring Registratie maatregelen geen onderdeel van de SNL-normering en zijn  PAS dus niet financieel gedekt.    Via SNL wordt 1 x 12 jaar een vegetatiekartering uitgevoerd. Dit is een  lagere frequentie dan de PAS voorstelt.         Ontwikkelruimte    Uitvoering van de monitoring geschiedt op basis van de financiering van de SNL en het NEM. De financiering van de NEM is op dit moment toegezegd t/m  2016 en dient daarna te worden verlengd.    234</pre>

====================================================================== Einde pagina 234 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 235 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse  
235 
 11 Eindconclusie  
In deze gebiedsanalyse is o.b.v. de best beschikbare wetenschappelijke kennis inzichtelijk gemaakt 
en onderbouwd dat, ge geven de in deze analyse geschetste depositieverloop waar binnen de te 
verwachten uitgifte van ontwikkelingsruimte is meegewogen en gegeven de staat van 
instandhouding, de trend en de afstand tot de KDW van de betrokken habitattypes en leefgebieden 
van soo rten alsmede door de positieve effecten van geborgde uitvoering van maatregelen er met 
de uitgifte van ontwikkelruimte er in het gebied met zekerheid geen aantasting plaatsvindt van de 
natuurlijke kenmerken van het gebied. Er treedt met de uitgifte van ont wikkelingsruimte bij het in 
deze gebiedsanalyse geschetste depositieverloop en bij de uitvoering van de in deze 
gebiedsanalyse genoemde en geborgde maatregelen op habitatniveau geen verslechtering op, 
behoud gedurende de eerste PAS periode is geborgd en da ar waar uitbreidings - en of 
verbeterdoelen aan de orde zijn, geldt dat deze op termijn behaald kunnen worden ondanks de 
uitgifte van ontwikkelingsruimte.  
 
Eveneens is op basis van de best beschikbare wetenschappelijk kennis beoordeeld dat de te treffen 
passende maatregelen in deze gebiedsanalyse geen negatieve effecten hebben op andere 
instandhoudingsdoelen in het gebied.  
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 235 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 236 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse  
236 
 12 Bijlagen  
1 Detaillering categorie -indeling habitattypen en maatregelen.  
2 Habitatypenkaart : per deelgebied bijgevoegd in hoofdstuk 4  
3 Kaart met maatregelen : per deelgebied bijgevoegd in hoofdstuk 4  
4 Maatregelentabel uit AERIUS  monitor 16L. 
5 Bijlage 5: Soorten met stikstofgevoelig leefgebied binnen N2000 -gebied Drentsche 
Aa 
 </pre>

====================================================================== Einde pagina 236 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 237 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa - PAS-Gebiedsanalyse    BIJLAGE 1 -— detaillering categorie-indeling habitattypen en maatregelen.    Stuifzandheiden met  nano | ruler | — | = | > | dectgeied2 | 0,28 [netsowezg| verweren | gn || oe je oe |  vn (geen) | | jeeemese| os | man | mts | mom [ame || om | jorn  Stuifzandheiden met deelgebied  MSI Nulde ee LN | > Ge | ses | meto | netbekend | paogen {smbel | ab | 2aacha | 42° | 216 ha |    12320 |Weameegocingen | =| = | > desse | 023 | meto | nietbekend | beorng sabel tb | sina | |  2330 | Stufzanden lg eebid 6 571 ti mit bekend leggen stabiel tb 55    > deelgebied 7 niet bekend  LESA         Beken en rivieren  waterplanten overschrekdin  (waterranonkels    237</pre>

====================================================================== Einde pagina 237 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 238 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa - PAS-Gebiedsanalyse    Vochtige heiden  H4010A | (hogere  dgronden    H4010A | (hogere    Vochtige heiden  H4010A | (hogere  zandgronden    H4010A | (hogere    (hose heiden  H4010A  d ndgronden    voce heiden    * dq ndgronden  (hoses heiden    ro crenden    verdere C  plagplek ontwikkeling  onbekend    5,4 ha /  onbekend plaggen/hydrologie positief 3km    EEE en En    1,4 ha /  > > deelgebied 8,7 wisselend plaggen stabiel 600 m         238</pre>

====================================================================== Einde pagina 238 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 239 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa - PAS-Gebiedsanalyse    *Helschrale  graslanden    *Heischrale  graslanden    *Heischrale lgebied    *Heischrale > > deelgebied  graslanden 10  *Heischrale > > deelgebied  graslanden 11    }H6410 | Blauwgrasianden | | > | deeebied 3 | 008 | matig |    Blauwgraslanden deelgebied 5 plagplek ontwikkeling  onbekend    [6410 | Blouwgraslanden | mirage [abet {in | SA]  cio [onmpnana |= [>| > [amines | oor | oo [TP ngen awe | | te [>] >  io [amos [| > [> | SR Ed EN AT TF         239</pre>

====================================================================== Einde pagina 239 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 240 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa - PAS-Gebiedsanalyse    geen  Ruigten en zomen '  (moerasspirea) a eee    *  H7110B   *  H7110B    *  H7110B    Hydrologie/ kade  H7140A 3,72 matig negatief /    nm = =  kn    240    </pre>

====================================================================== Einde pagina 240 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 241 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa - PAS-Gebiedsanalyse    Hydrologie. Onderzoek  beekbodem/waterstand  verhoging beek en  uitvoering    verwijderen  parallelleiding sloten.  Onderzoek  beekbodem/waterstand  verhoging beek en  uitvoering    positief/ sterk  positief indien  parallelleiding    Overgangs- en  H7140A trilvenen (trilvenen    >  2°+3° bhp  Hydrologie. Restopgave e  Overgangs- en restopgave + 3'  H7140A Deurzerdiep.Verbinding | positief  al    Overgangs- en  pe ie, | = | > eme Jel | |  Hydrologie. Onderzoek Onderzoek  ngs- en beekbodem/waterstand beek — >,  H7140A tienen (trilvenen) 9 verhoging beek en positief 3 km sloot  uitvoering  Hydrologie. Onderzoek  Overgangs- en deelgebied beekbodem/waterstand onderzoek >  H7140A trilvenen (trilvenen) > > 10 verhoging beek en positief -- 1 km sloot  uitvoering    geen  Pioniervegetaties met  mo aten ee James oe [||  ma ee ee wen jee Lel Il |    Pioniervegetaties met deelgebied geen         241</pre>

====================================================================== Einde pagina 241 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 242 ======================================================================

<pre>    Drentsche Aa - PAS-Gebiedsanalyse    enbossen geen    PO Ipa | | = | = Jdeeebeds| oe | mg | otten | OO |  PNO gt | |= |= jdeelebesr| 147 | mg | nette | Oe OO    onderzoek naar  Beuken-eikenbossen mogelijkheden  t hulst deelgebied 8 4.89 matig niet bekend functionele omvang te stabiel  ergroten    Beuken-eikenbossen  19120 | eea | |= |= | deelgebied | 3409 | goed | nietbekend | Tt | tT    onderzoek naar herstel  onderzoek(her)introduc  tie hakhout  matig niet bekend middenbosbeheer  onderzoek naar herstel  onderzoek(her)introduc  tie hakhout  deelgebied 8 matig niet bekend middenbosbeheer  deelgebied onderzoek naar herstel  onderzoek(her)introduc  deelgebied tie hakhout  10 matig niet bekend middenbosbeheer    |H9190 |Oudeeikenbossen | - | = | = |deelgebed7| 0.26 |  matig | nietbekend | onderzoeknaar |stabel | w | — | -} — |         242</pre>

====================================================================== Einde pagina 242 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 243 ======================================================================

<pre>    mogelijkheden  functionele omvang te  vergroten    H9190 | Oude eikenbossen Ie deelgebied 21,36 niet bekend strooisel verwijderen stabiel |    [H91D0 |*Hoogveenbossen | - | > | > | |  [H91D0_|*Hoogveenbossen | - | > | > | deelgebied2 | 086 |  Matg | nietbekend |    geen  Q  geen  H91D0 | *Hoogveenbossen > > deelgebied 4 0.08 overschrijdin  Q  geen Bos met  H91D0 | *Hoogveenbossen > > deelgebied S 1.42 overschrijdin | overschrijding is  q er niet meer  geen  H91D0 | *Hoogveenbossen > > deelgebied 8 overschrijdin  Q    geen  Q  Em  EN EN EE EE roe | rere | SRR    eel  (beekbegeleldende    *Vochtige alluviale  bossen  (beekbegeleidende         deelgebied 1    *Vochtige alluviale   bossen .  (beekbegeleidende deelgebied 2  *Vochtige alluviale   bossen deelgebied 3 Lift mee met herstel  (beekbegeleidende 9 . hydrologie beekdal  *Vochtige alluviale   bossen : : Uft mee met herstel  (beekbegeleidende deelgebied 4 . Matig/goed hydrologie beekdal    243         </pre>

====================================================================== Einde pagina 243 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 244 ======================================================================

<pre>    Drertsche Aa — PAS-Gebiedsenal\se    *Vochtige alluviale  bossen  (beekbegeleidende  bossen  *Vochtige alluviale  bossen  (beekbegeleidende  bossen  *Vochtige alluviale  bossen  (beekbegeleidende  bossen  *Vochtige alluviale  bossen  (beekbegeleidende  bossen  *Vochtige alluviale  bossen    deelgebied 5 . overschrijdin  g    deelgebied 6 overschrijdin  g    geen  deelgebied 7 . overschrijdin  g    geen  deelgebied 8 overschrijdin  g    geen    (beekbegeleidende deelgebied 9 overschrijdin  bossen g    *Vochtige alluviale geen  bossen deelgebied : a  (beekbegeleidende 10 0.26 overschrijdin  bossen g    ; ‚ | Doelst. Doelst. i  Nanatsoorsen ander a ex}e] | | fo ff |.    a . geen   CE CE  ; geen   nus [otemmacmnee| =| = | = | [outa ||| EE  ‚ : geen   ive peenemasemvee| =| = [= | [outa ||| EE  a geen   NC | =| = | = | Loaf ||| EEE  geen   EC | > 1 > | > | [ait EE    * Bij onderzoek of een LESA kan in dezelfde of daaropvolgende perioden herstelmaatregelen opgevoerd worden als daar aanleiding voor is gevonden  (symbool > in BP2 en BP3 (beheerplanperioden))              244</pre>

====================================================================== Einde pagina 244 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 245 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse  
245 
 Bijlage 4  
 
 
 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 245 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 246 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse  
246 
  
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 246 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 247 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse  
247 
  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 247 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 248 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse  
248 
  
 
 
 
 
</pre>

====================================================================== Einde pagina 248 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 249 ======================================================================

<pre>Drentsche Aa – PAS-Gebiedsanalyse  
249 
  
 
  
</pre>

====================================================================== Einde pagina 249 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 250 ======================================================================

<pre>    Bijlage 5: Soorten met stikstofgevoelig leefgebied binnen N2000-gebied  Drentsche Aa    De tabel geeft aan welke soorten een stikstofgevoelig leefgebied binnen N2000-gebied Drentsche  Aa hebben en welke habitattypen en aanvullend geformuleerde leefgebiedtypen daarmee  geassocieerd zijn. Uit de tabel blijkt dat uitsluitend de kamsalamander potentieel gebruik kan  maken van stikstofgevoelig leefgebied binnen dit Natura 2000-gebied.    Corre-  Typering _  leefgebied KDW van Ngevoellaheid Nerac, effecten van  vn NDT leefgebied? habitattype leefgebied en | stikstof-depositie  Grote  modderkruiper 3.14 (va) vt  nee (zie leeswijzer  vt  vt    N  modderkruiper N    modderkruiper    3.18 (va) > 2400 N  3.19 (va) > 2400 N   > nee (zie leeswijzer  3.21 (va) 1800 ? Deel II    nee (zie leeswijzer    3.7 (va) > 2400    3.8 (va) > 2400    3.14 (va) > 2400  Kleine  modderkruiper 3.15 (va) > 2400  Kleine  modderkruiper 3.16 (va) > 2400  Kleine nee (zie leeswijzer  3.17 (va) 2100 ? eel It    modderkruiper    Kleine  modderkruiper 3.18 (va) > 2400  Kleine 3.19 (va) > 2400    modderkruiper    Kleine nee (zie leeswijzer  modderkruiper 3.21 (va) 1800 ? Deel II  kleine 3.7 (va) > 2400    modderkruiper    Kleine  modderkruiper  3.10 (va)  3.18 (va)  Rivierdonderpad 3.19 (va)    nee, depositie zal niet  zo hoog zijn dat  Rivierdonderpad 3.3 (va) ? zuurstoftekort  optreedt in  snelstromend water    Rivierdonderpad 3.4 (va)  3.9 (va)  1.6 (a)  2.14 (a)  3.10 (a)  3.11 (a)  3.12 (a)  3.13 (a) N    modderkruiper    modderkruiper    modderkruiper    modderkruiper    modderkruiper    modderkruiper    Kleine  modderkruiper    Gj2 3/2 312 312 312 o/8 3/2 9  a oa - End - ml nl End  ja clavlanlaclanla cla a    N  N  N  N  N    vt  vt  vt  vt  vt  vt  vt    Rivierdonderpad    N  N  N  N  N  Rivierdonderpad N  N    vt  vt  vt  vt  vt    Rivierdonderpad  Rivierprik  Rivierprik  Rivierprik    N  N  N  N  N  Rivierprik N  N    Rivierprik    vt  vt  vt  vt  vt  vt  vt  vt    Rivierprik         250</pre>

====================================================================== Einde pagina 250 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 251 ======================================================================

<pre>    Corre-    Typering N Overig N-  -gevoeligheid sponderend  leefgebied KDW van relevant voor N-gevoelig gevoelig effecten van    (systematiek NDT leefgebied? habitattype leefgebied en | stikstof-depositie  NDT) en KDW KDW    Kamsalamander > 2400    Kamsalamander 3.15 (va) > 2400    ja, voor zover  zuurstoftekort kan LGO2  optreden als gevolg H3150 (KDW 2143)  2100 ? van eutrofiëring (bij (KDW (niet-  lage N-belasting door | 2143/ >2400) overlappend  andere bronnen of bij deel)  hoge P-belasting)    Fysiologische    Kamsalamander problemen (5)    Se -    Kamsalamander 3.25 (aw) > 2400  vt    ja, voor zover  zuurstoftekort kan  optreden als gevolg  van eutrofiéring (bij  lage N-belasting door  andere bronnen of bij  hoge P-belasting);  verzuring geen  probleem?    Fysiologische  problemen (5)    Kamsalamander 3.32 (va) 1600 nee (zie leeswijzer  Deel II    n  Kamsalamander 1800 nee (zie leeswijzer  Deel II  nee (zie leeswijzer  } 3:53am) | 1800 ain    Kamsalamander 3.56 (aw) 1400 nee (zie leeswijzer |  Deel II   nee eee |  3.57 (aw) 2100 Deel II    Kamsalamander    Kamsalamander    Kamsalamander 3.59 (aw)    nee (zie leeswijzer   Deel II  Verklaring van de tabel: Voor de typering van het leefgebied is gebruik gemaakt van de systematiek uit het  Handboek Natuurdoeltypen (Bal et al. 2001). Vetgedrukt zijn typen met een groot belang voor de soort. Tussen  haakjes staat bij de dieren de functie van het type (v = voortplanting; a = andere activiteiten; w = winterrust).  De koppeling tussen soorten en typen is overgenomen uit Bal et al. (2001), tenzij cursief gedrukt. Wanneer een  natuurdoeltype als gevoelig is benoemd (KDW < 2400 (Bal et al. 2007) is vervolgens gekeken of de  stikstofgevoeligheid relevant is voor leefgebied van de betreffende soort (kolom 4). Indien positief, dan is in de  twee kolommen erna aangegeven met welk habitattype en/of stikstofgevoelig leefgebied deze  stikstofgevoeligheid correspondeert. Voor de habitattypen en de aanvullende stikstofgevoelige leefgebieden is  ook de KDW opgenomen (Van Dobben et al. 2012).    Kamsalamander 3.60 (aw)    Kamsalamander 3.61 (aw)    Kamsalamander 3.64 (aw)    Kamsalamander 3.65 (aw)    Kamsalamander 3.66 (aw)    Kamsalamander 3.69 (aw) 1400         251</pre>

====================================================================== Einde pagina 251 =================================================================

<br><br>